Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-1997
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
96/382 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstrekken van informatie is geen besluit. Doorzendplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1997/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/382 AW O

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 30 november 1995

onder nr AWB 95/2831 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij

wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 januari 1997, waar

appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten

vertegenwoordigen door M. Smit, werkzaam bij gedaagdes

ministerie.

II. MOTIVERING

Appellant heeft gedaagde bij brief van 18 juli 1994 verzocht

om een schriftelijke verklaring, inhoudende dat zijn

dienstverband bij het Ministerie van Onderwijs en

Wetenschappen en zijn dienstverband met de Koninklijke

Bibliotheek een ononderbroken dienstverband zijn als bedoeld

in artikel 36, derde lid, van het Besluit werkloosheid

onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO).

Namens gedaagde is bij brief van 5 augustus 1994 mededeling

gedaan van zijn conclusie dat de tijd voor 1 juni 1990 niet

kan meetellen voor een eventuele bovenwettelijke

werkloosheidsuitkering op grond van het BWOO. De brief eindigt

met de zinsnede: "Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te

hebben ingelicht".

Bij besluit van 26 januari 1995 heeft gedaagde overeenkomstig

het advies van de adviescommissie Interne

Bezwaarschriftprocedure appellant niet-ontvankelijk verklaard

in zijn bezwaar tegen de brief van 5 augustus 1994.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant

terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar en

overweegt daartoe het volgende.

Artikel 8 van het BWOO bepaalt dat het uitvoeringsorgaan

vaststelt of een recht op uitkering (ter zake van

werkloosheid) bestaat, nadat daartoe een aanvraag is

ingediend. De uitvoering van het BWOO is in artikel 1 van de

Regeling aanwijzing van de uitvoeringsorganen in de zin van

het BWOO voor universiteiten, academische ziekenhuizen en

onderzoekinstellingen opgedragen aan de Minister van

Binnenlandse Zaken.

Gedaagde heeft in antwoord op appellants brief van 18 juli

1994 mededeling gedaan van zijn interpretatie van het begrip

ononderbroken dienstverband in de zin van artikel 36 van het

BWOO, zulks met betrekking tot een mogelijke toekomstige

toepassing van die regeling ten aanzien van appellant.

De Raad ziet niet dat gedaagde met het geven van de informatie

als hier aan de orde enig rechtsgevolg heeft beoogd of dat

zulks enige rechtens relevante betekenis heeft voor de

rechtspositie van appellant.

Er is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling

en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen ingevolge het

bepaalde in artikel 7:1 en 8:1 van die wet bezwaar en beroep

kan worden ingesteld, en evenmin van een voor bezwaar en

beroep vatbare andere handeling als bedoeld in het tweede lid

van artikel 8:1 van de Awb.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde

appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn

bezwaar, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden

bevestigd.

De Raad wil nog opmerken dat hij, anders dan de rechtbank,

niet ziet dat de in artikel 2:3, eerste lid, van de Awb

opgenomen verplichting voor het bestuursorgaan tot onverwijlde

doorzending van geschriften tot behandeling waarvan kennelijk

een ander bestuursorgaan bevoegd is, aan dat orgaan, zou zijn

beperkt tot besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Gelet op het eerderoverwogene ziet de Raad geen aanleiding om

toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr

Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in

tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 13 februari 1997.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.H. Beijer.

HD

14.02