Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-1997
Datum publicatie
02-04-2015
Zaaknummer
96/8016 ABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante stelt dat de dreigende huisuitzetting wegens huurschuld dient te worden aangemerkt als zeer dringende redenen. Gedaagde heeft aangevoerd dat bijstandsverlening bij een dreigende huisuitzetting slechts gerechtvaardigd is indien als gevolg van de huisuitzetting voor de betrokkene een levensbedreigende situatie ontstaat en dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake was. De Raad is met gedaagde van oordeel dat de dreiging van huisuitzetting in beginsel niet kan worden aangemerkt als zeer dringende redenen als bedoeld in genoemd wettelijk voorschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1998, 42
JABW 1997, 202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/8016 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Eindhoven, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr P.J.A. van de Laar, advocaat te

Eindhoven, op in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger

beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te

's-Hertogenbosch onder dagtekening 9 juli 1996 tussen partijen

gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 juni 1997 heeft gedaagde zich nogmaals tot de

Raad gewend.

Gedaagde heeft bij brief van 10 februari 1997 desgevraagd nog

enige stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 september 1997, waar

appellante -daartoe ambtshalve opgeroepen- in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr Van de Laar, voornoemd, en waar

gedaagde -eveneens door de Raad opgeroepen- is verschenen bij

gemachtigde J.J.M. Hendriksen, werkzaam bij de gemeente

Eindhoven.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet

(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de

Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking

getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt

beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende

bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante, geboren [in] 1936, heeft op 9 december 1994

een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de ABW ter

aflossing van een schuldenlast.

Namens gedaagde is die aanvraag bij besluit van 23 december

1994 afgewezen onder meer op grond van de overweging dat

appellante bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel

nadien, beschikte over de middelen om in de noodzakelijke

kosten van het bestaan te voorzien. Verder is overwogen dat er

geen sprake was van zeer dringende redenen om desondanks

bijstand te verlenen.

Beslissende op het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft

gedaagde bij het bestreden besluit van 7 maart 1995 de

bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak van 9 juli

1996 appellantes beroep tegen laatstgenoemd besluit ongegrond

verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de ABW wordt aan iedere

Nederlander, die hier te lande in zodanige omstandigheden

verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen

beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te

voorzien, bijstand verleend door burgemeester en wethouders.

Artikel 1b, eerste lid, van de ABW bepaalt voorts dat degene

die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing

van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de

schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de

middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te

voorzien, niet geacht wordt te verkeren in omstandigheden als

bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW.

Krachtens artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder b, van de

ABW verlenen burgemeester en wethouders -kort gezegd- in

afwijking van het eerste lid bijstand ter voorziening in de

bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan indien daartoe

zeer dringende redenen bestaan.

De Raad stelt vast dat appellante bij het ontstaan van de

schuldenlast een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling

werkloze werknemers ontving naar de voor haar geldende norm.

Verder stelt de Raad vast dat appellante nadien een uitkering

ingevolge de sociale verzekeringswetgeving alsmede een

pensioen ontving.

Appellante betwist dat zij daarmee een inkomen ontving dat

hoger was dan de voor haar geldende norm. Zij heeft daartoe

aangevoerd dat gedaagde bij de berekening van die norm ten

onrechte een woningdelersaftrek van f 187,32 heeft toegepast

wegens de, onbetwiste, medebewoning van haar 22-jarige zoon.

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde echter

terecht gevolg gegeven aan het bepaalde in artikel 10, derde

lid, aanhef en onder a van het Bijstandsbesluit landelijke

normering waarin imperatief is voorgeschreven dat in een geval

als het onderhavige een woningdelersaftrek moet worden

toegepast ter hoogte van genoemd bedrag. De pretense

omstandigheid dat appellantes zoon verslaafd is aan drugs en

dientengevolge geen dan wel onvoldoende inkomsten had, heeft

de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Uit het vorenstaande volgt dat appellante ten tijde als hier

van belang beschikte over voldoende middelen om in de

noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en dat het

bepaalde in het eerste lid van artikel 1b van de ABW aan

verlening van de gevraagde bijstand in de weg staat.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de omstreeks eind

december 1994 dreigende uithuiszetting wegens huurschuld dient

te worden aangemerkt als zeer dringende redenen als bedoeld in

artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder b, van de ABW zodat

bijstandsverlening in afwijking van het eerste lid

gerechtvaardigd was.

Gedaagde heeft met betrekking tot die stelling aangevoerd dat

bijstandsverlening bij een dreigende uithuiszetting slechts

gerechtvaardigd is indien als gevolg van de uithuiszetting

voor de betrokkene een levensbedreigende situatie ontstaat en

dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake was.

De Raad is met gedaagde van oordeel dat de dreiging van

uithuiszetting in beginsel niet kan worden aangemerkt als zeer

dringende redenen als bedoeld in genoemd wettelijk

voorschrift. Daarbij heeft de Raad laten wegen dat de ABW er

niet toe strekt de nadelige (financiƫle) gevolgen van het

bestaan van schulden weg te nemen. Aangezien de Raad in het

onderhavige geval niet is gebleken van feiten of

omstandigheden die gedaagde in afwijking van dat beginsel tot

bijstandsverlening zouden nopen, komt de Raad op grond van het

vorenstaande tot de conclusie dat het bestreden besluit in

stand moet worden gelaten.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet

bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr

J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in

tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken

in het openbaar op 21 oktober 1997