Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:BD9616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-1998
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
97/7974 WAO + 98/2822 en 98/2823 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestuursorgaan is niet meer bevoegd te beslissen op een bezwaar dat tegen het nadere besluit is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/7974 WAO + 98/2822 en 98/2823 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 6 april 1995 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 17 april 1995 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Voorts heeft gedaagde daarbij geweigerd aan appellante een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen op de grond dat in de AAW is bepaald dat geen uitkering kan worden toegekend wanneer aanspraak kan worden gemaakt op een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 7 juli 1997 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de toekenning van uitkering krachtens de WAO betreft, en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen omtrent de aanspraken van appellante krachtens de WAO per 17 april 1995.

Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij schrijven van 27 augustus 1997.

Bij brief van 18 november 1997 heeft appellante een nader stuk ingediend.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij het verweerschrift waren nadere stukken gevoegd, waaronder het besluit van gedaagde van 12 september 1997 waarbij opnieuw met ingang van 17 april 1995 aan appellante een uitkering krachtens de WAO is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij brief van 21 februari 1998 heeft appellante een afschrift ingezonden van het door haar ingediende bezwaarschrift (met bijlage) tegen het besluit van gedaagde van 12 september 1997. Op dat bezwaar is door gedaagde beslist bij besluit d.d. 15 januari 1998, waarbij het bezwaar van appellante ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft bij schrijven van 5 maart 1998 gereageerd op de brief van appellante d.d. 21 februari 1998.

Op verzoek van de Raad heeft gedaagde bij brief van 20 april 1998 een hem gestelde vraag beantwoord, en heeft gedaagde bij faxbericht van 10 juni 1998 nog een nader stuk ingediend.

Bij brieven van 10 juni 1998 heeft de Raad partijen meegedeeld dat hij, in verband met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft besloten om tevens een oordeel te geven over de nadere besluiten van 12 september 1997 en 15 januari 1998.

Bij brief van 2 juli 1998 heeft appellante gereageerd op het schrijven van gedaagde van 20 april 1998 en bij brief van 1 oktober 1998 heeft zij nog een tweetal nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 oktober 1998, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar zoon J.A.C. Baijens, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.J. Loontjens, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn gemachtigde.

II. MOTIVERING

Het besluit van 15 januari 1998

De Raad ziet aanleiding zich allereerst uit te spreken omtrent de vraag of het besluit van 15 januari 1998 in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De Raad heeft reeds eerder als zijn oordeel doen blijken dat een besluit, dat hangende hoger beroep ter uitvoering van de uitspraak waartegen dat hoger beroep is gericht-wordt genomen, dient te worden beschouwd als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, zodat, op grond van artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, geldt dat in het kader van het hoger beroep tevens dat nadere besluit dient te worden beoordeeld, tenzij zich de in het voorliggende geval niet aan de orde zijnde situatie voordoet dat dat nadere besluit geheel tegemoet komt aan het bezwaar of beroep.

Het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb brengt mee dat een uitzondering wordt gemaakt op de regeling van de rechtsbeschermingsvoorziening van de Awb: in afwijking van de in beginsel toepasselijke bepalingen dient niet tegen zo'n nader besluit afzonderlijk bezwaar te worden gemaakt of beroep te worden ingesteld, doch het bestuursorgaan dient van zo'n nader besluit onverwijld mededeling te doen aan het orgaan waarbij op dat moment de voorziening aanhangig is tegen het oorspronkelijke besluit. Dat orgaan, in casu de Raad, is, tenzij het toepassing geeft aan artikel 6:19, tweede lid, van de Awb, het bevoegde orgaan om over dat nadere besluit te oordelen.

Bovenstaande overwegingen brengen de Raad tot het oordeel dat gedaagde, die van het nadere besluit van 12 september 1997 ten onrechte geen mededeling aan de Raad heeft gedaan, niet bevoegd was te beslissen op het door appellante tegen dat nadere besluit gemaakte bezwaar, zodat de beslissing op dat bezwaar d.d. 15 januari 1998, als onbevoegdelijk genomen, moet worden vernietigd.

Het besluit van 6 april 1995

Met betrekking tot het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank waarbij, onder gegrondverklaring van het ingestelde beroep, het bestreden besluit van 6 april 1995, voor zover in geding, is vernietigd, overweegt de Raad het volgende.

Door gedaagde is, nadat het besluit van 6 april 1995 was vernietigd, een nader besluit d.d. 12 september 1997 genomen, hetwelk in de plaats is getreden van dat eerdere besluit. Zoals hierboven reeds is aangegeven, dient de Raad in het kader van het aanhangig gemaakte hoger beroep tevens een oordeel uit te spreken over dat nadere besluit, nu met dat nadere besluit -dat wat betreft de arbeidsdeskundige grondslag een wijziging inhoudt van het besluit van 6 april 1995, maar overigens wederom een toekenning inhoudt van een WAO-uitkering ingaande 17 april 1995 naar de klasse 35-45%- niet aan de bezwaren van appellante is tegemoet gekomen. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het bij de aangevallen uitspraak vernietigde besluit van 6 april 1995. De bezwaren van appellante tegen de vaststelling door gedaagde van haar aanspraken ingevolge de WAO, als neergelegd in het vernietigde besluit van 6 april 1995, dienen te worden beoordeeld in het kader van de beoordeling van het nadere besluit van 12 september 1997. Het hoger beroep van appellante dient derhalve, wegens het ontbreken van belang bij een beoordeling in hoger beroep van het besluit van 6 april 1995, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het besluit van 12 september 1997

Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat haar medische beperkingen door gedaagde zijn onderschat en dat zij niet in staat is tot het verrichten van arbeid, ook niet, zoals door gedaagde wordt gesteld, in part-time functies van vier uren per dag. Voorts heeft appellante aangevoerd dat haar gezondheidstoestand zich heeft verslechterd, waarbij is gewezen op de uitkomsten van in 1997 en 1998 verrichte medische onderzoeken. Ten slotte heeft appellante gesteld de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies absoluut niet te kunnen vervullen.

De Raad is evenwel van oordeel dat het besluit van 12 september 1997, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de bevindingen van de verzekeringsarts J. van der Molen, als neergelegd in diens rapportages d.d. 11 november 1994 en 24 januari 1995, op grond waarvan ten aanzien van appellante een belastbaarheid is vastgesteld, als neergelegd in de verwoording belastbaarheid d.d. 3 februari 1995. De Raad acht zich in dit oordeel gesteund door de rapportages van respectievelijk 16 september 1996 en 17 januari 1997 van de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen P.C.J.M. Lindner, cardioloog, en W.H.J.C. van Heeswijk, orthopedisch chirurg. Appellante, die -niettegenstaande evengenoemde rapportages- heeft gesteld dat haar medische beperkingen door gedaagde zijn onderschat, heeft geen nadere medische gegevens ingebracht ter onderbouwing van deze stelling. Voor zover appellante nog heeft aangevoerd dat haar gezondheidstoestand na de datum in geding 17 april 1995 is verslechterd, moet worden opgemerkt dat daarmee in het kader van het onderhavige geding, waarin de gezondheidstoestand van appellante op 17 april 1995 aan de orde is, geen rekening kan worden gehouden.

Ook wat het arbeidskundig aspect betreft is de Raad van oordeel dat het besluit van 12 september 1997 in rechte stand kan houden. Aan dat besluit ligt een nieuw arbeidskundig onderzoek ten grondslag, met als resultaat dat een aantal part-time functies als geschikt voor appellante wordt aangemerkt. De Raad acht, gelet op de rapportage van T. Lodewikus, arbeidsdeskundige, van 5 september 1997, genoegzaam aannemelijk dat deze functies op de datum in geding op de arbeidsmarkt aanwezig waren. De vaststelling van de resterende verdiencapaciteit van appellante is gebaseerd op deze part-time functies, die wat omvang betreft in overeenstemming zijn met de voor appellante aangenomen arbeidsduur van maximaal vier uren per dag gedurende vijf dagen per week en die, zo is de Raad -gelet op de in die functies voorkomende belasting en op de rapportage fis-overleg d.d. 13 augustus 1997- van oordeel, de belastbaarheid van appellante niet te boven gaan. Vergelijking van het voor appellante op de datum in geding geldende maatmaninkomen en de voor haar vastgestelde resterende verdiencapaciteit toont aan dat de indeling door gedaagde van appellante in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% niet op een ondeugdelijke feitelijke grondslag is gebaseerd.

Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het besluit van 12 september 1997 in rechte stand kan houden, zodat moet worden beslist als hieronder is

vermeld.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep, voor zover het wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 12 september 1997, ongegrond;

Verklaart het beroep, voor zover het wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 januari 1998, gegrond en vernietigt dat besluit.

Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr M.M. van Maurik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 november 1998.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.M. van maurik.

LK

2810

Q