Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:AA8790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-1998
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
96/11241 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Ziektewet 29a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999/5
USZ 1998/294 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/11241 AAW/WAO Q.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 3 maart 1995 heeft appellant gedaagdes uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschikt-heidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 april 1995 ingetrokken.

De arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft gedaagdes beroep tegen dat besluit bij uitspraak van 5 november 1996 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant aan gedaagde het gestorte grif-fierecht vergoedt.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden, uiteengezet in een aanvullend beroep-schrift van 8 januari 1997, is de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

Gedaagde heeft in januari 1997 een rapport van de revalidatie-arts T. Blom-Luberti van 6 januari 1997 overgelegd.

Bij brief van 3 juni 1997 heeft appellant een rapport van zijn verzekeringsgeneeskundige G.W.F. Bergkamp van

9 april 1997, met bijlagen, overgelegd.

Bij brief van 20 mei 1998, met bijlage, heeft appellant enige vragen van de fungerend president van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 september 1998, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr A.E.J.M. Gielen, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is versche-nen.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft haar werkzaamheden als laboratorium-assistente voor 20 uren per werk met ingang van 23 september 1993 gestaakt wegens klachten die verband hielden met haar zwangerschap.

Na de bevalling is gedaagde ten gevolge van symfysiolysisklachten ongeschikt gebleven tot het verrichten van haar arbeid. In verband daarmee heeft appellant haar een uitkering op grond van artikel 29a, zevende lid, van de Ziektewet toegekend, welke tot 25 mei 1995 is betaald. Appellant heeft gedaagde voorts met ingang van 22 september 1994 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschikt-heid van 80 tot 100%.

Bij het bestreden besluit heeft appellant gedaagdes uitkeringen op grond van de AAW en de WAO met ingang van 6 april 1995 ingetrokken. Aan dat besluit ligt appellants standpunt ten grondslag dat gedaagde ten gevolge van symfysiolysis weliswaar niet in staat is haar werk als laboratoriumassistente te verrichten, maar dat zij nog wel in staat moet worden geacht om de werkzaamheden te verrichten die verbonden zijn aan een aantal deeltijd-functies die door een arbeidsdeskundige met haar zijn besproken. Gelet op het inkomen dat gedaagde in die functies zou kunnen verdienen heeft appellant geoordeeld dat er geen sprake is van een relevant inkomensverlies.

Na een nadere beschouwing van de in aanmerking genomen functies heeft een verzekeringsgeneeskundige van appel-lant, blijkens het in eerste aanleg overgelegde rapport van 1 mei 1996, geoordeeld dat zes van de aan gedaagde voorgehouden functies voor haar krachten zijn berekend. Daarbij is aangegeven dat dit geen consequenties heeft voor gedaagdes mate van arbeidsongeschiktheid.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd op de grond dat het niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. De rechtbank heeft daarbij als volgt overwogen:

"Naar het oordeel van de rechtbank vereist de zorg-vuldigheid in een geval van samenloop als dit, waarin ter zake van hetzelfde ziektegeval naast een verlengde Ziektewetuitkering op enig moment een AAW/WAO-uitkering wordt toegekend, dat, zolang er ongeschiktheid voor het eigen werk bestaat binnen

de periode waarop aanspraak op ziekengeld kan worden gemaakt, niet wordt overgegaan tot (effectuering van) een schatting in het kader van de AAW/WAO met als resultaat dat de AAW/WAO-uitkering eerder wordt beëindigd dan de datum waarop de aanspraak op ziekengeld wordt beëindigd. Daarbij heeft de recht-bank in het bijzonder doen wegen dat, zeker in een geval waarin het dienstverband nog bestaat, de verzekerde aan de systematiek van de onderscheiden wetten het recht mag ontlenen dat het traject waarin de beoordeling van de geschiktheid voor het eigen werk in het geding is, eerst wordt doorlopen al-vorens de vraag aan de orde kan komen of de verzekerde geschikt te achten is passende functies te vervullen.

Een andere benadering zou er toe leiden dat de betrokkene enerzijds nog tijdens de Ziektewetperiode als gevolg van de aangekondigde schatting gedwongen is zich op andere functies te oriënteren terwijl anderzijds niet valt uit te sluiten dat nadien in het kader van de verlengde Ziektewetuitkering, gezien het karakter van die uitkering, de medische beoordeling uitwijst dat betrokkene alsnog hersteld is voor het eigen werk. Daarnaast zou een zodanige benadering met zich brengen dat lopende de verlengde Ziektewetuitkering ook met een verergering van de medische situatie van betrokkene in het verband van de AAW/WAO-beoordeling geen rekening kan worden gehouden indien die beoordeling daaraan vooraf is gegaan. In dat geval staat immers niet vast (een beoordeling ter zake is immers achterwege gebleven) of betrokkene ook na de maximum termijn van de verlengde Ziektewetuitkering in staat moet worden geacht de betreffende functies te vervullen.".

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in medisch opzicht op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Namens appellant is in hoger beroep -kort gezegd- naar voren gebracht dat de omstandigheid dat gedaagde op de datum in geding een uitkering op grond van artikel 29a, zevende lid, van de ZW genoot er niet aan in de weg staat dat haar mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de AAW en de WAO wordt vastgesteld. Appellant heeft er in dat verband op doen wijzen dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de ZW enerzijds en de AAW en de WAO anderzijds verschillend van karakter is, namelijk gericht op de (on)geschiktheid voor het eigen werk respectievelijk voor algemeen geaccepteerde arbeid. Namens appellant is er voorts op gewezen dat de AAW en de WAO niet voorzien in een opschorting van de beoordeling van arbeidsongeschiktheid indien er, zoals in gedaagdes geval, nog recht bestaat op een uitkering krachtens de ZW. In een dergelijke situatie brengt, aldus appellant, de wettelijke systematiek met zich dat de ZW-uitkering geanticumuleerd dient te worden met de AAW/WAO-uitke-ringen. Ten slotte is appellant van mening dat de recht-bank heeft miskend dat er sprake is van een theoretische beoordeling van gedaagdes mate van arbeidsongeschiktheid, zodat bij de aangevallen uitspraak ten onrechte is over-wogen dat appellants standpunt met zich brengt dat ge-daagde gedwongen zou zijn zich op andere functies te oriënteren terwijl niet valt uit te sluiten dat zij later, in het kader van de ZW, alsnog geschikt zou worden geacht voor haar eigen werk.

Namens appellant is voorts betoogd dat het bestreden besluit in medisch opzicht op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De Raad overweegt als volgt.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het kader van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de artikelen 5 van de AAW en 18 van de WAO niet als regel kan worden aanvaard dat een dergelijke beoordeling op grond van het zorgvuldigheids-beginsel niet plaats kan vinden zolang er ter zake van ongeschiktheid voor het eigen werk uitkering ingevolge de ZW wordt genoten. Hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht staat aan het aanvaarden van een dergelijke regel in de weg.

De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat de Raad in het verleden reeds heeft uitgesproken, bijvoorbeeld in zijn in RSV 1991/91 en RSV 1997/223 gepubliceerde uitspraken, dat een mogelijke herplaatsing van een verzekerde bij de eigen werkgever er in beginsel niet aan in de weg staat om diens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de AAW en de WAO volgens de daarvoor geldende normen vast te stellen.

De Raad is voorts met appellant van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn om te oordelen dat het bestreden besluit in medisch opzicht niet zorgvuldig zou zijn voorbereid.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank gedaagdes beroep ten onrechte op voormelde gronden gegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op gedaagdes ter zitting van de Raad uitgesproken wens om haar bezwaren tegen het bestreden besluit thans ten gronde te beoordelen, ziet de Raad geen redenen om de behandeling van deze zaak naar de rechtbank terug te wijzen.

Gedaagde is van mening dat zij ten gevolge van haar symfysiolysis buiten staat is om aan het arbeidsproces deel te nemen. Zij heeft in dat verband gewezen op een mislukte hervatting in haar eigen werk in februari/maart 1995. Voorts heeft gedaagde ter onderbouwing van haar standpunt de in rubriek I vermelde brief van haar revalidatie-arts T. Blom-Luberti van 6 januari 1997 overgelegd.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Op basis van de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te oordelen dat gedaagde per 6 april 1995 minder of anders belastbaar is dan appellant heeft aangenomen. De Raad merkt in dat verband op in genoemde brief van de revalidatie-arts Blom-Luberti geen aanleiding te hebben gezien voor een ander oordeel. De Raad wijst er op dat deze brief een beschrijving bevat van gedaagdes gezondheidstoestand per december 1996 en dat uit die brief blijkt dat gedaagde deze revalidatie-arts vanaf september 1996 weer bezocht onder meer in verband met toenemende pijnklachten en functiestoornissen van het linker been. De Raad heeft op grond daarvan niet de overtuiging gekregen dat de bevin-dingen van gedaagdes revalidatie-arts mede zien op haar gezondheidstoestand per 6 april 1995.

Naar aanleiding van hetgeen gedaagde naar voren heeft gebracht betreffende de niet geslaagde werkhervatting overweegt de Raad als volgt. De Raad is van oordeel dat in die omstandigheid geen grond kan worden gevonden om gedaagde arbeidsongeschikt te achten aangezien de Raad er, met appellant, van uitgaat dat gedaagdes eigen werk niet passend is. Aan de niet geslaagde werkhervatting kan daarom geen grond worden ontleend voor het oordeel dat gedaagde buiten staat zou zijn om voor haar krachten berekende algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.

Uitgaande van de door appellant vastgestelde belast-baarheid is de Raad van oordeel dat gedaagde per 6 april 1995 in staat moest worden geacht om de werkzaamheden te verrichten die verbonden zijn aan de (resterende) functies die appellant aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

Op grond van het voorgaande dient het inleidend beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepas-sing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en mr F.P. Zwart en mr G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 1998.

(get.) C.G.L. Plomp.

(get.) P.W.A. van Geloven.