Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-1997
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
95/9345 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anti-cumulatie, korting, inkomsten uit arbeid, schadevergoeding, bruto winst, pensioenvoorziening, stamrecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/9345 APPA

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de

gemeente Beuningen, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 23 november 1995 heeft verweerder ten

aanzien van eiser een besluit genomen, waarvan een

afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Tegen dit besluit heeft mr M.A.J.J. Niesten, werkzaam bij

de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, als gemachtigde

van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het

beroepschrift (met bijlagen) is aangegeven waarom eiser

zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd zijn vanwege verweerder aan de Raad nog enige

stukken toegezonden.

Het geding is, gevoegd met een drietal andere gedingen

tussen partijen, behandeld ter zitting van 5 juni 1997.

Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door

mr M.A.J.J. Niesten voornoemd, als zijn raadsman.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen

door mr P.J. Schaap, verbonden aan het Centraal

Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te

Zwolle.

II. MOTIVERING

De Raad wijst voor de relevante feiten en omstandigheden

allereerst naar zijn uitspraak, geregistreerd onder

nummer 95/7264 + 97/1571 APPA. Daaraan voegt hij ten

behoeve van zijn oordeelsvorming in dit geding het

volgende toe.

Bij besluit d.d. 22 juni 1995 is verweerder overgegaan

tot vaststelling van de aan eiser op grond van de

Uitkerings- en pensioenverordening wethouders der

gemeente Beuningen (hierna: de Verordening) toegekende

uitkering over de jaren 1991 tot en met 1993, met als

resultante een tegoed van ƒ 91.426,39. Daarbij zijn met

toepassing van artikel 5 van de Verordening tevens

vastgesteld de met eisers uitkering te verrekenen

inkomsten, die hij in genoemde jaren uit anderen hoofde

heeft genoten. In dit verband is verweerder, op grond van

een door VB accountants verricht financieel onderzoek,

uitgegaan van het inkomen dat eiser genoot uit zijn

dienstbetrekking als directeur van de door hem op

1 januari 1990 opgerichte en formeel sedert 27 juli 1990

bestaande besloten vennootschap (hierna: BV) onder de

naam [naam adviesburo] als rechtsopvolger van

de onderneming [naam onderneming]. Voorts heeft verweerder zowel het

bruto bedrijfsresultaat (vóór afdracht

vennootschapsbelasting) van de BV, waarvan eiser enig

aandeelhouder is, volledig aan eiser toegerekend alsook

de in genoemde jaren op de balans van de BV vermeld

staande posten terzake pensioenvoorziening en stamrecht

ten volle gerekend tot de verrekenbare inkomsten van

eiser.

De tegen het besluit d.d. 22 juni 1995 ingebrachte

bezwaren heeft verweerder bij het bestreden besluit

ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiser tegen het bestreden besluit een

aantal grieven aangevoerd.

In de eerste plaats kan eiser zich niet verenigen met het

door verweerder ook bij het besluit d.d. 22 juni 1995

ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Verordening tot

uitgangspunt genomen nader vastgestelde bedrag aan

inkomsten, die eiser tijdens zijn wethouderschap

genereerde uit een door hem gevoerde onderneming.

De Raad stelt vast dat verweerder terzake deze inkomsten

reeds heeft beslist bij zijn besluit d.d. 1 maart 1994.

In zijn uitspraak 95/7264 + 97/1571 APPA heeft de Raad

geoordeeld dat verweerder het tegen dat besluit namens

eiser ingediende bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk

heeft verklaard. Nu voorts het besluit d.d. 22 juni 1995

in dit onderdeel niet is aan te merken als een op

rechtsgevolg gericht besluit, kan dit punt van geschil in

het onderhavige geding niet aan de orde komen.

Eiser heeft zich daarnaast gekeerd tegen de wijze waarop

verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede

lid, van de Verordening door het bruto bedrijfsresultaat

van de BV en de ten laste van die BV gebrachte posten

pensioenvoorziening en stamrecht aan te merken als met de

uitkering verrekenbare inkomsten.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Op grond van het bestreden besluit en het verhandelde ter

zitting is de Raad gebleken dat verweerder zijn standpunt

dat bij de toepassing van anti-cumulatievoorschriften in

een geval als het onderhavige, waarin sprake is van het

gebruik van een rechtspersoon, mag worden uitgegaan van

de bruto winst uit onderneming, heeft ontleend aan de

jurisprudentie van de Raad, gepubliceerd in, onder meer,

TAR 1994, nr 194. De Raad wijst er met nadruk op dat deze

jurisprudentie is toegespitst op gevallen, waarin voor

het verrichten van (neven)werkzaamheden een zodanig

gebruik is gemaakt van rechtspersonen dat met het oog op

de toepassing van anti-cumulatie- dan wel, als in casu,

kortingsvoorschriften "door de constructie heen wordt

gezien". Naar in deze jurisprudentie echter primair is

neergelegd vermag het gebruik van een rechtspersoon

teneinde hiermee inkomsten uit arbeid te verwerven niet

reeds op zichzelf beschouwd de conclusie te

rechtvaardigen dat sprake is van oneigenlijk gebruik.

Zijdens verweerder is ter zitting verklaard dat in het

onderhavige geval eisers besluit om zijn

bedrijfsactiviteiten onder te brengen in een BV niet

reeds aanleiding is geweest om "door de constructie heen

te zien". De Raad kan verweerder, ook gelet op de aard en

omvang van eisers werkzaamheden, in die zienswijze

volgen. Naar het oordeel van de Raad doet zich in casu

evenmin het geval voor, waarin anderszins is beoogd de

toepassing van anti-cumulatie- dan wel

kortingsvoorschriften te ontlopen, bijvoorbeeld omdat de

betrokkene vrijwillig heeft besloten om arbeid om niet of

tegen een zeer geringe beloning te verrichten. De

beschikbare financiële gegevens van de BV laten zien,

naar ook door de vertegenwoordiger van verweerder ter

zitting is erkend, dat eiser zich als directeur een

salaris heeft toegekend, waarvan de omvang in een

redelijke verhouding staat tot de omzet van de BV.

De Raad ziet dan ook geen grond voor de aanpak van

verweerder om bij de toepassing van artikel 5 van de

Verordening niet de reële cijfers van de BV tot

uitgangspunt te nemen. De Raad acht in dit verband het

enkele argument van verweerder dat de posten

pensioenvoorziening en stamrechtverplichting het

bedrijfsresultaat van de BV te zeer negatief beïnvloeden,

niet voldoende zwaarwegend, aangezien deze beide

voorzieningen blijkens de gedingstukken geen bezwaar

hebben ontmoet bij de fiscale autoriteiten. In dat

verband neemt de Raad in aanmerking dat in zijn

algemeenheid de zienswijze van de bevoegde fiscale

autoriteiten grote betekenis dient te worden gehecht, met

dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken indien

voldoende overtuigend wordt aangetoond dat de gegevens

die door de fiscale autoriteiten aanvaard zijn, niet

gevolgd behoren te worden.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat

verweerder bij zijn besluit d.d. 22 juni 1995 tot

vaststelling van eisers uitkering ingevolge de

Verordening over de jaren 1991 tot en met 1993 had dienen

uit te gaan van de winst van de BV minus de door de BV af

te dragen vennootschapsbelasting.

Dit brengt mee dat het bestreden besluit in dit onderdeel

moet worden vernietigd.

De Raad zal zich voorts richten op het verzoek namens

eiser, strekkende tot vergoeding van renteschade op grond

van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerder heeft tegen dat verzoek geen bedenkingen

ingebracht.

In een aantal uitspraken van de Raad - volstaan kan

worden met verwijzing naar zijn uitspraken van 1 en

8 november 1995 (JB 1995/314 en 296) - ligt besloten dat

voor de vaststelling van zodanige schade zoveel mogelijk

aansluiting dient te worden gezocht bij het

civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarbij is in

het bijzonder van belang de jurisprudentie van de

burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van een door

de admini-stratieve rechter vernietigd besluit.

Uit die jurisprudentie blijkt dat het bestuursorgaan dat

een dergelijk besluit heeft genomen - behoudens

bijzondere omstandigheden - een hem toe te rekenen

onrechtmatige daad heeft gepleegd, waaruit voor hem de

plicht voortvloeit aan de belanghebbende de schade te

vergoeden die deze als gevolg van het besluit lijdt.

Blijkens hetgeen hiervoren is overwogen is in casu ten

opzichte van eiser sprake van een onrechtmatig besluit

van verweerder d.d. 22 juni 1995. Nu niet is gebleken van

bijzondere omstandigheden, rust op verweerder de plicht

tot vergoeding van de door eiser dientengevolge geleden

schade.

De Raad acht de schade die gevormd wordt door de

wettelijke rente, op de voet van de artikelen 6:119 en

6:120 van het BW toewijsbaar vanaf de datum dat

verweerder aan eiser de uitkering over de jaren 1991 tot

en met 1993 zou hebben betaald, indien het besluit d.d.

22 juni 1995 zou hebben geluid zoals het rechtens had

behoren te luiden.

Ingevolge artikel 6 van de Verordening geschiedt de

betaling van een uitkering als de onderhavige in

maandelijkse termijnen. De Verordening bevat echter geen

voorschriften met betrekking tot de dag waarop de

uitkering wordt betaald.

Gelet daarop en in aanmerking genomen dat bij het besluit

d.d. 22 juni 1995 eisers uitkering over de jaren 1991 tot

en met 1993 is vastgesteld, neemt de Raad omwille van een

praktische en eenvormige rechtstoepassing in casu tot

uitgangspunt, dat het aan eiser uit dien hoofde rechtens

toekomende bedrag had moeten zijn betaald uiterlijk op de

laatste dag van de maand waarin het besluit tot

vaststelling van eisers uitkering over genoemde jaren is

genomen, zodat de wettelijke rente over het bedrag dat te

weinig is betaald, verschuldigd wordt op de eerste dag

van de maand volgende op die waarin de juiste betaling

had moeten plaatsvinden.

De eerste dag voor de periode waarover de rente

verschuldigd is, wordt derhalve gesteld op 1 juli 1995;

deze periode strekt zich vervolgens uit tot aan de dag

der voldoening toe.

Hierbij geldt dat de berekening van de rente dient te

geschieden over het bedrag dat bruto had moeten worden

nabetaald.

Bij de berekening van de wettelijke rente dient voorts

telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover

wettelijke rente wordt berekend te worden vermeerderd met

de over dat jaar verschuldigde rente.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat

het verzoek van eiser, strekkende tot vergoeding van

renteschade op grond van artikel 8:73 van de Awb, voor

toewijzing in aanmerking komt. In casu brengt dit mee dat

ook het besluit in primo moet worden vernietigd.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om toepassing

te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en

verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser

tot een bedrag van ƒ 1.420,-- wegens verleende

rechtsbijstand. Van andere kosten, die in dit verband

voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet

gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit en het besluit van

verweerder d.d. 22 juni 1995;

Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de gemeente Beuningen tot vergoeding van de

renteschade als in rubriek II van deze uitspraak is

overwogen;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten

bedrage van ƒ 1.420,--;

Gelast dat aan eiser het griffierecht van ƒ 200,-- wordt

vergoed;

Wijst de gemeente Beuningen aan als de rechtspersoon die

de proceskosten en het griffierecht dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr R.C. Schoemaker en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden,

in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 1997.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) J.P. Schieveen.