Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-1997
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
96/9243 ABW, 96/9287 ABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 1997, 189
JB 1997/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/9243 ABW

96/9287 ABW

E N K E L V O U D I G E K A M E R

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante tevens gedaagde (hierna: A.),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Groningen, gedaagde tevens appellant (hierna: het College).

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens A. is mr R. van Asperen, advocaat te Groningen, op

bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen

van een door de Arrondissementsrechtbank te Groningen onder

dagtekening 3 september 1996 tussen partijen gewezen

uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het College heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven

gronden eveneens tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting

van de Raad op 1 september 1997, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Uit de gedingstukken blijkt, voor zover hier van belang, het volgende.

Het College heeft vanaf 1 april 1994 de aan A. toegekende

uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers

niet meer uitbetaald en die uitkering vervolgens bij besluit

van 9 mei 1994 met ingang van 1 april 1994 beëindigd op de

grond dat A. duurzaam een gezamenlijke huishouding voert

met haar ex-echtgenoot en hun gezamenlijke inkomsten en/of

vermogen voldoende zijn om in de kosten van het bestaan te voorzien.

Namens A. zijn zowel tegen het feitelijk beëindigen van

haar uitkering als tegen het beëindigingsbesluit

bezwaarschriften ingediend bij het College.

Bij primair besluit van 26 augustus 1994 heeft het College het

besluit van 9 mei 1994 als vervallen aangemerkt en aan A.

meegedeeld dat haar ingaande 1 april 1994 een bijstandsuitkering

naar de norm voor een alleenstaande is toegekend.

Bij brief van 20 september 1994 heeft de gemachtigde van

A. het College erop gewezen dat het besluit van 26 augustus 1994

niet als een beslissing op bezwaar is aan te merken met het verzoek

haar alsnog een beslissing op bezwaar te doen toekomen, waarbij

tevens wordt ingegaan op de vraag of het College bereid is alle kosten

van rechtsbijstand voor zijn rekening te nemen.

Vervolgens heeft gedaagde

a) bij besluit van 18 oktober 1994 (hierna: besluit 1) met

gegrondverklaring van de bezwaarschriften het besluit van 9

mei 1994 herroepen en bepaald dat met ingang van 1 april 1994

de bijstandsverlening aan A. wordt voortgezet naar de norm

voor een alleenstaande;

b) bij brief van 8 december 1994 de rechtbank de stukken doen

toekomen en tevens in kennis gesteld van de volgende (hierna

besluit 2 te noemen) afwijzende beslissing:

"De kosten van rechtsbijstand, die zijn gemaakt

tijdens de bezwaarschriftenprocedure, dienen in

beginsel voor rekening van belanghebbende te

blijven. De aard van de bezwaarschriftenprocedure

(bestuurlijke heroverweging) brengt dit met zich

mee. In het onderhavige geval achten wij geen

redenen aanwezig om van dit beginsel af te wijken.".

A. heeft tegen besluit 1 beroep doen instellen, voor zover

in dat besluit geen standpunt is ingenomen met betrekking tot

de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de kosten van

rechtsbijstand in de bezwaarfase en de rechtbank verzocht te

bepalen dat deze kosten volledig door de gemeente dienen te

worden vergoed.

De rechtbank heeft besluit 2 aan de gemachtigde van A.

doen toekomen met het verzoek om daarop te reageren. De

gemachtigde van A. heeft aan dit verzoek voldaan en

bezwaren tegen laatstgenoemd besluit kenbaar gemaakt bij brief

van 15 december 1994.

Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1

gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voorzover daarbij

geen besluit is genomen met betrekking tot het verzoek van

A. haar de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase te

vergoeden en, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van

de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de gemeente Groningen

veroordeeld tot het betalen van de eigen bijdrage van

f 110,-- ter zake van de door de Raad voor Rechtsbijstand te

Leeuwarden aan A. afgegeven toevoeging van rechtsbijstand

voor de bezwaarschriftenprocedures. Verder heeft de rechtbank

bepaald dat de gemeente Groningen het griffierecht en de

proceskosten in verband met de behandeling van het beroep bij

de rechtbank aan A. dient te vergoeden.

Het hoger beroep van A. is beperkt tot de hoogte van het

bedrag dat de rechtbank heeft vastgesteld als vergoeding voor

de proceskosten in de bezwaarschriftenprocedures. A. vordert

vergoeding van de volledige kosten van rechtsbijstand op notabasis.

Het hoger beroep van het College is gericht tegen het oordeel

van de rechtbank dat het College verplicht was om bij besluit

1 tevens te beslissen over het verzoek om vergoeding van de

kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.

Daartoe is in het aanvullend beroepschrift onder meer het

volgende naar voren gebracht:

"Wat betreft het in de bezwaarfase gedane verzoek om

schadevergoeding was er echter nog helemaal geen

besluit dat kon worden heroverwogen. Wij zijn dan

ook van mening dat het verzoek om schadevergoeding

moet worden opgevat als een aanvraag waarop eerst

een primair besluit dient te worden genomen. Daarna

kan de betrokkene hierover een bezwaarschrift indienen.

Het meteen meenemen van een verzoek om schadevergoeding

in de bezwaarschriftenprocedure, hetgeen de bestuursrechter

op pragmatische gronden voorstaat, is in strijd met het systeem

van de Awb dat er van uitgaat dat na een primair besluit altijd

eerst de bezwaarschriftprocedure moet worden doorlopen, alvorens

een beroep op de rechtbank mogelijk is (art. 7:1 Awb).

Wij hebben deze redenering (op het verzoek tot

schadevergoeding in de bezwaarfase dient eerst een,

van het besluit op het bezwaarschrift losstaand,

primair besluit te worden genomen) kort geleden

reeds aan uw Raad voorgelegd. In de uitspraak d.d.

28 mei 1996 (reg.nr. 95/6061 ABW), waarvan wij

volledigheidshalve een kopje bijvoegen, redeneert uw

Raad als volgt:

"Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Awb wordt

onder het maken van bezwaar verstaan het gebruik

maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift

bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit

te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb

dient een heroverweging van het bestreden besluit

plaats te vinden indien het bezwaar ontvankelijk is.

In casu gaat het om de namens appellant gevraagde

voorziening tegen het besluit van gedaagde van

25 mei 1994, dat strekte tot beëindiging van de aan

appellant toegekende ABW-uitkering. De gevraagde

voorziening heeft geleid tot herroeping van dat

besluit door gedaagde.

Naar het oordeel van de Raad behoefde gedaagde,

gelet op het vorenstaande, in het kader van de

onderhavige bezwaarschriftprocedure niet tevens te

beslissen over het verzoek om vergoeding van de

kosten van rechtsbijstand in die procedure. Op dat

laatste verzoek is afwijzend beslist bij besluit van

6 december 1994. Gedaagde heeft na bezwaar dit

besluit gehandhaafd bij besluit van 11 april 1996.".

Wij hebben de hierboven geciteerde uitspraak van uw

Raad reeds aangehaald in ons verweerschrift bij de

Rechtbank, doch zij overwegen dienaangaande dat uw

uitspraak ziet op een andere situatie. "Het betrof

in dit geval een vreemdeling als bedoeld in artikel

84, vierde lid, ABW, zodat op grond van artikel 84, vijfde lid,

ABW geen bezwaarfase behoefde te worden doorlopen.

Naar ons oordeel is uit de bewoordingen van uw

uitspraak echter duidelijk af te leiden dit hier in

het algemeen wordt gesteld dat een bestuursorgaan in

een bezwaarschriftprocedure niet tevens hoeft te

beslissen over het verzoek om vergoeding van

rechtsbijstand in die procedure.".

Voorts kan ook het College zich niet verenigen met de wijze

waarop de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien.

De Raad onderschrijft het betoog dat het College, gegeven het

voorwerp van bezwaar, niet verplicht was om in besluit 1

tevens te beslissen over het verzoek om vergoeding van de

kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.

Dat betekent allereerst dat het tegen besluit 1 ingediende

beroepschrift, waarin wordt gesteld dat het College daartoe

wel verplicht was, ongegrond had moeten worden verklaard. De

aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

Het houdt voorts in dat, voor zover in hoger beroep namens

A. om een hogere dan de door de rechtbank toegekende

vergoeding is verzocht, dat hoger beroep niet-ontvankelijk

moet worden verklaard.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het College besluit 2 had

behoren bekend te maken op de in artikel 3:41 van de Awb

voorgeschreven wijze, met vermelding van de mogelijkheid van

bezwaar, en dat, gezien het bij brief van 15 december 1994

kenbaar gemaakte bezwaar, niet aan de verplichting tot het

volgen van de bezwaarschriftprocedure met betrekking tot

besluit 2 voorbij kon worden gegaan. De rechtbank had, nu

blijkens de inhoud van gedaagdes brief van 8 december 1994 een

afzonderlijk primair besluit was genomen, toepassing moeten

geven aan artikel 6:15 van de Awb.

De Raad zal daarom de aan de rechtbank gerichte brief van 15

december 1994 op de voet van artikel 6:15 van de Awb alsnog

doorzenden aan het College teneinde als bezwaarschrift te

worden behandeld.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te

geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond;

Bepaalt dat de brief van 15 december 1994 wordt doorgezonden

aan het College teneinde door het College als bezwaarschrift

tegen het besluit van 8 december 1994 te worden behandeld;

Verklaart het namens A. ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid

van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het

openbaar op 7 oktober 1997.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I. de Hartog.

EB/AS

1310