Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:AA8750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-1998
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
96/5509 ABP
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen XX
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1998, 259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/5509 ABP

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP als rechtsopvolger van het bestuur van het voormalige Algemeen burgelijk pensioenfonds, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 10 juni 1994 heeft het bestuur van het voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds ten aanzien van appellante een besluit genomen dat in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 14 mei 1996, nummer 94/4324 ABP, het beroep dat mr J.L.M. Dassen, advocaat te Wassenaar, als gemachtigde van appellante tegen dat besluit heeft ingesteld, ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr J.L.M. Dassen voornoemd tegen die uitspraak bij de Raad hoger beroep ingesteld. In het beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom appellante zich met de aangevallen uitspraak niet kan verenigen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven d.d. 29 april 1998, met bijlagen, heeft de gemachtigde van appellante zich nog tot de Raad gewend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 1998. Daar is appellante in persoon verschenen met bijstand van mr J.F.M.J.H. van Aken, advocaat te Wassenaar, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.J.M. van Haaften, werkzaam bij USZO-Heerlen.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene burgerlijke pensioenwet, verder: de Wet. De Wet is bij wet van 21 december 1995, Stb. 639, met ingang van

1 januari 1996 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

De Raad heeft ten gronde te beantwoorden de vraag of appellante, die is geboren in 1945, gezien naar de datum 7 september 1993 in een hogere mate algemeen invalide was in het kader van de Wet dan in de bij het bestreden besluit vastgestelde mate van 65 tot 80%.

Allereerst stelt de Raad vast dat gedaagde bij de beoordeling van de mate waarin appellante ten tijde hier van belang algemeen invalide was, is uitgegaan van artikel

F 9, tweede lid, van de Wet zoals dit artikel luidde tot 1 augustus 1993, de datum waarop de Wet van 7 juli 1993 tot invoering van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) in werking is getreden.

Hiertoe heeft gedaagde in aanmerking genomen dat appellante op dat moment reeds recht had op een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.

Anders dan de rechtbank acht de Raad deze omstandigheid voor de toepassing van het overgangsrecht als, ter zake van onder meer artikel F 9 van de Wet, neergelegd in artikel XX van de Wet TBA, wél van betekenis.

Hiertoe wijst de Raad naar het overgangsrecht van de Wet TBA als neergelegd in artikel XVI, derde lid, ten aanzien van uitkeringsgerechtigden ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Voorts laat de Raad wegen dat een andere uitleg van het overgangsrecht tot gevolg zou hebben dat het toepasselijke recht niet afhankelijk is van het tijdstip van intreden van de arbeidsongeschiktheid, doch van andere betrekkelijk willekeurige omstandigheden.

In dit licht is de Raad van oordeel dat de uitleg die gedaagde hier aan de Wet heeft gegeven, de meest geëigende is.

Uitgaande van het bepaalde in artikel F 9, tweede lid, oud, van de Wet is dan aan de orde de vraag als vorenweergegeven of de algemene invaliditeit van appellante, gezien naar 7 september 1993, met een mate van 65 tot 80% is ondergewaardeerd.

Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Hiertoe acht de Raad reeds doorslaggevend dat uit het rapport d.d.

24 februari 1993 dat R.O. Hattink, als reumatoloog verbonden aan het Jan van Bremeninstituut te Amsterdam, op verzoek van een medisch adviseur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds na onderzoek van appellante heeft uitgebracht, gemotiveerd naar voren komt dat appellante in staat moet worden geacht de in het bestreden besluit geduide funkties gedurende 17,5 uur per week, te vervullen. Deze uitkomst vindt bevestiging in de op verzoek van de rechtbank, na onderzoek van appellante, verkregen medische gegevens, afkomstig van dr G. Collée, als reumatoloog verbonden aan het ziekenhuis Sint Antoniushove te Leidschendam.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, dit met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad die, ten slotte, geen aanleiding ziet toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr H.R. Geerling-Brouwer en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 1998.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

15.06

+B