Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-1997
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
96/8768 AAW/WAO, 96/8790 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het motiveringsvereiste (bij een schattingsbesluit) van art 4:17 Awb wordt beoogd dat kenbaar en inzichtelijk wordt gemaakt op welke feitelijke en juridische grondslag de beschikking is gebaseerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 4:18
Algemene wet bestuursrecht 4:19
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/8768 + 8790 AAW/WAO O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997

treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen

(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.

In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats

getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel,

Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder

appellant tevens verstaan het bestuur van deze

bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 14 maart 1995 heeft appellant de aan

gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet

(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

(WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar

een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met

ingang van 17 april 1995 ingetrokken op de grond dat

gedaagdes arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden

gesteld op minder dan 25, respectievelijk 15%.

Namens gedaagde heeft mr W. Zandberg, advocaat te

Tilburg, tegen dat besluit beroep ingesteld bij de

arrondissementsrechtbank te Breda.

Bij brief van 10 augustus 1995 heeft appellant een

besluit van 8 augustus 1995 in het geding gebracht,

waarbij hij, in verband met een onjuiste berekening van

de zogeheten uitlooptermijn, de datum met ingang waarvan

gedaagdes uitkeringen krachtens de AAW en de WAO zijn

ingetrokken heeft gewijzigd van 17 april 1995 in 6 mei

1995. Appellant heeft de rechtbank verzocht het besluit

van 8 augustus 1995 onder toepassing van artikel 6:19,

eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede

in haar oordeel te betrekken.

Bij uitspraak van 12 augustus 1996 heeft de rechtbank het

namens gedaagde ingestelde beroep gegrond verklaard en de

besluiten van 14 maart 1995 en 8 augustus 1995

vernietigd.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met

bijlagen) aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger

beroep ingesteld.

Bij brief van 4 april 1997 heeft mr Zandberg, voornoemd,

namens gedaagde van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden

op 15 april 1997, waar appellant zich heeft doen

vertegenwoordigen door mr W.P.J.M. van Gestel, werkzaam

bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., en waar gedaagde,

zoals vooraf was bericht, niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen

uitspraak, voor zover daarbij is beslist dat het besluit

van 8 augustus 1995 niet in rechte stand kan houden.

Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de

rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat laatstgenoemd

besluit onvoldoende is gemotiveerd en deswege dient te

worden vernietigd. Voorts heeft hij aangevoerd dat de

rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dat besluit,

nu de verzekeringsarts -alvorens tot vaststelling van

gedaagdes belastbaarheid voor arbeid over te gaan- geen

nadere, actuele medische informatie heeft ingewonnen bij

de behandelend sector of de huisarts, in strijd is met

artikel 3:2 van de Awb. Tot slot heeft appellant

aangevoerd dat het bestreden besluit, anders dan de

rechtbank heeft aangenomen, wel op een deugdelijke

arbeidskundige grondslag is gebaseerd.

Gedaagde heeft zich, blijkens bovengenoemd schrijven van

4 april 1997 van haar gemachtigde, gesteld achter de

overwegingen van de rechtbank in de aangevallen

uitspraak.

Voor de Raad ligt derhalve ter beantwoording de vraag

voor of het besluit van 8 augustus 1995, waarbij

appellant de aan gedaagde toegekende uitkeringen

krachtens de AAW en de WAO, berekend naar een mate van

arbeidson-geschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6

mei 1995 heeft ingetrokken, in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank

heeft gedaan bij de aangevallen uitspraak, bevestigend en

hij overweegt daartoe als volgt.

Het motiveringsvereiste.

De rechtbank heeft, naar aanleiding van hetgeen

daaromtrent namens gedaagde is gesteld, in de eerste

plaats overwogen dat het bestreden besluit, gelet op de

eis dat een beschikking een deugdelijke, begrijpelijke en

inzichtelijke motivering bevat, lijdt aan een

motiveringsgebrek en derhalve dient te worden vernietigd.

De Raad verstaat deze overweging aldus dat de rechtbank

van oordeel is dat het bestreden besluit in strijd is met

artikel 4:17, eerste lid, van de Awb en derhalve niet in

stand kan blijven. De Raad overweegt dienaangaande als

volgt.

Met de in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb

neergelegde eis, dat de motivering wordt vermeld bij de

bekendmaking van de beschikking, wordt naar het oordeel

van de Raad beoogd dat kenbaar en inzichtelijk wordt

gemaakt op welke feitelijke en juridische grondslag die

beschikking is gebaseerd. Uit deze bepaling vloeit voort

dat de motivering van een beschikking op schrift dient te

zijn gesteld. Ter motivering van een besluit als het

onderhavige kan derhalve niet worden volstaan met een

verwijzing naar hetgeen in de gesprekken van de

verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige met

betrokkene aan de orde is geweest.

Voorts geldt dat de vraag of de motivering van een

beschikking voldoet aan de te stellen eisen van

kenbaarheid en inzichtelijkheid slechts kan worden

beantwoord in relatie tot de concrete inhoud en

complexiteit van de betreffende beschikking. Zo is met

betrekking tot een beschikking, waarbij uitkeringen

krachtens de AAW en de WAO worden ingetrokken op de grond

dat betrokkene wordt geacht geen medische beperkingen

meer te kennen, eerder voldaan aan de eisen ter zake van

kenbaarheid en inzichtelijkheid, dan met betrekking tot

een beschikking als de onderhavige, waarbij uitkeringen

krachtens de AAW en de WAO worden herzien op de grond dat

betrokkene niet meer in staat wordt geacht te hervatten

in het eigen werk, maar wel weer in staat wordt geacht

tot het verrichten van andere, passende werkzaamheden,

zodat betrokkenes verlies van verdiencapaciteit is

afgenomen, dan wel niet meer (in relevante mate) aanwezig

is.

Daarnaast overweegt de Raad dat hij, zoals hij reeds

meermalen heeft uitgesproken, aanvaardbaar acht dat ter

motivering van een beschikking wordt verwezen naar

schriftelijke stukken die in het kader van de

voorbereiding van die beschikking zijn opgesteld, mits

die stukken uiterlijk tegelijk met de beschikking ter

kennis van betrokkene(n) zijn gebracht en zij in

voldoende mate inzicht bieden in de feitelijke en

juridische grondslag van de genomen beschikking.

In dit verband is in het voorliggende geval door

appellant gewezen op de zogeheten aanzegbrief, gedateerd

6 maart 1995, van de arbeidsdeskundige F. Vergunst,

waarin gedaagde mededeling is gedaan van de uitkomsten

van de beoordeling van de mate van haar

arbeidsongeschiktheid door die arbeidsdeskundige en

waarbij als bijlage waren gevoegd functie-omschrijvingen

van de door die arbeidsdeskundige aan haar voorgehouden,

passende functies.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de motivering

van het bestreden besluit, voor zover in dat besluit en

de genoemde aanzegbrief neergelegd, in onvoldoende mate

inzicht biedt in de feitelijke en juridische grondslag

waarop dat besluit is gebaseerd. De opvatting van

appellant, dat gedaagde, gelet op haar medische

beperkingen, niet in staat is te hervatten in haar eigen

werk maar wel in andere, passende werkzaamheden

(behorende bij de haar voorgehouden functies en zoals

omschreven in bovengenoemde functiebeschrijvingen), dient

naar het oordeel van de Raad met een weergave van de door

appellant ten aanzien van gedaagde aangenomen medische

beperkingen te worden onderbouwd. In dit verband

overweegt de Raad dat in het voorliggende geval de

aangenomen medische beperkingen kunnen blijken uit het

ten aanzien van gedaagde opgestelde

belastbaarheidspatroon.

Voorts acht de Raad het van belang dat uit de motivering

van een besluit als het onderhavige blijkt hoe de mate

van arbeidsongeschiktheid is berekend. Daartoe dienen de

voorgehouden functies met de daarbij behorende

verdiensten te worden vermeld en dient met behulp van het

zogeheten maatmanloon en het zogeheten mediaanloon te

worden aangegeven in welke mate sprake is van verlies van

verdiencapaciteit. Ook op dit punt acht de Raad de

motivering van het bestreden besluit onvoldoende kenbaar

en inzichtelijk.

Het betoog van appellant, dat in het voorliggende geval

vermelding van de motivering achterwege kon blijven omdat

redelijkerwijs kon worden aangenomen dat aan de

motivering geen behoefte bestond bij gedaagde, kan de

Raad niet volgen. In dit verband ontleent hij aan de

Memorie van Toelichting bij artikel 4:18 van de Awb het

volgende:

"Er zijn zeer veel situaties voorstelbaar waarin een

(volledige) vermelding van de motivering overbodig

is. Dat is het geval als geen enkele belanghebbende

behoefte heeft aan vermelding van de motivering,

bijvoorbeeld omdat niemand door de beschikking

geschaad of belast wordt, omdat de beschikking

conform de aanvraag is of omdat de beschikking reeds

lang aangekondigd was, en de motivering reeds lang

bekend was, zonder dat iemand bezwaar tegen de

beslissing zal hebben.".

En aan de Memorie van Antwoord met betrekking tot

datzelfde artikel ontleent de Raad nog het volgende:

"Indien iemand een beschikking aanvraagt waarbij de

belangen van niemand anders zijn betrokken, en het

bestuursorgaan beslist conform de aanvraag, zal er

in het algemeen geen enkele behoefte bestaan aan

vermelding van de motivering van de beschikking.".

In het voorliggende geval doet zich naar het oordeel van

de Raad geen situatie voor met het oog waarop in artikel

4:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat vermelding

van de motivering achterwege kan blijven.

Tenslotte is naar het oordeel van de Raad artikel 4:19

van de Awb in het voorliggende geval niet van toepassing,

daar dit artikel ziet op de situatie dat, indien ter

voorbereiding van een beschikking een advies is

opgesteld, ter motivering van die beschikking kan worden

verwezen naar dat advies, dan wel naar een onderdeel van

dat advies. Genoemd artikel stelt daarbij als eis dat dat

advies zelf de motivering dient te bevatten en ter kennis

van de belanghebbenden is of wordt gebracht. De Raad

stelt in dit verband vast dat de aan het in geding zijnde

besluit ten grondslag liggende rapportages niet

(schriftelijk) ter kennis zijn gebracht van gedaagde.

Hoewel de Raad, gelet op bovenstaande overwegingen, van

oordeel is dat de motivering van het bestreden besluit

niet in voldoende mate kenbaar en inzichtelijk is te

achten en derhalve in strijd is met artikel 4:17, eerste

lid, van de Awb, is hij tevens van oordeel dat het

bestreden besluit, ondanks de schending van genoemd

voorschrift, onder toepassing van artikel 6:22 van de

Awb, in stand kan worden gelaten nu dat besluit, gelet op

hetgeen hierna nog wordt overwogen, overigens in rechte

stand kan houden. Voor zover bij gedaagde onvoldoende

duidelijkheid heeft bestaan over de feitelijke en

juridische grondslag van het bestreden besluit, is de

Raad van oordeel dat in de loop van de procedure voor de

rechtbank voldoende duidelijkheid daaromtrent bij haar is

ontstaan en zij voorts in de gelegenheid is geweest zich

daaromtrent uit te laten. Gelet hierop moet worden

geoordeeld dat gedaagde niet wordt benadeeld door het in

stand laten van dat besluit. De Raad is derhalve, anders

dan de rechtbank, niet van oordeel dat het bestreden

besluit, gelet op de schending van artikel 4:17, eerste

lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Het hoger beroep, voor zover gericht tegen dit oordeel

van de rechtbank, treft derhalve doel.

De Raad ziet aanleiding om, nu moet worden geconstateerd

dat is beslist in strijd met artikel 4:17 van de Awb, aan

die constatering het gevolg te verbinden dat appellant

wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Het medisch aspect.

Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in

strijd is met artikel 3:2 van de Awb omdat de

verzekeringsarts zijn bevindingen en conclusies

uitsluitend heeft gebaseerd op eigen onderzoek en deze

geen nadere, actuele medische informatie heeft ingewonnen

bij de behandelend artsen of de huisarts van gedaagde,

kan de Raad niet onderschrijven. Het in artikel 3:2 van

de Awb neergelegde vereiste dat besluiten zorgvuldig

dienen te worden voorbereid brengt mee dat een medisch

oordeel inzake de beperkingen gebaseerd dient te zijn op

een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.

Het niet inwinnen van informatie bij de behandelend arts

of artsen kan meebrengen dat het onderzoek niet aan deze

eis voldoet. Het niet inwinnen van deze informatie brengt

echter niet zonder meer in alle gevallen mee dat het

onderzoek onvoldoende zorgvuldig is.

In het onderhavige geval is er naar het oordeel van de

Raad geen reden om aan te nemen dat het medisch onderzoek

zonder deze informatie zodanig onvolledig is geweest dat

de besluitvorming niet voldoet aan het evenvermelde

zorgvuldigheidsvereiste. Van belang is hierbij dat de

verzekeringsgeneeskundige uitgebreid heeft gerapporteerd

inzake zijn bevindingen, welke waren gebaseerd op

dossierstudie en eigen onderzoek, en voorts dat uit de

van de zijde van gedaagde tijdens de behandeling in

eerste aanleg overgelegde medische gegevens niet is

gebleken dat de behandelend specialist een van de

verzekeringsgeneeskundige afwijkende mening had inzake de

medische beperkingen van gedaagde.

Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden

geoordeeld dat de aangevallen uitspraak, ook voor zover

daarbij is overwogen dat het bestreden besluit zodanig

onzorgvuldig is voorbereid dat het dient te worden

vernietigd, niet in stand kan blijven.

Het arbeidskundig aspect.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit

een voldoende arbeidskundige grondslag mist omdat bij de

bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruik is

gemaakt van fulltime functies, terwijl gedaagde in haar

eigen maatmanfunctie slechts 20 uur per week werkzaam

was. Op grond hiervan achtte de rechtbank tevens sprake

van schending van artikel 4:16 van de Awb.

De Raad is evenwel, gelet op de gedingstukken, van

oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat de

door appellant ten behoeve van de schatting van de mate

van arbeidsongeschiktheid van gedaagde gebruikte fulltime

functies ook in parttime-vorm voorkomen, zodat het

bestreden besluit, voor wat betreft het arbeidskundig

aspect, op een deugdelijke grondslag berust en het hoger

beroep, ook voor zover het is gericht tegen het oordeel

van de rechtbank op dit punt, doel treft.

Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad, nu hem ook

overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet

in rechte stand kan houden, van oordeel dat de

aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is

vernietigd, voor vernietiging in aanmerking komt. Hij

beslist derhalve als hieronder is vermeld.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de

proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op

f 710,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover

daarbij is beslist omtrent de veroordeling in de

proceskosten en de vergoeding van het griffierecht;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in

hoger beroep aan de zijde van gedaagde gevallen, ten

bedrage van f 710,-.

Aldus gegeven door mr A. Beuker-Tilstra als voorzitter en

mr T. Hoogenboom en mr H. Bolt als leden, in

tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 1997.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.A. van Geloven.