Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-1997
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
95/203 APPA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijk antwoord op verzoek actuele tijd als voor pensioen geldige diensttijd aan te merken is niet op rechtsgevolg gericht. Eiser, gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ontvangt een uitkering op grond van art. 51 Appa; tevens genereert hij inkomen als hoogleraar-in-deeltijd. Hij verzocht de Minister van Binnenlandse Zaken te verklaren dat zijn uitkeringstijd zal meetellen als voor pensioen geldige diensttijd. Bij brief d.d. x wordt het verzoek afgewezen, op grond van art. 59.7.a (oud). Bij het bb is het bezwaar tegen die brief ongegrond verklaard. CRvB Dit is ten onrechte gebeurd; het bezwaar had n.o. verklaard moeten worden. De (inhoud van) de brief d.d. x is reactie op verzoek nu al standpunt in te nemen over het voor pensioen geldig zijn van uitkeringstijd en zo niet op rechtsgevolg gericht; aldus ligt niet een besluit in de zin van art. 1:3 Awb voor dat voor bezwaar vatbaar is. Zie art. 110 Appa, inhoudend dat eerst bij de beschikking tot toekenning van pensioen o.g.v. de Appa de voor het pensioen meetellende tijd wordt vastgesteld. Zie in gelijke zin CRvB 5-3-1998, 96/11410 ABP, betreffende de uitleg van art. S 2 in verband met art. O 2.

Wetsverwijzingen
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 59a
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 110
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 59
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1997, 346 met annotatie van H.E. Bröring
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/203 APPA

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerder heeft onder dagtekening 16 januari 1995 ten aanzien

van eiser een besluit genomen waarvan een afschrift aan deze

uitspraak is gehecht.

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In

een aanvullend beroepschrift (met een bijlage) is uiteengezet

waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan

verenigen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Hierop heeft eiser bij brief d.d. 15 maart 1996 gereageerd.

Bij brief d.d. 10 april 1997 (met bijlage) heeft verweerder

zich nader tot de Raad doen richten.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 mei 1997. Daar is

eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich doen

vertegenwoordigen door mr A.H. Langguth, werkzaam bij de

Stichting USZO Zoetermeer.

II. MOTIVERING

De Raad stelt in de eerste plaats op grond van de

gedingstukken de navolgende feiten vast.

Eiser is met ingang van 17 mei 1994 afgetreden als lid van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal. In verband hiermee heeft

verweerder bij besluit d.d. 27 juni 1994 aan eiser ingaande 17

mei 1994 een uitkering als bedoeld in artikel 51 van de

Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (hierna: Appa)

toegekend.

Naast deze uitkering genereert eiser inkomen als hoogleraar in

deeltijd (0.1) aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Eiser heeft telefonisch aan verweerder verzocht om de

uitkeringstijd van 17 mei 1994 af te laten meetellen als voor

pensioen geldige tijd.

Verweerder heeft bij brief d.d. 13 oktober 1994 aan eiser

meegedeeld dat hij, gelet op artikel 59a, elfde lid, in

samenhang met artikel 59, zevende lid aanhef en onder a, van

de Appa, niet aan diens verzoek kan voldoen.

Het bezwaar dat eiser tegen die brief indiende, is bij het

thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of

de brief d.d. 13 oktober 1994 een besluit bevat in de zin van

artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb), waartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb het

rechtsmiddel van bezwaar openstaat.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit

verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,

inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Hierbij geldt dat met het begrip rechtshandeling wordt

bedoeld: een handeling, gericht op rechtsgevolg.

Het verzoek van eiser waarop de brief d.d. 13 oktober 1994 het

antwoord is, strekt ten gronde ertoe om van verweerder te

vernemen dat zijn uitkeringstijd te zijner tijd bij de

regeling van zijn pensioen ingevolge de Appa voor pensioen

geldige tijd vormt.

Gezien de strekking van bedoeld verzoek van eiser is de

schriftelijke mededeling van verweerder d.d. 13 oktober 1994,

dat, op grond van te dien tijde vigerend recht, het verzoek

van eiser niet kan worden ingewilligd, niet op rechtsgevolg

gericht, zodat die schriftelijke mededeling niet een besluit

is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

In dit verband neemt de Raad in het bijzonder in aanmerking

dat ingevolge artikel 110 van de Appa de voor pensioen geldige

diensttijd eerst in een beschikking tot toekenning van

pensioen wordt vastgesteld.

Het voorgaande brengt mee dat tegen de brief van verweerder

d.d. 13 oktober 1994 geen bezwaar openstond als bedoeld in

artikel 7:1 van de Awb.

Mitsdien had verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar

van eiser tegen bedoelde brief niet-ontvankelijk dienen te

verklaren.

De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens

strijd met artikel 7:1 in samenhang met artikel 1:3 van de Awb

moet worden vernietigd.

De Raad zal toepassing geven aan artikel 8:72, vierde lid, van

de Awb op een wijze zoals in rubriek III van deze uitspraak is

vermeld.

De Raad is, ten slotte, niet gebleken van kosten, aan de zijde

van eiser in beroep gevallen, die met toepassing van artikel

8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verklaart het bezwaar dat eiser heeft ingediend tegen de brief

van verweerder d.d. 13 oktober 1994 niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde bestreden besluit;

Gelast de Staat der Nederlanden aan eiser het griffierecht ad

f 200,-- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr R.C. Schoemaker en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in

tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 3 juli 1997.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

17.06

+B