Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-1997
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
95/8665 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijnstelling nieuw besluit. Schorsende werking hoger beroep. Wijziging jurisprudentie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Beroepswet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1997, 445 met annotatie van H.E. Bröring
RSV 1998, 21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/8665 WW

U I T S P R A A K

O.

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv)

in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het

onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt

onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Onder dagtekening 11 mei 1993 heeft appellant aan gedaagde

kennis gegeven van zijn beslissing om aan gedaagde met ingang

van 16 september 1992 geen uitkering ingevolge de

Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen, omdat gedaagde

niet als werknemer in de zin van die wet beschouwd kan worden.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak

van 27 oktober 1995, beslissende op het namens gedaagde tegen

die beslissing ingestelde beroep, dat beroep gegrond

verklaard, die beslissing vernietigd, en bepaald dat appellant

binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw

besluit diende te nemen met inachtneming van het in die

uitspraak gestelde.

Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep

gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d. 14 maart 1996

zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.

Het geding is - gevoegd met het geding, bij de Raad bekend

onder nummer 96/3355 WW - behandeld ter zitting van de Raad,

gehouden op 6 februari 1997, waar voor appellant is verschenen

mr P.J. van Ogtrop, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Namens

gedaagde is verschenen mr R. van Rees, advocaat te Gouda.

Aangezien naar het oordeel van de Raad het onderzoek niet

volledig is geweest, is het onderzoek heropend.

Nadien heeft de Raad, met toestemming van partijen, onder

toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de

Beroepswet, bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. MOTIVERING

Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de

opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na verzending

van de uitspraak een nieuw besluit te nemen inzake de rechten

van gedaagde op een WW-uitkering.

Daartoe heeft appellant in het aanvullend beroepschrift onder

meer het volgende aangevoerd:

"In het onderhavige geval betrof het geschilpunt de

vraag of eiser verzekerd was voor de WW.

Ondergetekende kan zich er mee verenigen dat de

rechtbank zich op het standpunt stelt dat

ondergetekende binnen zes weken met betrekking tot

dit punt een nieuw besluit dient te nemen.

Echter uit de uitspraak van de rechtbank volgt

tevens dat ondergetekende binnen de genoemde termijn

van zes weken een beslissing dient te nemen met

betrekking tot het recht op WW-uitkering en de omvang hiervan.

Naar het oordeel van ondergetekende miskent de

rechtbank hiermee dat voor een dergelijk besluit het

bepaalde in het Besluit beslistermijnen sociale

verzekeringswetten in acht moet worden genomen. Meer

specifiek toegespitst op de WW kan worden

vastgesteld dat voor primaire beslissingen op grond

van de WW - inclusief de beslissing inzake de

verzekeringsplicht voor de WW zoals in casu aan de

orde is een beslistermijn van 13 weken geldt

(artikel 9, leden 1 en 2, Besluit beslistermijnen

sociale verzekeringswetten). Op grond van artikel

129 WW geldt voor het nemen van een beslissing op

bezwaar eveneens een termijn van 13 weken.".

Verder heeft appellant in het aanvullend beroepschrift gewezen

op het gestelde in de memorie van toelichting bij artikel 8:72

van de Awb, PG Awb II, p.471.

De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven.

De leden een en twee van artikel 9 van het Besluit van

28 december 1993, Stb. 779 (hierna: Besluit beslistermijnen

sociale verzekeringswetten) hebben betrekking op primaire

beschikkingen op aanvraag. Daarvan is in casu geen sprake. Ook

overigens valt niet in te zien waarom voor het uitvoeren van

de uitspraak van de rechtbank niet een snellere interne

procedure zou kunnen worden gevolgd dan de standaardprocedure.

In de memorie van toelichting wordt juist de noodzaak van

"bijzondere voortvarendheid" benadrukt (PG Awb II, p.471).

In artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb is aan de rechtbank

een zelfstandige bevoegdheid verleend om het bestuursorgaan

een termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit.

De door appellant aangehaalde passage uit de memorie van

toelichting bij de Awb kan niet tot een ander oordeel leiden,

nu die passage primair betrekking heeft op het vierde lid van

artikel 8:72 van de Awb, en daarin ook overigens geen absolute

koppeling aan het Besluit beslistermijnen sociale

verzekeringswetten voorgestaan wordt.

Indien de rechtbank bij het toepassen van artikel 8:72, vijfde

lid, van de Awb geen termijn zou kunnen stellen die korter is

dan de "normale" beslistermijn, zou deze bevoegdheid

grotendeels van haar betekenis worden ontdaan.

De Raad kan de wijze waarop de rechtbank in casu van haar

bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, niet onjuist achten.

De Raad overweegt voorts - in navolging van zijn eerdere

uitspraken 96/526 AAW, gepubliceerd in JB 1997/50, en 95/1248

AAW, gepubliceerd in RSV 1997/90, dat op grond van artikel 19

van de Beroepswet de werking van een uitspraak als de

onderhavige wordt opgeschort totdat de termijn voor het

instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger

beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.

Uit deze bepaling vloeit voort dat de opschortende werking

zich ook uitstrekt tot de termijn die in het dictum van de

aangevallen uitspraak op grond van artikel 8:72, vijfde lid,

van de Awb is gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.

Eventuele complicaties met betrekking tot de werking van de

uitspraak van de rechtbank gedurende de termijn voor het

instellen van hoger beroep dienen op het niveau van de

rechtbank te worden opgelost.

De Raad is echter thans, anders dan in zijn twee hiervoor

genoemde uitspraken, van oordeel dat appellant wel

ontvankelijk is in zijn hoger beroep, aangezien er voor

appellant geen andere weg open stond dan het instellen van

hoger beroep om het dictum van de aangevallen uitspraak te

bestrijden. Dat het door appellant beoogde resultaat, gelet op

artikel 19 van de Beroepswet, reeds bereikt wordt door het

instellen van het hoger beroep, doet hier niet aan af.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel

8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde

in hoger beroep, begroot op f 710,-- voor de kosten van rechtsbijstand.

Mede gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet dient

als volgt te worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger

beroep tot een bedrag groot f 710,-- te betalen door appellants bedrijfsvereniging;

Bepaalt dat van appellants bedrijfsvereniging een recht van f 630,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en

mr L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 4 september 1997.

(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.

(get.) L.H. Vogt.

EB/HL

0809