Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:AA8743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-1998
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
96/4664 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 1998-05-27
Algemene wet bestuursrecht 7:3c, geldigheid: 1998-05-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1998/173
USZ 1998/210 met annotatie van Red
AB 1998, 367
Module Ruimtelijke ordening 1998/4371

Uitspraak

96/4664 AOW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Sociale Verzekeringsbank, appellant,

en

A., wonende te B.(Suriname), gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 5 december 1994 heeft appellant het

bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 9 augustus 1994, houdende de weigering van toekenning van een pen-

sioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 23 april 1996 het beroep tegen het besluit van 5 december 1994 ongegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

Appellant vordert in hoger beroep vernietiging van deze uitspraak op de gronden aangevoerd bij beroepschrift van 13 mei 1996.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad 15 april 1998. Van partijen is daar alleen appellant verschenen, vertegenwoordigd door R. Kleuters, werkzaam bij de

Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

De door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit berust op de schending van het voorschrift van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In eerste aanleg heeft gedaagde, naar aanleiding van de overweging in het bestreden besluit dat hij desgevraagd geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een hoorzitting ten kantore van appellant, het navolgende aangevoerd:

"De Sociale Verzekeringsbank heeft tevens gesteld dat de heer A. geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een hoorzitting. Ondergetekende is de mening toegedaan dat van hem in alle redelijkheid niet verlangd kon worden in Nederland aanwezig te zijn op de hoorzitting, gezien de onmogelijkheid, vooral financieel bezien, waarin hij verkeert.

Tevens heeft de Verzekeringsbank verzuimd gebruik te maken van de diensten van de hier te lande gevestigde Nederlandse Ambassade. De Algemene wet bestuursrecht heeft nergens verplichtend voorgeschreven dat een hoorzitting in Nederland dient plaats te vinden, aldud kan van de verzekeringsbank wel verlangd worden, wilde zij zich niet schuldig maken aan schending van de algemeen geldende normen en beginselen van behoorlijk bestuur met name het beginsel van hoor en wederhoor. Dat de hoorzitting hier te lande en wel op de Nederlandse Ambassade gehouden kon worden".

Terzake heeft de rechtbank in haar uitspraak als volgt overwogen:

"Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de indiener van een bezwaarschrift door het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, alvorens op het bezwaarschrift wordt beslist. Van het bieden van de gelegenheid om gehoord te worden kan volgens artikel 7:3 Awb slechts worden afgezien in bepaalde, limitatief opgesomde gevallen. Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb gebiedt het bestuursorgaan om, als geen gelegenheid is geboden aan de indiener om zich te doen horen, in de motivering van de beslissing op bezwaar weer te geven op welke grond zulks achterwege is gelaten.

De rechtbank zal allereerst ingaan op eisers stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat verzuimd is gebruik te maken van de mogelijkheid de hoorzitting op de Nederlandse ambassade in

Paramaribo te houden. De rechtbank kan zich niet verenigen met deze stelling van eiser. Nu de wet geen andere eis stelt dan dat betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord en eiser voorts de mogelijkheid had om zich bij verhindering om welke reden dan ook, te laten vertegenwoordigen op een (eventuele) hoorzitting, op welke mogelijkheid verweerder hem heeft gewezen, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank door het stellen van de voorwaarde een (eventuele) hoorzitting te doen laten plaatsvinden op verweerders kantoor te Amsterdam, niet in strijd gekomen met de wet of met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit anderszins wel voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 9 augustus 1994 aan eiser bij brief van 1 september 1994 wel medegedeeld dat hij om een hoorzitting kom vragen, maar feitelijk niet aan eiser de gelegenheid geboden zich op een bepaalde tijd en plaats te doen horen. Blijkens de laatste zin van verweerders brief aan eiser van 1 september 1994 is de mogelijkheid voor eiser om zich te doen horen afhankelijk gemaakt van het vereiste dat hij binnen vier weken op genoemde brief zou reageren.

Volgens naar het oordeel van de rechtbank ook te dezen nog toepasselijke jurisprudentie (zie al ARRS 9 maart 1982, nr.3.3357, en ARRS 1 juni 1982,

nr A-2.2995; van dezelfde strekking recentelijk ook CRvB 20 oktober 1994, WUV 1994/10, JSV 1995,35) is het met (thans) artikel 7:2, eerste lid, en artikel 7:3 Awb weliswaar verenigbaar dat wordt geïnformeerd of de indiener van een bezwaarschrift daarover wenst te worden gehoord, maar mag dat er niet toe leiden dat het bieden van de gelegenheid zich te laten

horen afhankelijk wordt gemaakt van een niet in de wet voorziene formaliteit, zoals in casu het binnen een bepaalde termijn reageren op verzoeken van verweerder om contact op te nemen.".

De Raad kan zich met deze overwegingen verenigen.

Naar het oordeel van de Raad is in casu niet voldaan aan de voorwaarden waaronder van het horen kan worden afgezien, met name niet aan die van artikel 7:3, onder c, van de Awb.

Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat de rechtbank, door het beroep gegrond te verklaren wegens schending van artikel 7:2 van de Awb, buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is getreden. De Raad deelt die zienswijze niet. In eerste aanleg heeft gedaagde gesteld dat terzake van het horen in de bezwaarprocedure rechtsnormen zijn overtreden. Door te onderzoeken of bij het horen de toepasselijke voorschriften zijn nageleefd, heeft de rechtbank niet meer gedaan dan haar bij artikel 8:69, eerste en tweede lid, van de Awb is opgedragen.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel, zodat de

aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Van appellant dient ingevolge artikel 22, derde lid, van de Beroepswet een recht te worden geheven van

f 630,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van de Sociale Verzekeringsbank een recht wordt geheven van f 630,-.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en

mr H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr S. Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 1998.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) S. Breuls.

LK