Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:AA8775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-1998
Datum publicatie
08-02-2003
Zaaknummer
97/44 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 25
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1998/301 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/44 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder dagtekening 25 november 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 8 juli 1998 nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

1 september 1998, waar voor appellant is verschenen

mr B. de Pijper, werkzaam bij Gak Nederland bv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde is ingaande 17 oktober 1994 door appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de WW. In de periode van 11 november tot en met 17 december 1994 heeft gedaagde verspreid over vijf dagen in totaal 23 uur gewerkt bij taxibedrijf Hamstra te Hierden. Van deze werkzaamheden en de daaruit genoten verdiensten heeft gedaagde, menende dat dit niet hoefde, omdat de werkzaamheden in het weekend plaatsvonden, geen mededeling gedaan op de werkbriefjes.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat er vanuit, dat gedaagde hierdoor een bedrag van f 403,46 bruto teveel aan uitkering heeft ontvangen, welk bedrag hij aan appellant dient terug te betalen, alsmede dat gedaagde een benadelingshandeling heeft gepleegd als bedoeld in artikel 25, onder b, van de WW en dat appellant bevoegd was op grond van het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de WW een sanctie op gedaagdes uitkering toe te passen.

Gebruikmakend van deze bevoegdheid heeft appellant bij besluit van 1 september 1995 ingaande 11 november 1994 op gedaagdes WW-uitkering een sanctie toegepast van 20% gedurende 16 weken.

In geding is de vraag of dit besluit, dat bij het bestreden besluit d.d. 19 december 1995 is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft deze vraag bij de aangevallen uitspraak ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank was er ten aanzien van het aan de orde zijnde onderdeel van appellants beleid sprake van een categorische sanctietoepassing, zonder inachtneming van alle relevante factoren van het concrete geval. Een dergelijke categorische sanctietoepassing overschrijdt, aldus de rechtbank, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, terwijl van een op dit beleid gebaseerd sanctiebesluit moet worden gezegd dat appellant daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen.

In hoger beroep bestrijdt appellant de opvatting van de rechtbank. Naar de mening van appellant heeft er in het onderhavige geval wel degelijk een belangenafweging plaatsgevonden.

De Raad overweegt het volgende.

Bij Besluit van 17 maart 1994 (hierna: het SVr-besluit) heeft de (voormalige) Sociale Verzekeringsraad ter uitvoering van het bepaalde in artikel 27, vierde lid, van de WW, nadere regels gegeven omtrent de wijze waarop de (voormalige) bedrijfsverenigingen gebruik dienen te maken van hun sanctiebevoegdheid. Doel hiervan was het bevorderen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid bij het toepassen van sancties.

In het SVr-besluit zijn de verplichtingen van de werknemer in artikel 2 naargelang de ernst daarvan ingedeeld in vijf categorieën, waarvan de eerste de minst en de vijfde de meest zware verplichtingen bevat. Op grond van artikel 3 van het SVr-besluit is de op te leggen sanctie in beginsel zwaarder bij het niet nakomen van een in een hogere categorie opgenomen verplichting.

De benadelingshandeling is in artikel 2, eerste lid, onder e ten zesde, van het SVr-besluit ingedeeld in de vijfde categorie. In artikel 3 van het Besluit heeft de SVr voorgeschreven dat bij het niet nakomen van een verplichting in deze categorie, afhankelijk van de mate waarin de gedraging of nalatigheid van de werknemer hem naar het oordeel van de bedrijfsvereniging kan worden verweten, de hoogte en de duur van de weigering van de uitkering bedragen:

1. 10% gedurende 8 weken,

2. 20% gedurende 16 weken,

3. 30% gedurende 21 weken,

4. 30% gedurende 42 weken, of

5. de gehele uitkering over de volledige of

resterende uitkeringsduur.

Onder benadeling als hier bedoeld is, zo valt uit de toelichting af te leiden, niet alleen benadeling in frauduleuze zin begrepen, maar ook vormen van benadeling in arbeidsrechtelijke zin, voor zover deze althans niet zijn opgenomen in de vierde categorie.

Het beleid dat appellant ten tijde hier in geding voerde bij het hanteren van de aan hem toekomende sanctiebevoegdheid is neergelegd in het "Sanctiebesluit WW BV Vervoer" van 20 mei 1994 (hierna: Sanctiebesluit). Op grond van artikel 10 van dat besluit wordt bij overtreding van artikel 2, eerste lid, onder e ten zesde, van het SVr-besluit, indien het een benadelingshandeling in frauduleuze zin betreft, een sanctie opgelegd van:

a. 20% over 16 weken bij een financieel nadeel tot

f 6.000,--, voor zover de werknemer niet welbewust frauduleus heeft gehandeld en hij daarmee geen of nauwelijks inkomen heeft verworven;

b. 30% over 42 weken bij een financieel nadeel tot

f 6.000,--;

c. de blijvend gehele weigering bij een financieel nadeel vanaf f 6.000,-- tot f 12.000,--, indien het Openbaar Ministerie geen strafvervolging heeft ingesteld.

Appellant heeft gedaagdes gedrag/nalaten -er daarbij van uitgaande dat het hier een vergissing betrof en gedaagde niet of nauwelijks inkomen heeft verworven- aangemerkt als niet welbewust frauduleus handelen en, conform zijn beleid, de lichtst mogelijke sanctie opgelegd van 20% gedurende 16 weken.

Zoals hiervoor al is geconstateerd, heeft appellant in zijn Sanctiebesluit bij een benadelingshandeling in frauduleuze zin slechts drie sanctieklassen opgenomen. In de toelichting op zijn Sanctiebesluit heeft appellant hierover opgemerkt dat de in het SVr-besluit vermelde lichtst mogelijke sanctie (10% over 8 weken) beslist niet passend wordt geacht bij een toch wel ernstig vergrijp als de benadelingshandeling.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant verklaard de gebondenheid aan het SVr-besluit zo op te vatten dat dit niet toestaat andere sanctieklassen te hanteren dan de daarin genoemde, maar dat dit besluit wel de ruimte laat bepaalde sanctieklassen voor bepaalde overtredingen niet toe te passen.

De Raad kan deze opvatting van appellant niet delen.

Aan appellant kan worden toegegeven dat ook de SVr, blijkens de toelichting op zijn Besluit, waar het betreft het niet nakomen van verplichtingen ter vaststelling van uitkeringsrechten, frauduleuze handelingen of nalatigheden, waarbij een werknemer het oog heeft op het ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds of de bedrijfsvereniging behalen van financieel voordeel, als de meest ernstige beschouwt. Vanwege de grote waarde die de SVr hecht aan fraudebestrijding is deze benadelingshandeling, aldus de toelichting, in de hoogste (vijfde) categorie geplaatst, welke categorie, zoals reeds aangegeven, de vijf hiervoor genoemde sanctieklassen kent. De Raad wijst er hierbij op dat de SVr ten aanzien van benadelingshandelingen in frauduleuze zin niet een aparte categorie in het SVr-besluit heeft opgenomen, noch uitdrukkelijk een bepaalde sanctieklasse heeft uitgesloten. Ook uit de toelichting op het SVr-besluit blijkt dat de SVr bij de vijfde categorie vijf sanctiemogelijkheden heeft aangegeven, waarbij de mate van verwijtbaarheid bepalend is voor de vraag welke van deze sancties wordt toegepast.

Gelet hierop, en in aanmerking genomen het doel van het SVr-besluit -te weten het bevorderen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid- is de Raad van oordeel dat de SVr ook voor sanctionering van benadelingshandelingen in frauduleuze zin uitdrukkelijk een onderscheid heeft willen maken naar vijf sanctieklassen.

De in artikel 3 van het SVr-besluit neergelegde beleidsvrijheid van de bedrijfsverenigingen is dan beperkt tot het bepalen van criteria ten aanzien van de verwijtbaarheid van de overtreding en het classificeren van benadelingshandelingen volgens deze criteria in de vijf sanctieklassen. Appellant heeft de grenzen van die beperkte beleidsvrijheid overschreden door een beleid te voeren dat de mogelijkheid uitsluit op een overtreding als de onderhavige te reageren met een sanctie van 10% over 8 weken en daardoor niet de nuanceringen kent welke door de SVr zijn beoogd. Overigens vermag ook de Raad niet in te zien dat een benadelingsbehandeling die bijvoorbeeld voortvloeit uit een, overigens wel verwijtbare, eenmalige vergissing en die slechts een gering bedrag betreft zodanig verwijtbaar is te achten dat de sanctieklasse van 20%/16 weken gehanteerd zou moeten worden.

Nu het bestreden besluit is gebaseerd op een te categorisch beleid dat niet strookt met het SVr-besluit is dat bestreden besluit door de rechtbank, zij het op enigszins andere gronden dan waartoe de Raad is gekomen, terecht vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 28,-- aan reiskosten. Van overige, voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot ¦ 28,--.

Aldus gewezen door mr J.C.F. Talman als voorzitter en

mr Ch.J.G. Olde Kalter en mr P.H. Hugenholtz als leden, in tegenwoordigheid van P.S. van Gelein Vitringa als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 1998.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.S. van Gelein Vitringa.