Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-1997
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
95/9336 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een voorlopige erkenning van een vordering door de curator in een faillissement betekent niet dat de bedrijfsvereniging zonder meer gehouden is uit te gaan van de rechtsgeldigheid van die vordering. Aan een deugdelijk gemotiveerde voorlopige erkenning moet echter wel gewicht worden toegekend. Gelet op de tekst van de onderhavige beëindigingsovereenkomst en de context waarin die tot stand is gekomen heeft de verleende finale kwijting slechts betrekking op de regeling in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarmee is derhalve niet beoogd tevens kwijting te verlenen terzake van de betalingsverplichtingen van de werkgever tot het einde van die overeenkomst, waaronder de verplichting tot betaling van vakantietoeslag.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 61, geldigheid: 1997-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1997/30
RSV 1997, 129

Uitspraak

95/9336 WW O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de

Metaalnijverheid, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is mr M. de Jong, advocaat te Tilburg, op bij

aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep

gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te [vestigingsplaats]

onder dagtekening 16 november 1995 tussen partijen gegeven

uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen nog nadere stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

17 december 1996, waar appellant is verschenen bij zijn

gemachtigde mr De Jong voornoemd, en waar gedaagde zich heeft

doen vertegenwoordigen door E.J.J. Loontjens, werkzaam bij Gak

Nederland bv.

II. MOTIVERING

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, waarin

appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder,

de navolgende feiten en omstandigheden als vaststaand

aangenomen:

"Eiser is tot 1 juni 1993 in dienstbetrekking

werkzaam geweest bij [naam B.V.],

gevestigd te [vestigingsplaats]. Het dienstverband is met

wederzijds goedvinden beëindigd.

Partijen hebben daartoe op 3 juni 1993 een

beëindigingsovereenkomst getekend. In deze

overeenkomst is onder andere verwoord:

" ... [appellant 1] treedt derhalve per 1 juni 1993

uit dienst van [naam B.V.] en

maakt geen aanspraak op verdere betalingen van

salaris etc.

Ter gedeeltelijke tegemoetkoming in de nadelen

voor [appellant 1] zal aan hem een

schadeloosstelling worden verstrekt van f

13.500,-- bruto, en zal netto f 8.416,-- worden

uitbetaald voor eind juni 1993.

Partijen verklaren voorts na uitvoering van het

voorgaande niets meer van elkaar te vorderen te

hebben en elkaar over en weer finale kwijting

te verlenen.".

Tussen eiser en zijn ex-werkgeefster is, na beëindiging van

het dienstverband, een geschil ontstaan over de uitbetaling

van vakantietoeslag over de periode juni 1992 tot en met mei

1993. Eiser heeft betaling verzocht van de niet-ontvangen

vakantietoeslag.

[naam B.V.] heeft geweigerd de vakantietoeslag

uit te betalen, stellende dat eiser met de ondertekening van

de overeenkomst van 3 juni 1993 uitdrukkelijk heeft verklaard

niets meer van haar te vorderen te hebben. De door eiser

vervolgens begonnen kantongerechtsprocedure is als gevolg van

het faillissement van [naam B.V.] op

31 maart 1994 geschorst.

Op 2 mei 1994 heeft eiser verweerder verzocht op grond van

artikel 61 van de WW de loonbetalingsverplichting

(vakantietoeslag juni 1992-mei 1993) over te nemen.

Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. In zijn besluit van 17

augustus 1994 overweegt verweerder primair dat op grond van

artikel 61 van de WW geen betaling kan plaatsvinden omdat

eiser geen vordering heeft op zijn ex-werkgeefster nu per 1

juni 1993 een eindafrekening heeft plaatsgevonden tegen

"finale kwijting". Subsidiair overweegt verweerder dat, indien

er nog wel een loonvordering op de failliete werkgeefster zou

bestaan, er geen verband bestaat tussen het ontstaan van de

eventuele vordering en de oorzaak die heeft geleid tot het

faillissement van deze werkgeefster.

Alvorens op 7 september 1994 bezwaar aan te tekenen tegen het

besluit van verweerder bericht de curator in het faillissement

van [naam B.V.] op 6 september 1994 aan eiser

zijn vordering te hebben erkend en te hebben geplaatst op de

lijst van voorlopige erkende schuldvorderingen.

In het bestreden besluit van 17 november 1994 overweegt

verweerder dat de erkenning van de vordering van eiser door de

curator nog niet betekent dat de vordering ook in rechte

vaststaat. Voorts overweegt verweerder dat de curator een

niet-aanvaardbare uitleg heeft gegeven aan de finale kwijting

en dat door de ondertekening van de overeenkomst van 3 juni

1993 tegen finale kwijting, werkgeefster en werknemer geen

enkele vordering meer op elkaar hebben. Verweerder overweegt

tenslotte dat, zo er al wel een vordering van eiser op zijn

ex-werkgeefster bestaat, artikel 62, aanhef en sub b, van de

WW geen toepassing kan vinden dat er geen relatie bestaat

tussen de niet-uitbetaling van de vakantietoeslag en het

faillissement.".

Die door partijen niet betwiste feiten en omstandigheden

worden ook door de Raad bij zijn oordeelsvorming als

uitgangspunt genomen.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit van

17 november 1994 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Aan de orde is de vraag of gedaagde op juiste gronden heeft

geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge hoofdstuk IV

van de WW te verstrekken terzake van vakantietoeslag die

appellant nog van [naam B.V.] (hierna:

[de B.V.]) tegoed zou hebben.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

De Raad constateert dat de curator van [de B.V.] de

vordering met betrekking tot de vakantietoeslag voorlopig

heeft erkend. Deze voorlopige erkenning, die van belang is

voor de verificatie van de schulden van [de B.V.], heeft

evenwel, anders dan appellant van mening is, niet tot gevolg

dat gedaagde bij de uitvoering van hoofdstuk IV van de WW

zonder meer gehouden zou zijn uit te gaan van de

rechtsgeldigheid van de vordering. Gedaagde zal zelf een

oordeel dienen te geven omtrent het al dan niet bestaan van

het vorderingsrecht, waartoe gedaagde zonodig zelf het

benodigde onderzoek zal moeten doen om tot een verantwoorde

beslissing te komen. Daarbij is het in de eerste plaats van

belang te weten om welke reden de curator de vordering

voorlopig heeft erkend. Betreft het immers een deugdelijk

gemotiveerde voorlopige erkenning dan is dat een factor

waaraan bij de beoordeling gewicht toegekend moet worden.

Van de zijde van appellant is in eerste aanleg een brief van

17 februari 1995 van de curator van [de B.V.] overgelegd,

waarin deze curator nader motiveert waarom de vordering van

appellant volgens hem terecht was. Daaraan heeft de curator

toegevoegd dat hij [de B.V.] in dezelfde zin geadviseerd zou

hebben, indien hij niet als curator in het faillissement maar

als juridisch adviseur van [de B.V.] zou zijn opgetreden.

Van deze motivering vermeldt de Raad hier de navolgende

passages:

"De akte van kwijting d.d. 3 juni 1993 spreekt

slechts over de vastgestelde noodzaak tot

beëindiging van de relatie en bepaalt als datum van

beëindiging 1 juni 1993; van verdere - dus voor wat

betreft de periode ná 1 juni 1993 - betaling van

salaris etc. wordt afgezien.

In de alinea volgend op het vorenstaande wordt

vastgesteld welke vergoeding betaald zal worden "ter

gedeeltelijke tegemoetkoming in de nadelen". Er kan

geen twijfel over bestaan dat met "nadelen" slechts

gedoeld kán worden op nadelen in verband met de

beëindiging van het dienstverband per 1 juni 1993.

De kwijting in de laatste alinea van deze akte kan

toch slechts betrekking hebben op de regeling in

verband met de beëindiging, omdat daarin

uitdrukkelijk verwezen wordt naar "het voorgaande"

en het voorgaande over niets anders handelt dan over

de beëindiging. Indien het van de zijde van

[naam B.V.] de intentie zou zijn

geweest om ook het verleden te regelen met de akte,

had in de kwijting uitdrukkelijk vermeld moeten

worden dat ook kwijting verleend werd voor wat

betreft bestaande verplichtingen op grond van de

arbeidsrelatie; nu heeft de finale kwijting wat mij

betreft op niets anders betrekking dan op de

beëindiging zelf van de arbeidsrelatie.".

Gedaagde blijft zich, ook na kennisname van de nadere

motivering van de curator, op het standpunt stellen dat de

laatste alinea van de overeenkomst niet anders gelezen kan

worden dan dat door appellant totale kwijting is verleend,

derhalve ook voor de nog uit de arbeidsovereenkomst

voortvloeiende betalingsverplichtingen tot 1 juni 1993, zodat

het recht van appellant op vakantietoeslag teniet is gegaan.

De Raad overweegt hieromtrent dat bij de beoordeling van de

strekking van de op 3 juni 1993 door appellant en [de B.V.]

getekende beëindigingsovereenkomst, zeker nu het hier een

onderhandse akte betreft, niet alleen de tekst van de

overeenkomst van belang is, maar ook de context waarin die

beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen.

In dat verband wijst de Raad erop dat de gemachtigde van

appellant op 1 juni 1993 een schriftelijk voorstel omtrent de

beëindiging van de overeenkomst aan [de B.V.] heeft doen

toekomen, met daarin opgenomen een te betalen schadevergoeding

van f 27.500,--, welk bedrag gebaseerd was op de duur van het

dienstverband en de oorzaak van de verstoorde

arbeidsverhouding.

In dat voorstel is er uitdrukkelijk op gewezen dat het betalen

van een eventuele schadevergoeding uiteraard de afrekening van

de dienstbetrekking (loon, vakantietoeslag en vakantiedagen)

onverlet zou laten.

Verder acht de Raad van belang dat in de

beëindigingsovereenkomst niet uitdrukkelijk afstand is gedaan

van het uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende recht op

loon en vakantietoeslag tot 1 juni 1993. Voorts is niet

gebleken dat appellant in de onderhandelingen uitdrukkelijk

akkoord is gegaan met het vervallen van zijn aanspraak op

vakantietoeslag in ruil voor de bedongen schadeloosstelling.

Gelet op vorenvermelde omstandigheden onderschrijft de Raad,

anders dan de rechtbank, de strekking van het door de curator

van [de B.V.] ingenomen standpunt dat de kwijting in de

laatste alinea van de akte redelijkerwijs slechts betrekking

kan hebben op de regeling in verband met de beëindiging van de

overeenkomst en dat appellant daarmee niet heeft beoogd, en

[de B.V.] ook redelijkerwijs niet kon aannemen, dat

appellant kwijting verleende terzake van de

betalingsverplichtingen die betrekking hebben op de periode

tot 1 juni 1993, waaronder de verplichting tot betaling van

vakantietoeslag.

Overigens wil de Raad niet onvermeld laten dat [de B.V.]

kennelijk de bedoelde kwijting ook niet heeft gezien als een

totale kwijting met betrekking tot alle arbeidsrechtelijke

verplichtingen. Van de zijde van appellant is namelijk

onweersproken gesteld dat [de B.V.] na het ondertekenen van

de beëindigingsovereenkomst, behalve de overeengekomen

schadeloosstelling, ook het nog uitstaande loon over de maand

mei 1993 heeft betaald.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat gedaagde zich in

het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft

gesteld dat appellant geen vordering op [de B.V.] zou hebben

wegens niet betaalde vakantietoeslag.

Ter zitting van de Raad heeft gedaagde meegedeeld dat de

subsidiair in het bestreden besluit opgenomen weigeringsgrond

niet langer wordt gehandhaafd.

Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit voor

vernietiging in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de

aangevallen uitspraak, aangezien daarin dat besluit ten

onrechte in stand is gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van

de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze

kosten worden begroot op f 1.420,-- wegens rechtsbijstand in

beroep en f 1.420,-- wegens rechtsbijstand in hoger beroep,

totaal f 2.840,--. Van andere op grond van het Besluit

proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking

komende kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 17 november 1994;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt

met inachtneming van hetgeen in 's Raads uitspraak is

overwogen;

Verstaat dat gedaagdes bedrijfsvereniging aan appellant het

gestorte recht van f 200,-- vergoedt;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in

beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

f 2.840,--, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging aan

de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr

J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in

tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 21 januari 1997.

(get.) P.H. Hugenholtz.

(get.) G. Leppink-Kooistra.

RH

2101