Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-1997
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
96/8988 ABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld de vraag of terecht is geoordeeld dat de aan ged. bij besluit van 3/11/95 toegekende RWW-uitkering terugvorderbaar is gesteld tot een bedrag van maximaal f 4.692,30. De Raad overweegt dienaangaande dat evengenoemde mededeling in het besluit van 3/11/95 dient te worden aangemerkt als een kennisgeving omtrent mogelijke terugvordering die naar het oordeel van de Raad informatief van aard is en niet kan worden geacht te zijn gericht op enig rechtsgevolg. Derhalve kan deze mededeling niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb waartegen ingevolge de artikelen 7:1 Awb en 8:1 Awb bezwaar, respectievelijk beroep is opengesteld. Het vorenstaande brengt met zich, dat appellant het bezwaar van gedaagde gericht tegen evengenoemde mededeling, ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Derhalve had de rechtbank het bestreden besluit op deze grond dienen te vernietigen. De aangevallen uitspraak kan echter, zij het met verbetering van gronden, in stand blijven, voor zover daarin het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van gedaagde van 27/2/96 gegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad acht voorts termen aanwezig om onder toepassing van artikel 8:72.4 Awb zelf in de zaak te voorzien, en te bepalen dat het bezwaar van gedaagde alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard. Mede gelet op het feit dat appellant in het (primaire) besluit van 3-11-1994 ten aanzien van de mededeling met betrekking tot terugvordering een onjuist rechtsmiddel heeft aangegeven, dient appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep te worden veroordeeld, welke kosten zijn begroot op f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand bij de Raad.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 1997, 159
JB 1997/221
USZ 1997/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/8988 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de

gemeente Noordwijkerhout, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is aan gedaagde bij besluit van

3 november 1995 met ingang van 6 september 1995 een

periodieke uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling

werkloze werknemers (RWW) toegekend. De brief waarin dat

besluit bekend is gemaakt, bevat voorts de mededeling dat

de uitkering terugvorderbaar is gesteld tot een bedrag

van maximaal f 4.692,30.

Bij besluit van 27 februari 1996 heeft appellant het door

gedaagde ingediende bezwaar tegen laatstvermelde

mededeling ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij de

aangevallen uitspraak van 31 juli 1996 het namens

gedaagde tegen het besluit van appellant van 27 januari

1996 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit

vernietigd en bepaald dat (thans) appellant een nieuw

besluit zal nemen met inachtneming van die uitspraak.

Appellant heeft daartegen op in het (aanvullend)

beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld

bij de Raad.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 juni 1997,

waar namens appellant is verschenen mr D. Witteman,

werkzaam bij de gemeente Noordwijkerhout.

Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr D.M. van Genderen, advocaat en procureur te Utrecht.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet

(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de

Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in

werking getreden.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt

beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende

bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van

belang.

Namens appellant is aan gedaagde bij besluit van

3 november 1995 met ingang van 6 september 1995 een

RWW-uitkering toegekend. Aan de voet van dat besluit is

aan gedaagde onder meer het volgende medegedeeld:

"De uitkering is terugvorderbaar gesteld tot een

bedrag van maximaal f 4.692,30, daar uw vermogen,

gebonden in de door u bewoonde woonwagen, het vrij

te laten vermogen als bedoeld in artikel 8a van het

Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) met dat

laatstgenoemde bedrag overschrijdt.".

Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt tegen deze mededeling,

is deze gehandhaafd bij het bestreden besluit van

27 februari 1996.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van

31 juli 1996 het door gedaagde ingestelde beroep tegen

het besluit van appellant van 27 februari 1996 gegrond

verklaard en hiertoe overwogen dat het bestreden besluit

onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank in hoger

beroep bestreden.

De Raad heeft in dit geding primair de -door appellant en

de rechtbank onbeantwoord gelaten- vraag te onderzoeken

of de in de brief van 3 november 1995 opgenomen

mededeling dat de aan gedaagde toegekende uitkering tot

een bedrag van f 4.692,30 terugvorderbaar is als een

besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.

Voor de beantwoording van die vraag is het van belang om

vast te stellen dat appellant aan zijn desbetreffende

mededeling artikel 58, tweede lid, van de ABW ten

grondslag heeft gelegd.

Die bepaling luidt als volgt:

Kosten van bijstand verleend over een periode gedurende

welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn

waarover nog niet kan worden beschikt, worden van de

betrokkene teruggevorderd tot het bedrag waarover

krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan

worden beschikt. Voorzover die middelen overeenkomstig

artikel 7 buiten beschouwing zouden zijn gelaten indien

zij reeds bij de aanvang van de periode ter beschikking

van de betrokkene zouden hebben gestaan, blijft

terugvordering achterwege.

Naar het oordeel van de Raad volgt uit deze bepaling dat

het antwoord op de vraag of verleende bijstand kan worden

teruggevorderd en zo ja, tot welk bedrag, wordt bepaald

door de waarde van de middelen op het moment dat de

betrokkene daarover daadwerkelijk beschikt of kan

beschikken. Gezien het toekenningsbesluit lag dat moment

nog in het verschiet voor gedaagde.

Voorzover appellant beoogt met het "terugvorderbaar

stellen" een verjaringstermijn te stuiten wijst de Raad

erop dat blijkens artikel 61d van de ABW in de gevallen

bedoeld in de artikelen 58 en 59 niet de in artikel 61d

vermelde termijn geldt.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de mededeling van

appellant aangaande "terugvorderbaarheid" in het besluit

van 3 november 1995 naar het oordeel van de Raad dient te

worden aangemerkt als een aankondiging dat de aan

gedaagde te verstrekken bijstand te zijner tijd op grond

van artikel 58 van de ABW van hem zal worden

teruggevorderd. Die aankondiging is niet gericht op

rechtsgevolg, omdat aan de vaststelling welk vermogen bij

de aanvang van de bijstandsverlening ter beschikking van

gedaagde stond, voor de eventuele toepassing van artikel

58 van de ABW in de toekomst geen zelfstandige betekenis

toekomt.

Derhalve kan deze mededeling niet worden aangemerkt als

een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van

de Awb en evenmin als een daarmee gelijk te stellen

handeling als omschreven in artikel 34 van de ABW,

waartegen ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb

bezwaar, respectievelijk beroep is opengesteld.

Het vorenstaande brengt met zich, dat appellant het

bezwaar van gedaagde gericht tegen evengenoemde

mededeling, ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

Derhalve had de rechtbank het bestreden besluit op deze

grond dienen te vernietigen.

De aangevallen uitspraak kan echter, zij het met

verbetering van de gronden, in stand blijven, voor zover

daarin het inleidend beroep tegen het bestreden besluit

van 27 februari 1996 gegrond is verklaard en dat besluit

is vernietigd.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor

zover daarin is bepaald dat appellant een nieuw besluit

dient te nemen met inachtneming van die uitspraak.

De Raad acht voorts termen aanwezig om onder toepassing

van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak

te voorzien, en te bepalen dat het bezwaar van gedaagde

alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Mede in aanmerking genomen dat appellant ten aanzien van

de mededeling met betrekking tot terugvordering ten

onrechte een rechtsmiddel heeft aangegeven, acht de Raad

termen aanwezig appellant in de proceskosten van gedaagde

in hoger beroep te veroordelen. Deze kosten zijn begroot

op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand bij

de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is

bepaald dat appellant een nieuw besluit zal nemen met

inachtneming van die uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover

aangevochten, voor het overige;

Verklaart het bezwaar van gedaagde alsnog

niet-ontvankelijk;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot

een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de gemeente

Noordwijkerhout aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en

mr G.A.J. van den Hurk en mr J.M.A. van der

Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van D.

Nebbeling als griffier en uitgesproken in het openbaar op

29 juli 1997.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) D. Nebbeling.