Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-1997
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
95/4674 AAW/WAO, 95/4677 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Criterium terugwijzing in geval dat Rb. in strijd met 8:64.5 Awb zonde toestemming van partijen nadere zitting achterwege heeft gelaten. Geen incidenteel appèl mogelijk op grond van Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:64
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/4674 en 4677 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997

treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen

(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.

In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats

getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en

Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In

deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het

bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 7 oktober 1994 heeft appellant, onder

overweging dat de door gedaagde ontvangen inkomsten uit

arbeid zodanig waren gestegen dat dit gevolgen had voor

haar naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot

55% berekende uitkeringen ingevolge de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onder toepassing

van artikel 34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud) van

de WAO, ingaande 1 januari 1992 een korting toegepast op

gedaagdes uitkeringen krachtens die wetten, aldus dat die

uitkeringen met ingang van genoemde datum niet langer tot

uitbetaling kwamen.

Bij besluit van 10 oktober 1994 heeft appellant de

uitkering van gedaagde ingevolge de AAW ingaande 1 mei

1993 ingetrokken en haar uitkering ingevolge de WAO met

ingang van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld

naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Namens zowel gedaagde als haar werkgeefster X. B.V. (hierna: X. B.V.) is

tegen die besluiten beroep ingesteld, waarbij tevens, met

betrekking tot beide bestreden besluiten, is verzocht een

voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 5 juni 1995 heeft de President van de

Arrondissementsrechtbank te Arnhem met toepassing van

artikel 8:86, eerste lid van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan in de

hoofdzaak. Daarbij is X. B.V. niet-ontvankelijk

verklaard in haar beroepen, terwijl de beroepen van

gedaagde gegrond werden verklaard, onder vernietiging van

beide bestreden besluiten. Ten slotte werden de verzoeken

tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Vanwege appellant is tegen die uitspraak hoger beroep

ingesteld, in zoverre daarbij de besluiten van 7 oktober

1994 en 10 oktober 1994 zijn vernietigd.

Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Namens gedaagde heeft mr P.H.M. Essink, advocaat te

Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 5 november 1996 - met bijlage - heeft

appellant vragen van de Raad beantwoord.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op

24 januari 1997, waar appellant zich heeft doen

vertegenwoordigen door mr L.B.F.M. Hellwig, werkzaam bij

Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr Essink, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding te

onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze

tot stand is gekomen.

Onder de gedingstukken bevindt zich een beslissing van

14 maart 1995 van de President van de rechtbank,

inhoudende dat het onderzoek met betrekking tot het

verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ter

zitting van 14 maart 1995 is geschorst, teneinde

appellant in de gelegenheid te stellen vóór 1 mei 1995

tot een nadere standpuntbepaling te komen met betrekking

tot het geschil.

Vervolgens heeft de President van de rechtbank de

aangevallen uitspraak gedaan, in voege als in rubriek I aangegeven.

De Raad overweegt het volgende.

De President van de rechtbank heeft met toepassing van

artikel 8:64, eerste lid van de Awb - welk artikel

ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 8:83

van de Awb van overeenkomstige toepassing is in

procedures inzake voorlopige voorzieningen - het onderzoek

geschorst. Ingevolge artikel 8:64, derde lid van de Awb

wordt na een schorsing een zaak op een nadere zitting

hervat in de stand waarin zij zich bevond.

Ingevolge artikel 8:64, vijfde lid van de Awb kan de

rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege

blijft. Voorwaarde voor de uitoefening van die

bevoegdheid is dat partijen hiervoor toestemming hebben

gegeven. Van een dergelijke toestemming is in het

onderhavige geval niet gebleken.

De President van de rechtbank heeft dusdoende de

aangevallen uitspraak gedaan in strijd met artikel 8:64

van de Awb, in verband waarmee die uitspraak, in zoverre

in hoger beroep aangevochten, niet in stand kan blijven.

De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of de

zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de

rechtbank te Arnhem. De Raad beantwoordt die vraag

ontkennend, nu nader onderzoek in de zaak niet

noodzakelijk is en van de zijde van gedaagde om een

dergelijke terugwijzing niet is verzocht.

Alvorens toe te komen aan een beoordeling van de partijen

verdeeld houdende geschilpunten, overweegt de Raad voorts

nog het volgende.

Bij het namens gedaagde ingediende verweerschrift is

onder meer, onder de noemer van incidenteel appel, naar

voren gebracht dat de President van de rechtbank X. B.V.

ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de

namens haar ingestelde beroepen. Ter zitting heeft

gedaagdes gemachtigde verklaard dat hij ook als

gemachtigde van X. B.V. optreedt, en dat genoemd

incidenteel appel, anders dan uit het verweerschrift

blijkt, geacht moet worden namens X. B.V. naar voren te

zijn gebracht.

De Raad stelt vast dat namens X. B.V. geen hoger beroep

is ingesteld tegen het betreffende onderdeel van de

uitspraak waarbij X. B.V. in de namens haar ingestelde

beroepen niet ontvankelijk is verklaard. Nu de Awb niet

voorziet in de mogelijkheid van incidenteel appel als

voorgestaan door voornoemde gemachtigde, komt de Raad aan

een bespreking van die grief niet toe.

Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of

appellants besluiten van 7 oktober 1994 en 10 oktober

1994 in rechte stand kunnen houden.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens de ter beschikking staande gegevens is gedaagde

op 15 februari 1982 bij X. B.V. in dienst getreden als

administratief medewerkster. Op 18 september 1986 viel

zij uit wegens pijnklachten aan nek en linker bovenarm.

Met ingang van 6 oktober 1986 hervatte zij haar

werkzaamheden voor halve dagen. Nadat zij over de

daarvoor geldende maximum termijn een uitkering ingevolge

de Ziektewet (ZW) had ontvangen, werd gedaagde met ingang

van 19 september 1987 in aanmerking gebracht voor

uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een

mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Naar aanleiding van een door gedaagde op 7 juni 1990

ingevuld inlichtingenformulier AAW/WAO werd door de

Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) een onderzoek

ingesteld. Hieruit kwam naar voren dat gedaagde bij haar

werkgeefster met ingang van 1 januari 1990 werkzaamheden

als directie-secretaresse had aanvaard, in verband

waarmee haar salaris ingaande die datum was verhoogd van

f 1.842,10 naar f 2.292,10 per maand. Aangezien gedaagde

onverminderd voor maximaal halve dagen belastbaar werd

geacht, werd de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse

45 tot 55% ongewijzigd gehandhaafd.

Nadat uit een zogeheten informatieformulier bij samenloop

AAW/WAO-ZW d.d. 18 februari 1993 was gebleken dat

gedaagdes verdiensten f 5.460,- per maand bedroegen, werd

wederom een GMD-onderzoek ingesteld, waaruit naar voren

kwam dat gedaagde inmiddels - vanaf 1 januari 1992 -

gedurende 3 tot 6 uur per dag werkzaam was als hoofd

staf, een coördinerende/leidinggevende functie. Haar

salaris was in verband hiermee in 1992 vastgesteld op

f 4.750,- per maand, en in 1993 op f 5.460,- per maand.

Conform GMD-advies heeft appellant bij besluit van 10 mei

1993 ingaande 1 januari 1992 de uitbetaling van gedaagdes

uitkeringen onder toepassing van artikel 34 (oud) van de

AAW en artikel 45 (oud) van de WAO op nihil gesteld,

alsmede, bij besluit van 11 mei 1993, gedaagdes

uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1

mei 1993 ingetrokken, onder overweging dat de mate van

haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder bedroeg

dan 15%.

Bij uitspraak van 24 maart 1994 heeft de rechtbank te

Arnhem de tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond

verklaard, en die besluiten vernietigd. Daarbij overwoog

de rechtbank het voorshands niet aannemelijk te achten

dat de bedragen die gedaagde sedert 1 januari 1992 van

haar werkgeefster ontving - zij kreeg, ondanks dat zij

minder uren werkte, dezelfde beloning als de overige

leden van het managementteam waarvan zij deel

uitmaakte - in hun geheel kunnen worden beschouwd als

contra-prestatie voor de door haar verrichte arbeid, en

dat de veronderstelling is gewettigd dat de

werkgeefster - uit sociale overwegingen - gedaagdes

uitkeringen en loon heeft willen aanvullen tot het

salarisniveau van voltijds werkend lid van het managementteam.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant, in het

kader van een - eventuele - nadere beoordeling van

gedaagdes aanspraken per 1 januari 1992, de vraag zal

dienen te beantwoorden of zich in het geval van gedaagde

de situatie voordoet dat de door haar tot 1 januari 1992

vervulde functie sedertdien een zodanige ontwikkeling

heeft doorgemaakt, dat uit dien hoofde dient te worden

gesproken van een ontwikkeling van de maatvrouw.

Appellant heeft in die uitspraak berust en heeft de GMD

verzocht nader van advies te dienen. De arbeidsdeskundige

E.C.C. Blankesteijn is vervolgens, als aangegeven in het

door hem opgestelde rapport van 7 september 1994, ervan

uitgegaan dat de helft van het door gedaagde in 1992 en

1993 ontvangen salaris, derhalve respectievelijk bedragen

van f 2.375,- en f 2.730,-, als inkomen uit arbeid is te

beschouwen. Voorts zag hij in de promoties van gedaagde

geen aanleiding haar maatvrouw te wijzigen, zodat deze

ongewijzigd diende te worden bepaald op de administratief

medewerkster. Uitgaande van die maatvrouw en een

resterende verdiencapaciteit van f 2.730,-, kwam hij tot

het advies gedaagde ingaande 1 mei 1993 in te delen in de

arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

Appellant heeft vervolgens, in overeenstemming met de

hiervoor weergegeven benadering van de GMD, bij de

bestreden besluiten van 7 oktober 1994 en 10 oktober 1994

omtrent de uitbetaling van en het recht op uitkeringen

van gedaagde beslist als aangegeven in rubriek I.

In de aangevallen uitspraak is overwogen dat het in casu

in de rede ligt om aansluiting te zoeken bij de uitspraak

van de Raad, gepubliceerd in RSV 1993/317, waarin de Raad

een uitzondering aannam op de hoofdregel dat als maatman

dient te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid

verricht als de verzekerde vóór het ontstaan van de

arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Aangenomen moet worden, aldus de President van de

rechtbank, dat als gedaagde in verband met haar

gezondheidstoestand niet 20 uur per week, maar in haar

huidige functie 40 uur per week werkzaam was geweest,

haar loon in de door haar thans uitgeoefende functie,

evenals de aan de overige leden van het managementteam

toegekende beloning, per 1 januari 1992 f 4.750,- en per

1 januari 1993 f 5.460,- per maand zou hebben bedragen,

waaruit volgt dat het loon van gedaagde een ontwikkeling

heeft doorgemaakt als in voormelde uitspraak van de Raad bedoeld.

Aldus uitgaande van een aanzienlijk hoger maatvrouwloon

in 1992 en 1993, oordeelde de President dat ingaande

1 januari 1992 geen sprake was van inkomsten die meer

bedroegen dan evenredig was aan de bestaande mate van

arbeidsgeschiktheid, in verband waarmee appellant ten

onrechte toepassing heeft gegeven aan de

kortingsartikelen, alsmede dat gedaagde vanaf 1 mei 1993

ongewijzigd voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt moet worden geacht.

De Raad ziet de door appellant tegen de in de aangevallen

uitspraak gevolgde benadering aangevoerde grieven doel

treffen. Ook naar het oordeel van de Raad kan de situatie

van gedaagde niet op één lijn worden gesteld met de

- specifieke - situatie zoals die zich voordeed in het door

de Raad in evenvermelde uitspraak berechte geval.

Naar uit de gedingstukken naar voren komt en ook van de

zijde van gedaagde ter zitting van de Raad is bevestigd,

heeft het bedrijf waar gedaagde sedert 1982 werkzaam is,

in de loop der jaren een aanzienlijke groei doorgemaakt,

in verband waarmee in 1992 behoefte bestond aan

uitbreiding van het leidinggevend kader. Aangezien

gedaagde in de door haar tot dat moment beklede functie

van directie-secretaresse kennelijk goed voldeed, en zij

naar het oordeel van de werkgever voorts beschikte over

de daarvoor benodigde kwaliteiten, werd zij per 1 januari

1992 als hoofd staf opgenomen in het managementteam, met

een daarbij behorende aanzienlijke salarisverhoging.

Gelet op deze gang van zaken vermag de Raad, anders dan

de President van de rechtbank, niet in te zien dat in het

geval van gedaagde - gelijk in RSV 1993/317 - sprake zou

zijn van iemand die de van meet af aan beklede eigen

functie in kwalitatief opzicht heeft uitgebreid en aldus

voor de werkgever meer waard is geworden. De onderhavige

salarisverhoging van gedaagde per 1 januari 1992 dient

beschouwd te worden als de uitkomst van een reguliere

promotie per die datum naar een andere functie, in welk

geval voor het aannemen van een ontwikkeling van de

maatvrouw als voorgestaan in de aangevallen uitspraak

geen plaats is.

De Raad voegt daaraan toe dat de aanvaarding door

gedaagde van de functie hoofd staf evenmin in verband kan

worden gebracht met het verwerven van nieuwe bekwaamheden

als bedoeld in artikel 12, lid 2 van de AAW en

artikel 21, lid 2 (oud) van de WAO, zodat ook die - namens

gedaagde bepleite - weg niet kan leiden tot het door

gedaagde voorgestane resultaat.

Ten slotte kan op de hiervoor met betrekking tot de (het)

in aanmerking te nemen maatman(inkomen) weergegeven

hoofdregel ook geen uitzondering worden aanvaard op grond

van de zienswijze dat reeds ten tijde van het intreden

van gedaagdes arbeidsongeschiktheid in 1986 met een

redelijke mate van zekerheid kon worden aangenomen dat

haar inkomen deze ontwikkeling zou hebben doorgemaakt als

zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, daar de

voorliggende gegevens geen enkel aanknopingspunt voor een

dergelijke aanname bieden.

Hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen in het kader van

gedaagdes promotie van directie-secretaresse tot

hoofd-staf in 1992, geldt in gelijke mate voor haar

promotie in 1990 van administratief medewerkster tot

directie-secretaresse.

De Raad komt aldus tot de slotsom dat de

arbeidsdeskundige van de GMD en - in navolging van deze -

appellant de voor gedaagde in acht te nemen maatvrouw

terecht heeft bepaald op de door haar voorafgaande aan

het intreden van haar arbeidsongeschiktheid uitgeoefende

functie van administratief medewerkster.

In het voorgaande ligt besloten dat de Raad gedaagde niet

kan volgen in haar opvatting dat het onderzoek door de

GMD en appellant naar de in casu in acht te nemen

maatvrouwfunctie onvoldoende (zorgvuldig) is geweest en

de beschikbare arbeidskundige gegevens, in het bijzonder

in verband met het ontbreken van een nader onderzoek ter

plaatse bij X. B.V., geen basis konden vormen voor een

verantwoorde oordeelsvorming ter zake.

Het bovenstaande kan evenwel niet leiden tot een bevestigende

beantwoording van de hiervoor geformuleerde rechtsvraag.

De Raad merkt hierbij op dat de gedingstukken uitwijzen

dat appellant het op de data in geding, respectievelijk

1 januari 1992 en 1 mei 1993, in acht te nemen

maatvrouw-loon heeft bepaald door middel van indexering

van het voor gedaagde vastgestelde dagloon, hetgeen, naar

van de zijde van appellant ter zitting van de Raad werd

bevestigd, niet als de juiste methode kan worden

aangemerkt. Appellant had bij X. B.V. dienen na te gaan

wat een administratief medewerkster als gedaagde op

genoemde data in geding aldaar verdiende en dat bedrag

c.q. die bedragen tot uitgangspunt dienen te nemen bij de

vaststelling van het maatvrouwloon.

Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot het oordeel dat

de aangevallen uitspraak, in zoverre deze in hoger beroep

is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.

Datzelfde lot treft de beide bestreden besluiten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75

van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten

van gedaagde in beroep en in hoger beroep. Deze kosten

worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand

in eerste aanleg, f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand

in hoger beroep, alsmede een bedrag groot f 31,17 aan

reiskosten van gedaagde.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het

bepaalde in artikel 24 van de Beroepswet, dient het door

gedaagde in eerste aanleg betaalde griffierecht door

appellant te worden vergoed.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Vernietigt de bestreden besluiten;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, in

eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger

beroep tot een bedrag groot f 1.451,17;

Verstaat dat appellant aan gedaagde het in eerste aanleg

betaalde griffierecht van f 100,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en

mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in

tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 7 maart 1997.

(get.) J. Janssen.

(get.) B.C. Rog.