Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:BH2615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-1998
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
96/10517 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na incident met verdachte wordt betrokkene veroordeeld tot een geldboete. Na ziekmelding volgt afkeuring. Geen schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

96/10517 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

de Raad van de gemeente Emmen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Assen op 4 oktober 1996 onder nr. 95/999 AW P04 G02 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 maart 1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door P.J. Gortzak, medewerker van de Nederlandse Politie Bond, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr W.R. van der Velde, advocaat te Groningen.

II. MOTIVERING

Appellant was sinds 1 juli 1979 werkzaam als agent en later als hoofdagent bij de gemeentepolitie te Emmen, groep [F.]. Van 1 september 1983 tot 10 januari 1988 was zijn groepscommandant [naam groepscommandant]; deze overleed op laatstgenoemde datum.

In februari 1988 heeft zich tijdens de dienst een incident voorgedaan tussen appellant en een verdachte; appellant is hiervoor door de politierechter veroordeeld tot betaling van een geldboete, hetgeen door het gerechtshof is bevestigd.

Appellant heeft zich op 27 mei 1988 met overspannenheidsklachten ziek gemeld. Bij brief van 4 november 1988 is appellant mededeling gedaan van zijn overplaatsing naar de afdeling [naam afdeling] te Emmen, zulks met ingang van de dag van zijn hersteldverklaring. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

Appellant is vervolgens door de directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds blijvend ongeschikt verklaard voor zijn functie en 80 tot 100% algemeen invalide, hetgeen heeft geleid tot zijn ontslag per 16 maart 1991.

Appellants bezoldiging is met toepassing van artikel 62, van het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (ARGP) ook na 18 maanden ziekte volledig doorbetaald. Vervolgens is hem met toepassing van artikel 69, lid 1, van het ARGP een uitkering toegekend ter aanvulling op het hem hierna toegekende invaliditeitspensioen ingevolge de Algemeen burgerlijke pensioenwet. Terzake van beide suppleties heeft gedaagde verklaard appellant hierbij het voordeel van de twijfel te hebben willen geven ten aanzien van het door appellant gestelde verband van de arbeidsongeschiktheid met de aard van de opgedragen werkzaamheden dan wel de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht.

Naar aanleiding van appellants verzoek van 30 september 1991 om toekenning van materiële en/of immateriële schadevergoeding voor het feit dat hij door de werksituatie in [F.] en de houding van de korpsleiding (met name de groepscommandant [naam groepscommandant]) is afgekeurd voor de politiedienst is bij besluit van 20 oktober 1994 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 1 juni 1995.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad hanteert ingevolge zijn vaste jurisprudentie terzake van zelfstandige schadebesluiten omtrent de gehoudenheid van een bestuursorgaan tot vergoeding van door een ambtenaar vóór 1 januari 1993 geleden schade de norm dat is vereist dat sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden, en dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding door het bestuursorgaan in aanmerking dient te komen.

De Raad is, onder verwijzing naar de door hem onderschreven overwegingen in de aangevallen uitspraak, met de rechtbank van oordeel dat toepassing van de hiervoor omschreven norm niet leidt tot gehoudenheid aan appellant schade te vergoeden.

De Raad acht met name niet aangetoond dat appellants uitval op 27 mei 1988 met klachten van psychische aard in zo overwegende mate als door appellant gesteld te wijten is aan de door hem omschreven opstelling en houding van de groepscommandant [naam groepscommandant], nu die ziekmelding bijna vijf maanden na het beëindigen van die werksituatie (als gevolg van het overlijden van [naam groepscommandant] begin januari 1988) heeft plaatsgevonden. Veeleer acht de Raad aannemelijk dat de situatie rond het incident in februari 1988 alsmede de strafrechtelijke nasleep hiervan een grote rol hebben gespeeld in het proces dat heeft geleid tot appellants afkeuring.

Gelet op het vorenoverwogene is de Raad dan ook van oordeel dat gedaagdes weigering om appellant in aanmerking te brengen voor de door hem gevraagde vergoeding van materiële en/of immateriële schade in rechte stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad ziet hierin aanleiding om geen toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 1998.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD