Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-1997
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
96/6900 AW, 96/6919 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reorganisatieontslag. Herplaatsing niet mogelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 1997-11-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1998/24

Uitspraak

96/6900 AW en 96/6916 AW O

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[A. te B.], appellant,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de op 20

juni 1996 onder de nrs. 93/404-G6 en 95/487-G6 door de

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam gegeven uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Voorts zijn

van de kant van gedaagde desgevraagd nog enkele stukken

ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op

23 oktober 1997. Aldaar is appellant, daartoe ambtshalve

opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr L.J.G.

Voorn, advocaat te Amsterdam, als zijn raadsman. Gedaagde

heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, doen

vertegenwoordigen bij gemachtigde mr J.W.M. Velthuizen,

werkzaam bij de Stafafdeling Juridische Zaken van de gemeente

Rotterdam.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet

1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet

gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het

procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een

hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover

de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet

worden toegepast. De in het kader van evengenoemde

wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen

overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in

te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn

bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen

tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het

recht van toepassing blijft zoals het gold vóór dat tijdstip

van toepassing blijft.

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer

uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten

volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende.

Appellant was laatstelijk werkzaam in de functie van eerste

medewerker Financiële en Administratieve Zaken bij het

Gemeentelijk Woningbedrijf Rotterdam (GWR). Bij een in 1990 in

gang gezette reorganisatie van het GWR is appellants functie

opgeheven en is aan appellant de zogenoemde C-status

toegekend, hetgeen inhield dat hij met voorrang kon

solliciteren naar vacatures binnen het bedrijf. Na een niet

geslaagde sollicitatie naar de functie van senior medewerker

administratie heeft appellant bij schrijven van 25 juli 1990

te kennen gegeven voor een plaatsing buiten het GWR of buiten

de gemeente Rotterdam in aanmerking te willen komen en met het

oog op deze herplaatsing is appellant aangemeld bij het

projectbureau Herplaatsing. Appellant heeft zich op 7 december

1990 ziek gemeld en is op 28 juni 1993 weer arbeidsgeschikt

geacht. Na zijn periode van arbeidsongeschiktheid is appellant

voor de tweede keer bij het bureau Herplaatsing gemeld.

Bij op bezwaar genomen besluit van 5 augustus 1993 van

gedaagde is de bezoldiging van appellant ingaande 1 juli 1992

verminderd tot tachtig procent en bij besluit van 23 december

1994 heeft gedaagde onder ongegrondverklaring van door

appellant ingebrachte bezwaren tegen een door de directeur van

het GWR op 18 februari 1994 genomen besluit, appellant op

grond van het bepaalde in artikel 89 van het

Ambtenarenreglement der Gemeente Rotterdam (hierna: het

Ambtenarenreglement) ontslag uit gemeentedienst verleend.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de namens

appellant tegen beide besluiten ingestelde beroepen ongegrond

verklaard.

De Raad staat nu voor beantwoording van de vraag of de

bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

Hij overweegt met betrekking tot het besluit tot vermindering

van appellants bezoldiging tot tachtig procent, het volgende.

Artikel 55 van het Ambtenarenreglement bepaalt dat een

ambtenaar die wegens ziekte is verhinderd zijn betrekking te

vervullen over de kalendermaand waarin de verhindering is

ontstaan en over de daarop volgende achttien kalendermaanden

de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging geniet en daarna

tachtig procent van die bezoldiging.

De Raad stelt vast dat ingaande 1 juli 1992 genoemde periode

van 18 maanden ten aanzien van appellant was verstreken, zodat

zijn recht op bezoldiging ingevolge het bepaalde in genoemd

artikel met ingang van die datum tot tachtig procent is

beperkt, tenzij zich de in artikel 56, aanhef en onder b, van

het Ambtenarenreglement genoemde omstandigheid voordoet dat de

oorzaak van de ziekte in overwegende mate is gelegen in de

aard van de werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden

waaronder deze moesten worden verricht. Evenals de rechtbank

en onder verwijzing naar hetgeen terzake in de aangevallen

uitspraak is overwogen, is de Raad van oordeel dat onvoldoende

is gebleken dat de in artikel 56, aanhef en onder b, van het

Ambtenarenreglement bedoelde omstandigheid zich ten aanzien

van appellant heeft voorgedaan. De van de zijde van appellant

in dit verband aangevoerde omstandigheid dat in het geval van

appellant sprake was van situationele arbeidsongeschiktheid,

die door toedoen van de werkgever was gecreëerd, laat in de

gegeven situatie toepassing van hetgeen is bepaald in artikel

55 van het Ambtenarenreglement onverlet. De aangevallen

uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit van

gedaagde van 5 augustus 1993 komt gezien het vorenstaande voor

bevestiging in aanmerking.

De Raad overweegt met betrekking tot het besluit van gedaagde

aan appellant ontslag te verlenen wegens opheffing van zijn

betrekking als bedoeld in artikel 89 van het

Ambtenarenreglement het volgende.

Op grond van de gedingstukken en het behandelde ter zitting is

voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de functie van

eerste medewerker Financiële en Administratieve Zaken van het

GWR in het kader van de aldaar plaats gehad hebbende

reorganisatie is komen te vervallen; zulks wordt van de zijde

van appellant ook niet betwist.

Mitsdien komt aan gedaagde op grond van het bepaalde in

artikel 89, eerste lid, van het Ambtenarenreglement de

bevoegdheid toe aan appellant ontslag te verlenen, welke

bevoegdheid gedaagde aan de directeur GWR heeft gemandateerd.

In de omstandigheid dat deze directeur in het besluit van 18

februari 1994 niet tot uitdrukking heeft gebracht dat genoemd

besluit door hem in mandaat is genomen ziet de Raad geen grond

tot vernietiging van het thans in geding zijnde besluit van

gedaagde te besluiten, teminder nu de beslissing op het namens

appellant tegen genoemd besluit ingediende bezwaar is genomen

door gedaagde als mandaatgever en aldus het vorengenoemde

gebrek afdoende is gecorrigeerd.

Ingevolge het vierde lid van artikel 89 van het

Ambtenarenreglement wordt een ontslag als in het eerste lid

van genoemd artikel bedoeld in de regel eerst verleend indien

het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om

de betrokken ambtenaar een andere voor hem passende betrekking

op te dragen. Naar het oordeel van de Raad rust op grond van

genoemd artikellid op gedaagde de verplichting om zich in te

spannen voor herplaatsing van een in het kader van een

reorganisatie met ontslag bedreigde ambtenaar.

De toetsing van het thans voorliggende ontslagbesluit spitst

zich dientengevolge toe op de vraag of de inspanningen welke

gedaagde zich heeft getroost om betrokkene te herplaatsen,

voldoen aan de daaraan ingevolge artikel 89, vierde lid, van

het Ambtenarenreglement te stellen eisen. De Raad beantwoordt

deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat hoewel gedaagde

in het algemeen een grote eigen verantwoordelijkheid bij het

vinden van een passende betrekking legt bij de

herplaatsingskandidaten zelf en appellant onmiskenbaar van een

weinig aktieve en coöperatieve houding heeft blijk gegeven,

gedaagde hiermee niet van de op hem ingevolge artikel 89,

vierde lid, van het Ambtenarenreglement rustende verplichting

is ontheven.

Het is de Raad gebleken dat gedaagde appellant op de hoogte

heeft gesteld van vacatures, waarvoor hij met voorrang in

aanmerking zou kunnen komen en dat appellant van de zijde van

gedaagde weliswaar tot tweemaal toe, te weten vóór en na zijn

periode van arbeidsongeschiktheid, is aangemeld bij het bureau

Herplaatsing van de gemeente, maar dat van een daadwerkelijk

aanbod van een passende betrekking door gedaagde in het geheel

geen sprake is geweest terwijl evenmin is gebleken dat

gedaagde - met name na 28 juni 1993 - nog heeft gezocht naar

mogelijke passende functies voor appellant. De Raad kan de

door gedaagde ten behoeve van appellant verrichte

herplaatsingsactiviteiten dan ook niet als voldoende

kwalificeren.

Gezien het vorenstaande kan het ontslag, zoals vervat in het

besluit van 23 december 1994 niet in stand blijven. In de

gegeven omstandigheden ziet de Raad voorts aanleiding om met

toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ook het

daaraan ten grondslag liggende primaire besluit te

vernietigen.

Van de zijde van appellant is het verzoek gedaan de gemeente

Rotterdam met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te

veroordelen tot vergoeding van immateriële schade die door

appellant is geleden.

Het verzoek betreffende immateriële schade is gebaseerd op

door appellant ten gevolge van de onderhavige ontslagprocedure

doorgemaakte spanningen en slapeloze nachten. De Raad

overweegt hieromtrent dat hij, volgens vaste jurisprudentie

bij een verzoek om schadevergoeding als het onderhavige

aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke

schadevergoedingsrecht, in dit verband met name bij het

bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van

het Burgerlijk Wetboek. De Raad overweegt dat hem niet is

gebleken van als aantasting van appellants persoon aan te

merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding

van immateriële schade kan ontlenen. De Raad verwijst hierbij

naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995,

gepubliceerd in RvdW 1995, 29c.

De Raad ziet wel aanleiding gedaagde met toepassing van

artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van

appellant, welke zijn begroot op f 1.420,- als kosten van

verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1.420,- als

kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Van

andere op grond van evengenoemd artikel voor vergoeding in

aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden

beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking

hebbend op het beroep van appellant gericht tegen het besluit

van 23 december 1994;

Verklaart het inleidende beroep gericht tegen het besluit van

23 december 1994 alsnog gegrond en vernietigt gedaagdes

besluit van 23 december 1994 alsmede het daaraan ten grondslag

liggende primaire besluit van 18 februari 1994;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb

af;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een

bedrag groot f 2.840,- te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant de door hem

betaalde griffierechten van f 350,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr

W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden,

in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 27 november 1997.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD

10.11