Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-1997
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
AOW 89/90 en AOW 89/91
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de onderhavige zaak wordt de openstaande vraag, geformuleerd in AOW 90/16, beantwoord. Wat betreft tijdvakken van uitsluiting van de AOW-verzekering van gehuwde vrouwen tussen augustus 1977 en 23 december 1984 kent de Raad aan artikel 1 Grondwet en het "gelijkheidsbeginsel" cf. HR in de arresten Schneiders-Simons en Wessels-Bergervoet, geen werking toe vóór 23 december 1984. De door de HR aanvaarde redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de uitsluiting blijft ten aanzien van beide rechtsnormen gelden tot die datum. Zie ook AOW 91/75, 26-11-1993 [RSV 94/125] en AOW 91/74, 26-11-1993 [RSV 94/126]. Zie arrest Europees Hof voor de Rechten van de Mens, d.d. 4-6-2002, nr 34462/97 [USZ 02/215, RSV 02/181]. De uitsluiting van gehuwde vrouwen van de verzekering ingevolge de AOW indien de echtgenoot in het buitenland werkt vindt geen rechtvaardiging.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 6
Grondwet 1
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AOW 1989/90 + AOW 1989/91

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Sociale Verzekeringsbank, eiser,

en

[gedaagde 1] en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats],

gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij beslissing van 11 maart 1987 heeft eiser aan [gedaagde 1]

met ingang van 1 november 1986 een ouderdomspensioen

ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) alsmede een toeslag

ingevolge die wet toegekend, beide ter hoogte van 80% van het

wettelijke bedrag.

Voorts heeft gedaagde bij beslissing van 23 september 1987 aan

[gedaagde 2] met ingang van 1 juni 1987 een

ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend ter hoogte van

80% van het pensioenbedrag voor een gehuwde.

De toenmalige Raad van Beroep te Arnhem heeft bij uitspraak

van 21 november 1989, voorzover thans nog van belang, het

beroep tegen beide beslissingen gegrond verklaard, die

beslissingen vernietigd en bepaald dat eiser nieuwe

beslissingen zal nemen met inachtneming van de uitspraak.

In hoger beroep heeft eiser op de daartoe aangevoerde gronden

gevorderd die uitspraak te vernietigen en de in eerste aanleg

ingestelde beroepen ongegrond te verklaren.

Op verzoek van de Raad heeft [gedaagde 2] bij

brief van 16 augustus 1990 inlichtingen verstrekt.

Eiser heeft desverzocht bij brieven van 3 maart 1992

en 9 december 1992 een reactie gegeven op het arrest

d.d. 11 juli 1991 van het Hof van Justitie van de Europese

Gemeenschappen in de zaken C-87, 88 en 89/90 (arrest Verholen

e.a., gepubliceerd in onder meer Rechtspraak Sociale

Verzekering 1991/227).

Voorts heeft eiser bij brief van 24 oktober 1996, daartoe

uitgenodigd, zijn zienswijze gegeven op de betekenis voor de

onderhavige gedingen van het arrest d.d. 29 mei 1996 van de

Hoge Raad (arrest Wessels-Bergervoet, gepubliceerd in onder

meer RSV-aktueel 1996, nr 14), in relatie tot het arrest van 1

december 1993 van de Hoge Raad (arrest Schneiders-Simons,

gepubliceerd in onder meer RSV 1994/127).

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad,

gehouden op 22 januari 1997. Van partijen is daar alleen eiser

verschenen, vertegenwoordigd door dr G.J. Vonk en mr R.A.

Zieck, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in

dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen

echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden

beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde

vóór 1 januari 1994, behoudens - voor zover van belang - wat

betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als

geregeld in artikel 8:75 van de Awb.

Hangende het beroep in eerste aanleg heeft eiser het nadere

standpunt ingenomen dat de korting op de beide toegekende

pensioenen alsmede op de toeslag, 18 in plaats van 20% dient

te bedragen, aangezien [gedaagde 1] boven de reeds in

aanmerking genomen tijdvakken alsnog over 300 dagen als

ingevolge de AOW verzekerd diende te worden beschouwd.

De Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak overwogen dat hem

voorshands niet duidelijk is kunnen worden op grond van welke

overwegingen slechts rekening is gehouden met de volgens eiser

daarvoor in aanmerking komende perioden, en kennelijk op die

grond de beslissing inzake de toekenning van een AOW-pensioen

aan [gedaagde 1] vernietigd.

De Raad ziet evenwel, gelet op hetgeen uit de gedingstukken

blijkt omtrent de door [gedaagde 1] op aanslag

betaalde AOW-premies, de stand van zijn Duitse verzekering en

de uiteenzettingen op dit punt van eiser zowel bij de

behandeling in eerste aanleg als in hoger beroep, geen grond

voor de veronderstelling dat voor de berekening van gedaagdes

pensioen meer tijdvakken in aanmerking zouden kunnen komen dan

overeenkomstig eisers nadere standpunt.

In zoverre kan de Raad derhalve het oordeel van de eerste

rechter niet onderschrijven, zij het dat het nader door eiser

ingenomen standpunt wel meebrengt dat overeenkomstig de

aangevallen uitspraak de bestreden beslissingen op het punt

van de toegekende pensioenbedragen en het bedrag van de

toeslag niet in stand kunnen blijven.

De Raad van Beroep heeft voorts geoordeeld, dat de ingevolge

artikel 13 van de AOW toegepaste kortingen op de toeslag als

neergelegd in de beslissing van 11 maart 1987, respectievelijk

op het aan [gedaagde 2] toegekende pensioen,

niet verenigbaar zijn met het bepaalde in artikel 26 van het

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke

rechten (IVBPR).

In verband met het op dit punt ingestelde hoger beroep

overweegt de Raad het volgende.

Bedoelde kortingen berusten op de grond dat [gedaagde 2]

in het tijdvak gelegen tussen augustus 1972

en januari 1984 gedurende (afgerond) negen jaren niet

ingevolge de AOW verzekerd is geweest.

Deze uitsluiting van de verzekering berustte op de - tot

1 april 1985 geldende - bepalingen, vastgesteld krachtens onder

meer artikel 6 van de AOW, op grond waarvan niet ingevolge de

AOW verzekerd was de in Nederland wonende gehuwde vrouw wier -

eveneens ingezeten - echtgenoot, kort gezegd, voor onder meer

het wettelijk ouderdomspensioen verzekerd was ingevolge de

wettelijke regeling van een andere staat dan Nederland of

krachtens een overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen

Nederland en één of meer andere staten niet ingevolge de

volksverzekeringen verzekerd was (zie achtereenvolgens de

Koninklijke Besluiten van 20 december 1956, Stb. 624, 10 juli

1959, Stb. 230, 17 januari 1963, Stb. 24, 18 oktober 1968,

Stb. 575 en 19 oktober 1976, Stb. 557).

Aan kortingen als de onderhavige staat vanaf 23 december 1984

in de weg, blijkens het in rubriek I van deze uitspraak

genoemde arrest van het Hof van Justitie van de EG en 's Raads

uitspraak d.d. 26 november 1993 in de zaak AOW 1991/75,

gepubliceerd in RSV 1994/125, het bepaalde in artikel 4, lid

1, van de richtlijn 79/7/EEG van de Raad van de Europese

Gemeenschappen. Voor de toepasselijkheid van dit verbod is

echter mede bepalend, of de betrokkene gerekend kan worden tot

de beroepsbevolking als bedoeld in artikel 2 van voormelde

richtlijn.

Blijkens de beschikbare feitelijke gegevens is dit ten aanzien

van gedaagde niet het geval geweest, zoals door haarzelf is

bevestigd bij de in rubriek I vermelde brief van 16 augustus

1990.

De juridische geldigheid van de bij de bestreden beslissingen

overeenkomstig de nationaalrechtelijke bepalingen op het

ouderdomspensioen en de toeslag toegepaste korting

wordt derhalve niet aangetast door het bepaalde in voornoemde

EG-richtlijn.

Het oordeel van de Raad van Beroep dat die kortingen niet

verenigbaar zijn met artikel 26 IVBPR moet afstuiten op

hetgeen deze Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26

november 1993 in de zaak AOW 1991/74, gepubliceerd in RSV

1994/126, te weten dat genoemde bepaling niet vermag de

rechtsgeldigheid aan te tasten van een nationale regel - als

artikel 13 van de AOW - waarbij de hoogte van een op een

wettelijke verzekering berustende uitkering als het AOW-pensioen

en de toeslag afhankelijk wordt gesteld van de mate

waarin tijdvakken van verzekering zijn vervuld, en dat hieraan

niet afdoet, althans voor de tijd gelegen vóór 23 december

1984, de vaststelling dat het niet vervullen van tijdvakken

van verzekering was gebaseerd op een regel welke onderscheid

maakte naar geslacht.

Deze overwegingen zijn onverkort van toepassing in het

onderhavige geding.

Met betrekking tot de uitsluiting van de verzekering van

[gedaagde 2] is van belang, dat de Hoge Raad in

een aantal arresten d.d. 29 mei 1996 (zie Jurisprudentie

Bestuursrecht 1996, 185, RSV-aktueel 1996, nr 14 en NJ 1996,

556) in beroep in cassatie, gericht tegen uitspraken van deze

Raad overeenkomstig de zojuist vermelde van 26 november 1993,

heeft geoordeeld dat die uitsluiting, welke ten grondslag ligt

aan de kortingen op het pensioen en de toeslag, niet

aantastbaar is met een beroep op artikel 26 IVBPR, artikel 1

van de Grondwet van 1983 of het tot de algemene

rechtsbeginselen behorende gelijkheidsbeginsel; de Hoge Raad

overwoog in dat verband het volgende:

"In zoverre het middel, ervan uitgaande dat de

onderhavige uitsluiting van verzekering een

ingevolge artikel 26 IVBPR verboden onderscheid naar

geslacht inhoudt, betoogt dat de Centrale Raad ten

onrechte niet heeft onderzocht of voor dat

onderscheid een objectieve en redelijke

rechtvaardiging bestond, faalt het, aangezien de

Centrale Raad reeds hierom terecht heeft geoordeeld

dat Wessels voor wat betreft de onderhavige

tijdvakken geen beroep kon doen op het bepaalde in

artikel 26 IVBPR, omdat dat verdrag immers eerst op

11 maart 1979 in werking is getreden.

Het middel strekt voorts ten betoge dat de Centrale

Raad het ten aanzien van de gehuwde vrouw bepaalde

in artikel 2 van de hiervóór in 5.1.2 genoemde

besluiten ten onrechte niet buiten toepassing heeft

gelaten wegens strijd met het in artikel 1 van de

Grondwet neergelegde verbod op discriminatie naar

geslacht, dan wel wegens schending van algemene

rechtsbeginselen, in het bijzonder het

gelijkheidsbeginsel, waarvan de Hoge Raad in zijn

arrest van 1 december 1993, BNB 1994/64, RSV

1994/127 heeft geoordeeld, dat het reeds geruime

tijd vóór de inwerkingtreding van artikel 1 van de

Grondwet (17 februari 1983) behoorde tot de

ongeschreven beginselen van het Nederlandse recht en

in bedoeld Grondwetsartikel slechts nader vorm heeft

gekregen. Dit betoog kan evenmin tot cassatie

leiden.

Voor wat betreft het beroep op artikel 1 van de

Grondwet faalt het reeds hierom, omdat de

onderhavige tijdvakken zijn gelegen vóór de datum

van inwerkingtreding van dit artikel.

Voor wat betreft het beroep op schending van

algemene rechtsbeginselen, faalt het eveneens.

Blijkens de Nota van Toelichting op het hiervóór in

5.1.2. als eerste vermelde besluit (lees: het

Koninklijk Besluit van 20 december 1956, Stb.624),

was de uitsluiting immers erop gericht een

ongerechtvaardigd geachte cumulatie van uitkeringen

te voorkomen. In dat verband wees de besluitgever

erop dat in de in het besluit bedoelde gevallen het

in het buitenland door de man opgebouwde pensioen

mede geacht kon worden voor zijn echtgenote bestemd

te zijn. Daarbij mocht de besluitgever, gelet op de

in de onderhavige tijdvakken aanwezige

maatschappelijke verhoudingen, ervan uitgaan dat het

in vrijwel alle gevallen de man was die de

kostwinner was, zodat hij ermee kon volstaan de

echtgenote uit te sluiten en niet gehouden was

tevens een voorziening te treffen voor de gevallen

waarin de vrouw de kostwinner was. Derhalve bestond

voor het aan de uitsluiting ten grondslag liggende

onderscheid naar geslacht destijds een redelijke en

objectieve rechtvaardiging.".

Uit de feitelijke context van de bedoelde arresten kan worden

geconcludeerd, dat de door de Hoge Raad aangegeven redelijke

en objectieve rechtvaardiging in ieder geval toereikend was

tot augustus 1977.

De Raad stelt voorts vast dat, naar thans ook door eiser wordt

aanvaard, de uitsluiting van de verzekering van de gehuwde

vrouw ingaande 23 december 1984 niet meer verenigbaar kan

worden geacht met zowel artikel 4 van de EG-richtlijn 79/7 als

met artikel 26 IVBPR, maar dat aan die bepalingen over

tijdvakken gelegen vóór die datum op het onderhavige punt geen

werking kan worden toegekend, gelet op artikel 8 van genoemde

richtlijn, respectievelijk op de vaste rechtspraak van deze

Raad ingevolge welke in het algemeen - behoudens zich hier niet

voordoende uitzonderingen - de onverenigbaarheid met artikel 26

IVBPR van nationaalrechtelijke bepalingen niet eerder dan met

ingang van 23 december 1984 kan worden ingeroepen.

Gelet hierop, alsmede op de zojuist aangehaalde overwegingen

van de Hoge Raad met betrekking tot de rechtvaardiging van de

uitsluiting van de verzekering ten aanzien van de gehuwde

vrouw, ziet de Raad geen grond om voor het door de in de

voorgaande overwegingen genoemde data begrensde tijdvak voor

het onderhavige punt betekenis toe te kennen aan de twee

overige door de Hoge Raad besproken rechtsnormen, te weten

artikel 1 Grondwet en het tot de algemene rechtsbeginselen

behorende gelijkheidsbeginsel. Ten aanzien van beide - zo

althans aan artikel 1 Grondwet over het zojuist aangegeven

tijdvak op dit punt werking kan worden toegekend - stelt de

Raad zich op het standpunt dat er onvoldoende redenen zijn om

aan te nemen dat de in de zienswijze van de Hoge Raad binnen

het stelsel van de AOW-verzekering geldende redelijke en

objectieve rechtvaardiging van de uitsluiting van de

verzekering haar werking niet over het gehele bedoelde tijdvak

zou hebben behouden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep

van eiser doel treft in zoverre het zich richt tegen het

oordeel van de Raad van Beroep dat op de toegekende toeslag en

op het aan [gedaagde 2] toegekende pensioen geen

korting mag worden toegepast. Gegeven echter het eerder

overwogene moet de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de

in rubriek I vermelde beslissingen zijn vernietigd, worden

bevestigd, zij het op ten dele gewijzigde gronden.

Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de

Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat eiser

nadere beslissingen zal nemen met inachtneming van deze

uitspraak.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorziter en

mr H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in

tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 5 maart 1997.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst.

Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge

de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in

cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of

verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der

artikelen 1, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 2, 3 en 6

van die wet.

Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit

afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift

in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

TM

214