Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-1997
Datum publicatie
06-01-2005
Zaaknummer
95/8508 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gestelde schade staat niet in zodanig verband tot vernietigde besluit dat

zij kan worden toegerekend aan app.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1997, 358
RSV 1998, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/8508 AAW/WAO 0.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

gedaagde, appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de

plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en

Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder

appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 6 december 1993 heeft appellant de aan

gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)

en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2

februari 1993 ingetrokken op de grond dat gedaagdes

arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op

minder dan 15%.

De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van

20 december 1994 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep

gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Voorts heeft de rechtbank bij die uitspraak appellant

veroordeeld tot vergoeding van de schade van gedaagde die zij

heeft geleden ten gevolge van het genoemde besluit en heeft de

rechtbank in verband met deze veroordeling het onderzoek heropend.

Bij uitspraak van 27 oktober 1995 heeft de voornoemde

rechtbank appellant onder meer veroordeeld tot betaling van de

wettelijke rente vanaf 2 februari 1994 en tot betaling van een

bedrag van f 2.500,- ter zake van immateriële schadevergoeding

aan gedaagde.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, op

14 maart 1996 een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting

van de Raad, gehouden op 25 april 1997, waar partijen, met

voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde werkte op vijf ochtenden per week gedurende drie uur

per dag als huishoudelijke hulp in het Bejaarden-tehuis

"X." te B. Op 5 augustus 1991 heeft zij haar

werkzaamheden gestaakt in verband met rugklachten en een

daarmee samenhangend radiculair syndroom in het linker been,

terwijl zich voorts psychische problemen openbaarden. Vanwege

appellant is gedaagde, in aansluiting op de maximumperiode

waarin zij ziekengeld heeft ontvangen, met ingang van 5

augustus 1992 een uitkering ingevolge de AAW en de WAO

toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid

van 80 tot 100%.

Gedaagde heeft gedurende enkele perioden bij wijze van

arbeidstherapie werkzaamheden bij haar werkgever verricht. In

verband met de hiermee verkregen inkomsten zijn haar

arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gekort met toepassing van de

artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO, zoals deze

bepalingen tot 1 augustus 1993 luidden.

Bij besluit van 6 december 1993 heeft appellant, in

overeenstemming met een advies van de toenmalige

Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), besloten gedaagdes

uitkeringen op grond van de AAW en de WAO, met ingang van 2

februari 1994, in te trekken zulks op de grond dat, met ingang

van laatstgenoemde datum, gedaagdes arbeidsongeschiktheid op

minder dan 25% respectievelijk 15% dient te worden gesteld.

De arbeidskundige van de GMD, A. Kleve heeft op 3 november

1993 met gedaagde een onderhoud gehad, waarbij hij haar heeft

medegedeeld dat zij niet in staat wordt geacht haar maatgevende functie

te vervullen maar wel passende, haar in dat gesprek genoemde, functies.

Van 14 maart 1994 tot 22 april 1994 is gedaagde in de Afdeling

Psychiatrie en Psychotherapie van de Nederlands Hervormde

Diakonessen Inrichting B. opgenomen geweest in verband met

depressieve klachten.

Ten behoeve van de gedingvoering inzake het beroep tegen het

besluit van 6 december 1993 heeft de rechtbank de

neuroloog-psychiater C.J.F. Kemperman ingeschakeld. Deze was

blijkens zijn rapport aan de rechtbank d.d. 13 oktober 1994

van oordeel dat de medische beperkingen van gedaagde voor het

verrichten van arbeid door de verzekeringsgeneeskundige van de

GMD juist waren vastgesteld en dat zij door de door de arbeidsdeskundige

van de GMD geselecteerde functies kon verrichten.

Bij brief van 1 december 1994 heeft appellant, kennelijk op

grond van nadien van de zijde van gedaagde geproduceerde

medische gegevens, de rechtbank medegedeeld dat hij besloten

had het bestreden besluit niet te handhaven. Bij besluit van

diezelfde datum werd gedaagde alsnog per 2 februari 1994

onveranderd arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 80 tot 100%.

Bij uitspraak van 20 december 1994 heeft de rechtbank

vervolgens het bestreden besluit vernietigd en, gevolg gevend

aan een daartoe namens gedaagde gedaan verzoek, met toepassing

van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),

appellant veroordeeld tot vergoeding van de schade van gedaagde.

Voorts heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:73, tweede lid,

van de Awb het onderzoek heropend.

In het kader hiervan is namens gedaagde gesteld dat zij onder

meer renteschade heeft geleden alsmede immateriële schade.

Deze laatste schade wordt volgens haar gevormd door het

psychische leed dat zij heeft ondervonden doordat zij, ten

gevolge van het vernietigde besluit, van 14 maart 1994 tot 22

april 1994 opgenomen is geweest in de Afdeling Psychiatrie en

Psychotherapie van de Nederlands Hervormde Diakonessen Inrichting B.

Voorts heeft gedaagde aangevoerd, ter zake van de onderhavige

schadeprocedure, reiskosten te hebben gemaakt ten behoeve van

het onderzoek door de medisch adviseur van gedaagde, de arts

voor verzekeringsgeneeskunde D.J. Schakel, en heeft gedaagde

diens declaratie moeten voldoen, welke kosten gedaagde

eveneens door appellant vergoed wenste te zien.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellant

veroordeeld tot betaling van wettelijke rente. Appellant is

voorts veroordeeld tot vergoeding van f 2.500,- aan

immateriële schade. Tenslotte is appellant in de proceskosten

van gedaagde verwezen.

Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld,

zich daarbij uitdrukkelijk beperkend tot het verzoek de

aangevallen uitspraak te vernietigen, voorzover appellant

daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van f

2.500,- aan immateriële schadevergoeding.

Tegen de beslissing hieromtrent van de rechtbank heeft

appellant in hoofdzaak aangevoerd dat er geen sprake is van

een causaal verband tussen het vernietigde besluit van 6

december 1993 en de psychische decompensatie ten gevolge

waarvan gedaagde in de Afdeling Psychiatrie en Psychotherapie

van de Nederlands Hervormde Diakonessen Inrichting B.

opgenomen is geweest.

Ten aanzien hiervan overweegt de Raad als volgt.

Gedaagde heeft in het geding in eerste aanleg verzocht om

veroordeling van appellant tot vergoeding van immateriële

schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het

vernietigde besluit van appellant van 6 december 1993.

Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad wordt een

dergelijk verzoek beoordeeld door aansluiting te zoeken bij

het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. De Raad verwijst

hierbij naar zijn uitspraken van onder meer 16 april 1996, JB

1996/117 en 4 juli 1996, TAR 1996/140.

Aannemende dat de psychische decompensatie als nadeel dient te

worden aangemerkt, ten aanzien waarvan gedaagde op de voet van

artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW

schadevergoeding verlangt, dan zal, wil gedaagdes verzoek

hieromtrent toegewezen kunnen worden, genoegzaam aannemelijk

moeten zijn dat dit nadeel in een zodanig verband staat met

het vernietigde besluit van 6 december 1993, dat zij

appellant, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van

de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft dat verband klaarblijkelijk aanwezig geacht

op grond van de zich onder de gedingstukken bevindende brieven

d.d. 6 en 11 januari 1995 van de arts voor verzekeringsgeneeskunde

D.J. Schakel aan de gemachtigde van gedaagde en het rapport

d.d. 13 oktober 1995 van de deskundige C.J.F. Kemperman.

In zijn genoemde brieven stelt de arts D.J. Schakel zich op

het standpunt dat het besluit d.d. 6 december 1993 bij

gedaagde tot een psychische decompensatie heeft geleid, die

uiteindelijk een opname in genoemd ziekenhuis noodzakelijk

heeft gemaakt. Deze arts verwijst hierbij naar het genoemde

rapport van de deskundige C.J.F. Kemperman.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het rapport

van C.J.F. Kemperman geen steun biedt aan de namens gedaagde

bepleite en door de rechtbank aanvaarde stelling dat gedaagdes

psychische decompensatie en de daarop gevolgde opname in het

genoemde ziekenhuis als een gevolg van het besluit van 6

december 1993 dient te worden gezien.

Daartoe neem de Raad in aanmerking dat de deskundige C.J.F.

Kemperman op 29 september 1994 anamnestisch van gedaagde heeft

vernomen dat zij van haar werkgever uiteindelijk ontslag kreeg

aangezegd, terwijl het juist redelijk goed met haar ging.

Omdat zij zelf van alles geprobeerd had om te kunnen blijven

werken - uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde hierbij het

oog heeft op werk bij het Bejaardentehuis "X." - voelde

zij zich verraden en afgewezen, waardoor zij wederom

overspannen en depressief raakte en de opname volgde.

Zij heeft bij die gelegenheid eveneens verklaard dat zij in

februari 1994 de mededeling kreeg dat haar

arbeidsongeschiktheidsuitkeringen werden ingetrokken. Dit kan

naar het oordeel van de Raad echter niet juist zijn, omdat -

zoals uit het vorenstaande blijkt - zij reeds op

3 november 1993 van genoemde arbeidsdeskundige te horen had

gekregen dat haar uitkeringen zouden worden ingetrokken.

Voorts blijkt uit het rapport d.d. 11 november 1993 van de

arbeidsdeskundige van de GMD, A. Kleve, waarin diens gesprek

met appellante d.d. 3 november 1993 is weergegeven dat

gedaagde in dat gesprek zeer emotioneel was, omdat zij

inmiddels ontslag had gekregen bij haar werkgever, zulks met

toestemming van de Regionaal Directeur voor de

Arbeidsvoorziening en tegen het advies van de GMD in.

Verder komt uit de beantwoording van de vragen die de

rechtbank de deskundige C.J.F. Kemperman heeft gesteld, naar

voren dat de deskundige na onderzoek bij gedaagde op de datum

hier van belang, 2 februari 1994, een kwetsbare

persoonlijkheid aanwezig achtte, doch de door gedaagde

vermelde decompensatie in de vorm van een depressief beeld

bestond, naar die deskundige vaststelt, op deze datum niet.

De Raad wijst in dit verband verder op de brief d.d.

3 oktober 1994 van psychiater M.E. Krol, werkzaam op de

Afdeling Psychiatrie en Psychotherapie van de Nederlands

Hervormde Diaconessen Inrichting B., waarin evenmin een

aanwijzing te vinden is voor de juistheid van het standpunt

van gedaagde. In die brief, gericht aan de deskundige C.J.F.

Kemperman, geeft psychiater M.E. Krol als reden voor de opname

van gedaagde in dat ziekenhuis: depressief toestandsbeeld bij

een vrouw met een incest-verleden. Het geheel had volgens deze

arts het karakter van een surmenage.

Het beloop van de opname was ongecompliceerd en gedaagde ging

hersteld met ontslag.

De Raad komt tot de slotsom dat gezien het voorgaande de

gestelde schade tengevolge van decompensatie van gedaagde en

haar daarop gevolgde opname in het voornoemde ziekenhuis

gedurende de periode van 24 maart 1994 tot 22 april 1994 niet

in een zodanig verband staat tot het vernietigde besluit dat

zij appellant als een gevolg van het vernietigde besluit van 6

december 1993 kan worden toegerekend, omdat die decompensatie

niet geacht kan worden met dat besluit in zo'n verband te staan.

Namens gedaagde is bij verweerschrift verzocht de aangevallen

uitspraak deels te bevestigen deels aan te vullen in die zin

dat appellant - in overeenkomstig de oorspronkelijke vordering

tot vergoeding van de immateriële schade ad f 5.000,- ,

gedaagde te veroordelen tot betaling van f 2.500,- alsmede tot

betaling van de wettelijke rente over de niet tijdig betaalde

vergoeding van de immateriële schade vanaf 8 februari 1994, de

datum waarop namens gedaagde de vergoeding van deze schade is verzocht.

Reeds gezien hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen kan hij

voorbijgaan aan dit verzoek van gedaagde.

Eveneens bij verweerschrift is namens gedaagde gevorderd dat

appellant wordt veroordeeld tot vergoeding van f 68,- als

kosten van het verkrijgen van het rapport van de arts voor de

arts voor verzekeringsgeneeskunde D.J. Schakel en tot

eenzelfde bedrag aan kosten van de reis naar deze arts.

Hieromtrent overweegt de Raad dat de rechtbank, nu zij de

proceskostenveroordeling in eerste aanleg beperkt heeft tot de

kosten van rechtsbijstand, het in eerste aanleg gedane

gelijkluidende verzoek van gedaagde kennelijk heeft afgewezen.

Aangezien gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen

deze afwijzing door de rechtbank is er, mede gezien de omvang

van het geding in hoger beroep, thans geen plaats voor een

inhoudelijke beoordeling van het hier aan de orde zijnde

verzoek van gedaagde.

Gezien het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak,

voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en

mr H.C. Cusell en mr T. Hoogenboom als leden, in

tegenwoordigheid van T.W.J.M. Weijers als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 18 juli 1997.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) T.W.J.M. Weijers.

AB