Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-1997
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
96/4713 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsing eigen bijdrage aan WVG, ondanks feit dat bestuursorgaan deze niet daadwerkelijk heeft gekort.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Wet voorzieningen gehandicapten 2
Wet voorzieningen gehandicapten 3
Wet voorzieningen gehandicapten 5
Wet voorzieningen gehandicapten 6
Wet voorzieningen gehandicapten 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1998/79 met annotatie van Red
AB 1999, 88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/4713 WVG

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de

gemeente Almere, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 28 maart 1995 is namens gedaagde aan appellante

mededeling gedaan van het besluit dat zij bij wijze van

vervoersvoorziening ingevolge de Wet voorzieningen

gehandicapten (WVG) in aanmerking komt voor een vergoeding van

f 800,-- terzake van de kosten van gebruik van de haar in

bruikleen verstrekte zogeheten Arola-buitenwagen.

Gedaagde heeft de bezwaren van appellant tegen dat

besluit bij het bestreden besluit van 20 maart 1995 ongegrond

verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van

14 april 1996 het tegen het bestreden besluit ingestelde

beroep ongegrond verklaard.

Van die uitspraak is mr. J.B. van der Pauw, werkzaam bij de

Stichting Eerstelijns Voorzieningen Almere namens appellante

op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden bij de

Raad in hoger beroep gekomen. Appellantes vordering strekt tot

vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden

besluit, waarbij is verzocht om toepassing te geven aan de

artikelen 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen,

ingediend en heeft een aantal hem door de Raad gestelde vragen

beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op

31 oktober 1997, waar namens appellante is verschenen haar

gemachtigde mr J.B. van der Pauw, voornoemd, terwijl gedaagde

zich heeft doen vertegenwoordigen door mr S.S. Ramsoekh en

mr W.W. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. MOTIVERING

Aan appellante is in het kader van de toepassing van artikel

57, tweede lid (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet

(AAW) door het bestuur van de toenmalige Bedrijfsvereniging

voor Detailhandel, Huisvrouwen en Ambachten (Detam) in

september 1993 een Arola buitenwagen in bruikleen verstrekt.

In verband met het inwerkingtreden van de WVG op 1 april 1994

heeft gedaagde appellante aanvankelijk per die datum in

aanmerking gebracht voor deelname aan het in de gemeente

Almere opgezette systeem van collectief vervoer. Nadat

appellante tegen het desbetreffende besluit bezwaar had

gemaakt is bij besluit van 10 mei 1994 alsnog in plaats van

deelname aan het collectief vervoer aan appellante een

vergoeding toegekend voor de kosten van gebruik van haar

bruikleen-Arola tot een bedrag van f 800,-- per jaar.

Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit

van 10 mei 1994 ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden

besluit een tegemoetkoming van f 800,-- voor de duur van een

jaar toegekend, waarop een bedrag voor eigen rekening van

f 186,-- in mindering is gebracht. Voorts is aan appellante

meegedeeld dat, nu er feitelijk al f 800,-- aan haar is

uitbetaald, het teveel betaalde bedrag van f 186,-- niet van

haar wordt teruggevorderd.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde

beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe met

name overwogen dat een tegemoetkoming van

f 800,--, gelet op de kosten ten aanzien van de Arola welke

voor rekening van de Detam blijven en in vergelijking met de

vervoerskosten die appellante zou moeten maken indien zij niet

gehandicapt zou zijn, niet onredelijk is te noemen. De

rechtbank heeft in het midden gelaten of gedaagde voor

appellante een eigen bijdrage mocht vaststellen, aangezien het

over de in geding zijnde periode teveel betaalde bedrag niet

is teruggevorderd.

In hoger beroep is namens appellante, uitvoerig

beargumenteerd, in hoofdzaak betoogd dat de rechtbank bij haar

toetsing ten onrechte rekening gehouden heeft met de

meerkosten van gebruik van de bruikleen-Arola ten opzichte van

niet-gehandicapten in plaats van de volledige voor appellantes

rekening komende kosten centraal te stellen en voorts dat

gedaagde er ten onrechte vanuit gegaan is dat de

draagkrachtnormen van de Regeling inzake

financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG niet in

acht genomen behoefden te worden.

De Raad overweegt als volgt.

Voorop gesteld moet worden dat een vergoeding voor het gebruik

van een bruikleen-Arola niet uitdrukkelijk is geregeld in de,

ter uitvoering van de artikelen 2 en 5 van de WVG

vastgestelde, Verordening voorzieningen gehandicapten Almere

(nader te noemen de Verordening). Toekenning van de

onderhavige tegemoetkoming berust, naar van gedaagdes kant is

gesteld, op artikel 8.2 van de Verordening (de restclausule).

Het voorgaande betekent weliswaar dat de toegekende

voorziening niet rechtstreeks aan de bepalingen van de

Verordening betreffende vervoersvoorzieningen getoetst kan

worden, maar neemt niet weg dat deze in ieder geval wel dient

te voldoen aan de in artikel 3 van de WVG globaal aangegeven

ondergrens, inhoudende dat door het gemeentebestuur

verantwoorde voorzieningen worden aangeboden, wat betekent dat

deze doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht moeten worden verleend.

Reeds diverse malen heeft de Raad de zojuist aangeduide

ondergrens wat vervoersvoorzieningen betreft aldus nader

omschreven dat deze vereist dat de ter plaatse wonende

gehandicapten ten minste in staat gesteld moeten worden om in

hun directe woonomgeving in aanvaardbare mate sociale

contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van

alledag. De Raad heeft daarbij ook vaker aangegeven dat niet

met alle bij een betrokkene ten aanzien van vervoer levende

wensen rekening dient te worden gehouden en dat van hem of

haar in redelijkheid kan worden gevergd zich op dat punt

beperkingen te getroosten.

Gelet op het feit dat uit de voorhanden gegevens blijkt dat de

kosten van grote reparaties, banden, herstel van schade

(groter dan f 15,--) en verzekering voor rekening van

(destijds) de Detam kwamen en in aanmerking genomen dat van

gedaagdes zijde is berekend dat een bedrag van

f 800,-- toereikend is voor de kosten van een hoeveelheid

benzine waarmee in een Arola ongeveer 2500 kilometer gereden

kan worden, is de Raad van oordeel dat een tegemoetkoming van

f 800,-- niet in strijd komt met voormelde ondergrens als

bedoeld in artikel 3 van de WVG. De Raad voegt daaraan toe dat

de hoogte van de onderwerpelijke tegemoetkoming spoort met

andere, wel in het kader van de Verordening gehanteerde

bedragen, zoals de vergoeding voor gebruik van een

bruikleenauto, welke in 1995

f 900,-- en in 1996 f 750,-- bedroeg.

De Raad kan voorts het zijdens appellante gehouden betoog, dat

bij de toetsing van de hoogte van de tegemoetkoming er niet

van uitgegaan had mogen worden dat voor de berekening van de

tegemoetkoming slechts rekening gehouden behoeft te worden met

de meerkosten, welke een gehandicapte heeft in vergelijking

met degene die gebruik kan maken van het reguliere openbaar

vervoer, niet onderschrijven. Deze benadering past namelijk

niet alleen bij het in de Verordening verankerde uitgangspunt

dat een vervoersvoorziening pas wordt verleend als het

gebruikmaken of bereiken van het openbaar vervoer om medische

redenen onevenredig moeilijk is, maar is ook in

overeenstemming met het al herhaaldelijk door de Raad

uitgesproken oordeel dat degene die in staat is gebruik te

maken van het openbaar vervoer geacht moet worden niet op een

vervoersvoorziening te zijn aangewezen.

Betreffende hetgeen vanwege appellante is geponeerd over de

toepasselijkheid van de Regeling inzake financiële

tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG verwijst de Raad

allereerst naar zijn uitspraak van 1 juli 1997 (RSV 1997/249),

waarin hij als zijn oordeel heeft gegeven dat die Regeling

geen betrekking heeft op forfaitaire financiële

tegemoetkomingen. Nu het bedrag van f 800,-- niet is gebaseerd

op de omvang van de specifieke vervoersbehoefte van appellante

doch berust op een objectieve schatting van de (meer)kosten

van gebruik van een Arola, moet ook deze vergoeding als een

forfaitaire financiële tegemoetkoming in bovenbedoelde zin

worden beschouwd, zodat gedaagde niet gehouden was deze te

toetsen aan de draagkrachtnormen van de zojuist genoemde

Regeling.

Wel is de Raad van oordeel dat gedaagde ten onrechte een

bedrag van f 186,-- als "bedrag voor eigen rekening" op de

appellante toekomende tegemoetkoming van f 800,-- in mindering

heeft gebracht. Deze korting kan de Raad namelijk niet anders

zien dan als een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6,

eerste lid van de WVG. Zodanige eigen bijdrage mag echter

blijkens juistgenoemde bepaling niet worden opgelegd indien de

voorziening, zoals in casu het geval is, bestaat uit een

financiële tegemoetkoming. Het feit dat gedaagde het op de

tegemoetkoming van f 800,-- gekorte bedrag, na dit

abusievelijk te hebben betaald, niet heeft teruggevorderd,

doet er niet aan af dat bij het bestreden besluit ten onrechte

een eigen bijdrage aan appellante is opgelegd.

Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen dan

ook, voor zover deze betrekking hebben op het door gedaagde

als bedrag voor eigen rekening in mindering gebrachte bedrag,

voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet in de

omstandigheid dat gedaagde het bewuste bedrag niet heeft

teruggevorderd wel aanleiding om met toepassing van artikel

8:72, derde lid van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen

van het vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in

stand blijven.

De Raad gaat, ondanks de gedeeltelijke vernietiging van de

aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, niet over tot

toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Uit de voorhanden

gegevens blijkt namelijk dat appellante voor de

dienstverlening door haar gemachtigde, buiten de afspraak om

het bedrag van een eventuele proceskostenveroordeling aan hem

af te staan, geen kosten verschuldigd is, zodat er geen sprake

is van op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in

aanmerking komende kosten in verband met het beroep en hoger

beroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op de artikelen

24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten

slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als

in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te

worden vergoed.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit,

voor zover deze betrekking hebben op de oplegging van een

eigen bijdrage van f 186,--;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van

het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar gestorte

recht van in totaal f 200,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en

mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in

tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als

griffier en uitgesproken in het openbaar op

12 december 1997.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

RH

2411