Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:AB2279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-1998
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
96/11266 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 1998, 83
Gst. 1998-7082, 7 met annotatie van W.P.F. de Bruijn
USZ 1998/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/11266 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de

gemeente Amersfoort, appellant,

en

mr A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 25 oktober 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 27 januari 1998, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser studeerde sedert 1988 rechten aan de Rijksuni-versiteit Utrecht. In de studiejaren 1988/1989 en 1989/1990 heeft hij als deeltijdstudent ingeschreven gestaan en in de studiejaren 1990/1991 en 1991/1992 als voltijdstudent. In de studiejaren 1992/1993, 1993/1994 en 1994/1995 heeft eiser ingeschreven gestaan voor deeltijdstudie. Het onderwijs werd gedeeltelijk overdag gegeven.

Bij formulier van 1 juni 1992 heeft eiser een uitng ingevolge de Rww aangevraagd. Op het formulier is aangegeven dat hij zijn studie rechten in de avonduren wil afmaken.

Bij brief van 29 juni 1992 heeft eiser een mede door de universiteit ondertekende verklaring van dezelfde datum overgelegd, waarin is gesteld dat hij geen gebruik meer zal maken van de onderwijs- of examenmogelijkheden die zijn inschrijving aan de universiteit mogelijk maakt.

Bij besluit van 21 juli 1992 is aan eiser een uitkering ingevolge de Rww toegekend per 1 juli 1992.

Op 10 december 1992 is door een ambtenaar van verweerders Dienst Sociale Zaken een rapportage opgesteld in het kader van een heronderzoek. In deze rapportage is gesteld dat eiser naast het zoeken naar werk bezig is met een deeltijdstudie rechten. Ook in de rapportages van 22 juni 1993, 27 september 1993 en 18 maart 1994 is melding gemaakt van eisers deeltijdstudie rechten.

Op 14 juli 1994 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en C. Kleinkoerkamp van verweerders Dienst Sociale Zaken. Bij die gelegenheid is hem meegedeeld dat het niet mogelijk is met behoud van Rww-uitkering een deeltijdstudie te volgen.

Bij besluit van 21 oktober 1994 heeft verweerder eisers recht op uitkering onder toepassing van

artikel 12, lid 4, Rww beëindigd per 1 januari 1995, indien hij althans per die datum zijn studie niet heeft gestaakt.".

De Raad voegt daar aan toe dat het tegen het besluit van 21 oktober 1994 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard bij besluit van 13 februari 1995.

De rechtbank heeft in haar uitspraak op het door gedaagde tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep geconcludeerd dat de beëindiging van gedaagdes uitkering in overeenstemming is met artikel 12, vierde lid, van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) en gedaagdes beroep op het zogeheten vertrouwensbeginsel verworpen. De rechtbank heeft niettemin het besluit van 13 februari 1995 niet in stand gelaten wegens strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellant heeft dit oordeel in het aanvullend beroepschrift bestreden en er daarbij onder meer op gewezen dat:

"- de heer A. in een gesprek op 14 juli 1994 is medegedeeld dat de studie niet met behoud van uitkering kan worden voortgezet;

- een periode van 3 maanden, ingaande 1 oktober

1994, is aangehouden waarin de betrokkene kan

besluiten om de studie dan wel de uitkering te

beëindigen;

- in een gesprek op 14 oktober 1994 aan de heer

A. definitief is medegedeeld dat per januari 1995 de uitkering wordt beëindigd vanwege het feit dat hij kenbaar maakt de studie niet te willen beëindigen;

- op 21 oktober 1994 de omstreden beschikking is

verzonden met de mededeling dat de RWW-uitkering

met ingang van 1 januari 1995 wordt beëindigd;

- in de beschikking de mogelijkheid is geboden om de

omstandigheden (het ingeschreven zijn als student)

alsnog voor 1 januari 1995 te wijzigen;".

Gedaagde heeft in zijn verweerschrift gepersisteerd bij zijn opvatting dat het bestreden besluit wegens strijd met het vertrouwensbeginsel en met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb geen stand kan houden.

De Raad deelt de opvatting van de rechtbank en van gedaagde niet. Hij stelt daartoe allereerst vast dat de RWW niet de ruimte biedt voor (verdere) bijstandsverlening aan degenen die een scholing of een opleiding in deeltijd- of volledig hoger beroeps- of wetenschappelijk dagonderwijs volgen. Dit is slechts anders indien een van de in het vierde lid van artikel 12 van de RWW genoemde uitzonderingssituaties zich voordoet. Gedaagde volgde geen onderwijs als omschreven onder a van die bepaling en, zoals de rechtbank heeft aangegeven, was de in artikel 11 van de RWW bedoelde periode reeds verstreken zodat ook de situatie genoemd onder b van voornoemde bepaling niet meer aan de orde was. Appellant was dan ook niet meer bevoegd om gedaagde tijdens zijn studie een RWW-uitkering te verlenen. Appellants dienst Sociale Zaken heeft dit, zij het pas na geruime tijd, onderkend, waarna achtereenvolgens op 14 juli 1994, op 14 oktober 1994 en op 21 oktober 1994 de in het aanvullend beroepschrift vermelde mededelingen aan gedaagde zijn gedaan.

De Raad voegt hier aan toe dat gedaagde niet met vrucht een beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel of op de in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb neergelegde beginen.

Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met bedoelde beginselen dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd inlichtingen zijn verstrekt die bij hem gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

Een dergelijk bijzonder geval doet zich naar het oordeel van de Raad niet voor.

Uit de gedingstukken blijkt niet dat door of namens appellant een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededeling aan gedaagde is gedaan op grond waarvan hij er op mocht vertrouwen dat zijn RWW-uitkering niet eerder zou worden beëindigd dan nadat hij zijn deeltijdstudie rechten zou hebben voltooid.

Uit de gedingstukken komt wel naar voren dat appellant bij zijn besluitvorming rekening heeft gehouden met het gegeven dat gedaagde al sedert 1 juli 1992 RWW-uitkering ontving en dat hem tijd moest worden gegund om -zoals verwoord in het bestreden besluit- "tot een keuze te komen tot studeren of niet studeren en de uitkering behouden".

In aanmerking genomen dat gedaagde op 14 juli 1994 voor de eerste maal is geconfronteerd met de gewijzigde opvatting van gedaagdes dienst Sociale Zaken en dat hij vervolgens nog tot 1 januari 1995 de tijd heeft gehad om die keuze te maken, kan naar het oordeel van de Raad niet staande worden gehouden dat de ingangsdatum van de beëindiging van gedaagdes uitkering niet in overeenstemming zou zijn met een zorgvuldige, rechtens aanvaardbare wetstoepassing.

In de door gedaagde benadrukte omstandigheid dat hij destijds nog maar een aantal tentamens af behoefde te leggen en zich al voor het laatste jaar had ingeschreven, en ook in hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en

mr G.A.J. van den Hurk en mr C.P.J. Goorden als leden,

in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 1998.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) I. de Hartog.

EB

1602