Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-1997
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
96/1676 AW, 96/1677 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen hoger beroep tegen ongegrondverklaring van beroep tegen ontslagbesluit. Dit zelfstandige besluit staat hierdoor in rechte vast. Nu B&W niet enig belang (meer) hebben bij het tegen dit onderdeel ingestelde hoger beroep dient dit beroep niet-ontvankelijk verklaard te worden. Hetzelfde lot deelt het hoger beroep tegen de weigering van de rechtbank om de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen. Overigens levert de beslissing van de rechtbank in deze geen schending van regels van geschreven of ongeschreven recht op. Wrakingsmogelijkheid door gemachtigde niet benut. Ontslaguitkering voldoet niet aan de minimumnorm.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:10
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1997/116 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

O

96/1676 AW en 96/1677 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl, appellant I, en

de raad van de gemeente Delfzijl, appellant II,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant I en appellant II heeft mr J.W.C. van Kleef, verbonden aan

Van Kleef en Partners te Boskoop, op de daartoe bij aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de

Arrondissementsrechtbank te Groningen op 22 december 1995 onder nr. AW 93/114

AW V08 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr I.M.A. van Strien, juridisch medewerkster van de

NOVON, een verweerschrift ingediend.

Namens gedaagde is nog een reactie gezonden terwijl voorts, desgevraagd,

enkele stukken zijn overgelegd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 6 maart 1997, waar

namens appellant is verschenen mr Van Kleef, voornoemd, en waar gedaagde in

persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van Strien, voornoemd.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in

werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten:

Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende

wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een

hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet

niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het

kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht

brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te

stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk

hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het

recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit

van de volgende feiten en omstandigheden.

Nadat gedaagde jarenlang werkzaam was geweest op de afdeling (...) van de

secretarie van de gemeente Delfzijl is daaraan vanaf 1986 feitelijk een einde

gekomen. In verband met enkele incidenten is gedaagde geschorst geweest en is

hem tot slot buitengewoon verlof verleend, gedurende welke periode met hem en

zijn (toenmalige) raadsvrouw - zonder succes - onderhandelingen zijn gevoerd

om te komen tot een minnelijke ontslag- en uitkeringsregeling.

Na daartoe verkregen machtiging door appellant II heeft appellant I gedaagde

bij besluit van 23 maart 1993 ontslag verleend met ingang van 1 mei 1993. In

de brief (van 24 maart 1993) waarbij dit ontslagbesluit aan gedaagde is

bekendgemaakt, heeft appellant I voorts bekendheid gegeven aan het door

appellant II (op 26 november 1992) genomen besluit waarbij de aan gedaagde

ter zake van bedoeld ontslag verleende uitkering is vastgesteld.

Het ontslagbesluit is gebaseerd op artikel H 11 van het toepasselijke

Algemeen Ambtenarenreglement (AAR), voor zover hier van belang luidend:

1. Op voordracht van burgemeester en wethouders kan de raad bepalen dat een

ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij zijn

besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen

van dit hoofdstuk genoemd.

2. In geval van ontslag op grond van dit artikel treft de raad, op

voordracht van burgemeester en wethouders, een regeling waarbij de gewezen

ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke naar het oordeel van de raad,

met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten. Deze uitkering zal

niet minder mogen bedragen dan die welke hij krachtens de Wachtgeldverordening

zou hebben genoten, indien die verordening op hem van toepassing zou zijn geweest.

De door appellant II vastgestelde uitkering bedraagt blijkens de

bovenbedoelde brief van appellant I 70% van de door gedaagde laatstelijk

genoten bezoldiging.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het door appellant I genomen

ontslagbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het

besluit van appellant II van 26 november 1992 betreffende de ontslaguitkering

gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant II met

inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen een nieuw besluit

dient te nemen ter zake van de aanspraken van gedaagde op uitkering; voorts

heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van

proceskosten en griffierecht.

Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant I overweegt de Raad als volgt.

Gedaagde heeft tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep tegen het

ontslagbesluit, dat zelfstandige betekenis heeft naast het besluit van

gedaagde II tot vaststelling van een ontslaguitkering, ongegrond is, geen

hoger beroep ingesteld. Het door appellant I genomen ontslagbesluit is

daarmee in stand gebleven. De Raad ziet, mede in aanmerking nemende dat hij

in het schrijven van 23 maart 1993 geen zelfstandig besluit van appellant I

tot toekenning van de door appellant II vastgestelde uitkering kan ontwaren,

en voor een dergelijke toekenning naast het besluit van appellant II ter zake

ook geen plaats is, niet dat appellant I enig belang heeft bij het door hem

ingestelde hoger beroep. Appellant I moet dan ook niet-ontvankelijk worden

verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

Appellant I heeft tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de aangevallen

uitspraak hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank gegeven

beslissing om geen toepassing te geven aan artikel 8:10, tweede lid, van de

Awb (verwijzing naar een meervoudige kamer). Appellant I had om die

toepassing verzocht "in verband met de complexiteit van de onderliggende

kwestie en in belang van beide partijen".

De Raad overweegt dat hij in artikel 18, derde lid, van de Beroepswet een

onverbrekelijke samenhang gelegd ziet tussen een ontvankelijk hoger beroep

tegen een appellabele uitspraak als bedoeld in het eerste lid van dat

artikel, en de mogelijkheid van hoger beroep tegen een andere beslissing die

de rechtbank heeft gegeven in de loop van het geding dat tot een dergelijke

appellabele uitspraak heeft geleid. Het hoger beroep tegen een dergelijke

andere beslissing deelt daarom naar het oordeel van de Raad het lot (van

niet-ontvankelijkheid) van de niet-ontvankelijkverklaring door de Raad van

het door appellant tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep.

Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant II overweegt de Raad als volgt.

Hij stelt voorop dat hem van redenen waarom appellant II niet-ontvankelijk

zou moeten worden verklaard in zijn hoger beroep tegen de aangevallen

uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het beroep van gedaagde tegen

het besluit van appellant II, niet is gebleken.

Appellant II heeft tegelijkertijd met het hoger beroep tegen (dat gedeelte

van) de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld tegen de door de

rechtbank gegeven beslissing om geen toepassing te geven aan artikel 8:10,

tweede lid, van de Awb (verwijzing naar een meervoudige kamer). Om die

toepassing is verzocht "in verband met de complexiteit van de onderliggende

kwestie en in belang van beide partijen".

De Raad ziet, gegeven het in artikel 8:10 van de Awb gekozen uitgangspunt van

behandeling door een enkelvoudige kamer en gelet op het door appellant II

aangevoerde, niet dat de beslissing van de rechtbank een schending zou

inhouden van regels van geschreven of ongeschreven recht, waarvan in het

bijzonder regels van een goede procesorde, of van enig algemeen

rechtsbeginsel. Het hoger beroep treft in zoverre geen doel, evenmin als de

namens appellant II aangevoerde grief betreffende de beweerdelijke "zekere

vooringenomenheid" van de rechtbank. De Raad volstaat in dit verband met

verwijzing naar de wrakingsmogelijkheid van artikel 8:15 van de Awb.

Door de gemachtigde van appellant II is gesteld dat gedaagde in eerste aanleg

niet, dan wel niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het besluit van

appellant II: in haar voorlopig klaagschrift heeft de toenmalige raadsvrouw

van gedaagde als bestreden besluit aangemerkt "het besluit van het college

van burgemeester & wethouders der gemeente Delfzijl d.d. 24 maart 1993".

De Raad verwerpt deze stelling. Zo al moet worden aangenomen dat het

voorlopig klaagschrift mogelijk aanleiding tot enige twijfel zou kunnen

geven, moet worden gesteld dat dit in de hand is gewerkt doordat appellant I

in één brief (van 24 maart 1993) mededeling heeft gedaan van zijn besluit

(van 23 maart 1993) tot ontslag en van het besluit van appellant II (van 26

november 1992) tot vaststelling van een ontslaguitkering. Nu voorts reeds in

dat klaagschrift beroep is ingesteld tegen het besluit dat door bedoelde

raadsvrouw niet alleen wordt omschreven als ontslagbesluit maar ook als

besluit inhoudende de vaststelling van een uitkering, is de Raad van oordeel

dat de rechtbank terecht dit beroep (ook) tegen het besluit van appellant II

gericht, en ontvankelijk, heeft geacht.

Appellant II kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de

vastgestelde uitkering niet voldoet aan het in het tweede lid van artikel H

11 van het AAR vervatte voorschrift dat deze uitkering niet minder zal mogen

bedragen dan die welke de gewezen ambtenaar krachtens de Wachtgeldverordening

zou hebben genoten, indien die verordening op hem van toepassing zou zijn

geweest. Appellant II heeft doen aanvoeren dat niet slechts het toekennen

gedurende de gehele voorziene uitkeringsperiode van een uitkering van 70% van

de laatstelijk genoten bezoldiging in beeld moet worden gebracht, maar dat in

redelijkheid andere van belang zijnde elementen in beschouwing moeten worden

genomen en tegen elkaar moeten worden afgewogen, zoals aan de ene kant het

achterwege blijven van een sollicitatieverplichting, het ongekort mogen

bijverdienen en het achterwege blijven van de verplichting passend werk te

aanvaarden, en aan de andere kant het niet toekennen van de zogenaamde

afbouwregeling van de (in de eerste jaren hogere) uitkeringspercentages en

het niet welvaartsvast zijn van die uitkering.

De Raad acht dit standpunt van appellant II in een geval als het onderhavige

waarin tussen de betrokken partijen geen overeenstemming bestaat over de

uitkeringsregeling, niet juist. Op grond van meergenoemd artikel H 11 van het

AAR moet de ontslagen ambtenaar ten minste in de (uitkerings-)positie worden

gebracht waarin hij zou zijn gekomen indien toepassing gegeven had moeten

worden aan de Wachtgeldverordening, waarbij onder die positie mede begrepen

moeten worden de door de Wachtgeldverordening aan het genot van die uitkering

verbonden andere rechten en verplichtingen. In het onderhavige geval voldoet

de uitkering reeds niet aan de minimum norm, omdat de uitkering in de eerste

uitkeringsmaand in plaats van 93% - bij toepasselijkheid van de

Wachtgeldverordening - slechts 70% van de laatste bezoldiging bedraagt.

De aangevallen uitspraak komt in zoverre derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding appellanten te veroordelen in de

proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op f 1.420,- aan

kosten van verleende rechtsbijstand en op f 72,- aan reiskosten. Voorts

dient van de gemeente Delfzijl een griffierecht te worden geheven van f 600,-.

Op grond van het bovenstaande beslist de Raad als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart appellant I niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt appellanten in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot

f 1.492,-, te betalen door de gemeente Delfzijl;

Bepaalt dat van de gemeente Delfzijl een griffierecht wordt geheven van f 600,-.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr H.A.A.G.

Vermeulen en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van P.H.

Schippers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 april 1997.

(get.) W. van den Brink.

(get.) P.H. Schippers.

HD

04.04