Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-1997
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
96/7389 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1997, 416 met annotatie van F.J.L. Pennings
RSV 1998, 24
JB 1997/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/7389 AOW O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B. (TA) (Italiƫ), appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.

I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij beroepschrift van 27 juli 1996 aangevoerde

gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 10 mei

1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij schrijven van 29 september 1996 heeft appellant de gronden

van zijn beroep aangevuld.

Bij schrijven van 3 oktober 1996 heeft appellant gereageerd op het hem zijdens de Raad toegezonden proces-verbaal van de

zitting bij de rechtbank.

Bij schrijven van 10 oktober 1996 is namens gedaagde van verweer gediend.

Bij schrijven van 23 oktober 1996 heeft appellant gereageerd

op dit verweerschrift.

Bij schrijven van 12 februari 1997 heeft appellant zijn schrijven van 23 oktober 1996 opnieuw aan de Raad toegezonden.

Bij schrijven van 7 juli 1997 heeft appellant de gronden van

zijn beroep nader aangevuld en enkele nadere stukken aan de

Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 augustus

1997. Appellant is daar - zoals aangekondigd - niet

verschenen, terwijl gedaagde zich heeft laten

vertegenwoordigen door mr B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam

bij gedaagde.

II.MOTIVERING

De Raad gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de

volgende feiten en omstandigheden.

Bij schrijven van 30 mei 1994 heeft appellant beroep ingesteld

bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam tegen de door hem

gestelde weigering van gedaagde om hem rente te betalen over

bepaalde, namens appellant aan gedaagde betaalde, geldbedragen

die gedaagde volgens appellant ten onrechte onder zijn beheer

heeft genomen en gehouden. In dit schrijven heeft appellant

tevens aangegeven gedaagde ten minste verplicht te achten tot

het afgeven van een voor beroep vatbare beslissing.

Bij schrijven van 27 juli 1994 heeft deze rechtbank dit

beroepschrift aan gedaagde gezonden met het verzoek de

behandeling ervan als bezwaarschrift over te nemen.

Bij schrijven van 19 augustus 1994 heeft gedaagde appellant

niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een voor

beroep/bezwaar vatbare beslissing, aangezien de beslissing van

gedaagde om aan appellant geen rentevergoeding toe te kennen,

geen publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel

1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inhoudt.

In de motivering wordt voorts gesteld dat niet de

administratieve rechter doch de civiele rechter bevoegd is om

over die beslissing te oordelen. Verder wordt medegedeeld dat

appellant tegen deze beslissing schriftelijk bezwaar kan maken

bij gedaagde.

Bij schrijven van 29 augustus 1994 heeft appellant een

bezwaarschrift ingediend bij gedaagde.

Bij het bestreden besluit van 13 september 1994 heeft gedaagde

de door appellant ingediende bezwaren ongegrond verklaard

aangezien de beslissing om appellant geen rentevergoeding te

verlenen, geen publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin

van artikel 1:3 van de Awb inhoudt, en ter zake dan ook de

burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen.

Bij schrijven van 10 oktober 1994 heeft appellant tegen dit

besluit beroep bij de rechtbank ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit

van 13 september 1994 vernietigd en - na een beoordeling ten

gronde - bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde

besluit in stand blijven.

Ter beantwoording staat allereerst de vraag of de rechtbank

terecht heeft aangenomen dat gedaagde appellant in zijn bij

schrijven van 29 augustus 1994 gemaakte bezwaar tegen de

beslissing van 19 augustus 1994 had dienen te ontvangen.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ter zake als

volgt overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en

gedaagde als verweerder:

"Eiser heeft aan zijn verzoek om schadevergoeding ten

grondslag gelegd het verwijt dat verweerder ten

onrechte onder zijn beheer heeft genomen en gehouden

een bedrag van f 41.742,-- van 28 juli 1991 tot de

restitutie van f 7.565,-- in december 1991, en een

bedrag van f 34.177,-- vanaf december 1991 tot de

restitutie daarvan op 2 oktober 1992. Deze aan

verweerder verweten gedraging is niet gebaseerd op

enig eerder (appellabel) besluit van verweerder,

maar betreft louter feitelijk handelen van

verweerder.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn

uitspraak van 28 juli 1994 (AB 1995/133) in een

sociale zekerheidszaak overwogen dat, indien

schadevergoeding wordt verzocht naar aanleiding van

een eerder besluit, waartegen beroep kon worden

ingesteld, de beslissing op het verzoek om

schadevergoeding een dermate nauwe samenhang

vertoont met dat eerder (appellabele) besluit, dat

het als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de

Awb kan worden aangemerkt.

De hiervoor bereikte vaststelling dat in het

onderhavige geval een dergelijke samenhang met een

eerder voor beroep vatbaar besluit ontbreekt,

betekent naar het oordeel van de rechtbank evenwel

niet dat eiser bestuursrechtelijke rechtsbescherming

dient te ontberen, nu aan het verzoek om schadevergoeding

een aan verweerder - althans aan het

openbaar lichaam waarvan verweerder deel uitmaakt -

toe te rekenen gedraging ten grondslag ligt, die

heeft plaatsgevonden binnen het kader van de

bijzondere publiekrechtelijke rechtsbetrekking

tussen partijen, te weten de uitvoering van de AOW

en de AWW. De rechtbank wijst in dit kader op het

bepaalde in artikel 3 van de Wet op de Sociale

Verzekeringsbank - oud - en artikel 28 van de

Organisatiewet sociale verzekeringen - nieuw -.

Daarmee is het publiekrechtelijk karakter van de

verweten gedraging gegeven. Dit brengt mee dat dit

verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt

als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde

lid, van de Awb, en de daarop te nemen beslissing

als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Verweerder had derhalve op de aanvraag van eiser van

30 mei 1994 dienen te beslissen door een zuiver

schadebesluit te nemen. Tevens had verweerder eiser

in zijn bezwaar tegen de beslissing van 19 augustus

1994 dienen te ontvangen.

Nu verweerder dat niet heeft gedaan, is het

bestreden besluit genomen in strijd met het bepaalde

in de afdelingen 7:1 en 7:2 van Hoofdstuk 7 van de

Awb, en artikel 1:3 van de Awb, en kan dat besluit

dus geen stand houden.".

De Raad overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht

vastgesteld dat in casu geen sprake is van een primaire

beslissing omtrent vergoeding van gestelde geleden schade als

gevolg van een (appellabel) besluit, zoals aangegeven in 's

Raads uitspraak van 28 juli 1994, onder andere gepubliceerd in

JB 1994, 221, RSV 1995/19 en AB 1995, 133.

Het verzoek om schadevergoeding en de daarop genomen primaire

beslissing tot niet-ontvankelijkheid, wat daarvan verder ook

zij, hebben immers betrekking op gestelde renteschade die het

gevolg is van het door gedaagde - volgens appellant ten

onrechte - onder zijn beheer nemen en houden van bepaalde

geldbedragen die door de belastingdienst aan gedaagde zijn

betaald na een daartoe namens appellant gedaan verzoek.

Gedaagde heeft bij het onder zijn beheer nemen en houden van

deze geldbedragen aangenomen dat deze bestemd waren ter

betaling van de premie voor een vrijwillige verzekering voor

de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

De Raad neemt met de rechtbank aan dat hier sprake is van

gestelde schade, geleden als gevolg van feitelijk handelen. De

enkele omstandigheid dat een aan gedaagde toe te rekenen

handelen plaatsvindt binnen het kader van een door regels van

publiekrecht beheerste rechtsbetrekking, betekent naar het

oordeel van de Raad nog niet dat een beslissing ter regeling

van de gevolgen van dat handelen als een publiekrechtelijke

rechtshandeling en dus als een besluit kan worden beschouwd.

Indien de mogelijkheid van beroep, en daaraan voorafgaand

eventueel bezwaar, ter zake van het schade veroorzakende

handelen of nalaten zelf ontbreekt, zoals in casu, is de

burgerlijke rechter bevoegd ten gronde over de

schadebeslissing te oordelen.

Gezien het vorenstaande had gedaagde in het bestreden besluit

appellant in zijn bezwaren tegen de beslissing van 19 augustus

1994 niet-ontvankelijk moeten verklaren.

De rechtbank had op haar beurt het bestreden besluit derhalve

niet alleen moeten vernietigen, maar ook - in plaats van de

rechtsgevolgen ervan in stand te laten - met toepassing van

artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak

voorziend, appellant in zijn bezwaren tegen de beslissing van

19 augustus 1994 niet-ontvankelijk moeten verklaren.

De aangevallen uitspraak komt dan ook gedeeltelijk voor

vernietiging in aanmerking.

Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad

appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn bezwaren

tegen de beslissing van 19 augustus 1994.

Gelet op artikel 8:71 van de Awb merkt de Raad op dat

appellant zich tot de burgerlijke rechter kan wenden ter zake

van de de door hem gevorderde schadevergoeding.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

artikel 8:75 van de Awb.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is

bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in

stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het bezwaar tegen de beslissing van 19 augustus 1994

niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem in hoger

beroep gestorte griffierecht ten bedrage van f 150,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en

mr G.A.J. van den Hurk en mr L.J.A. Damen als leden, in

tegenwoordigheid van mr R. Roeland als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 24 september 1997.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) R. Roeland.