Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1997:AL3447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-1997
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
96/5284 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als een gestelde vordering op een werkgever niet duidelijk aanwijsbaar is en aan gerede twijfel onderhevig, bestaat geen verplichting om een verzoek tot overneming van die betalingsverplichting te honoreren. De betrokkene heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de werkgever met de gestelde salarisverhoging heeft ingestemd, terwijl de werkgever tegenover het uitvoeringsorgaan uitdrukkelijk heeft betwist dat betrokkene aanspraak kon maken op het gestelde hogere salaris. Hoewel uitdrukkelijk uitgenodigd, heeft betrokkene de twijfel omtrent het bestaan van de vordering niet kunnen wegnemen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 64
Werkloosheidswet 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1997/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/5284 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellant is mr J. Bisschop, advocaat te Kampen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem onder dagtekening 26 april 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 september 1997, waar voor appellant is verschenen mr Bisschop, voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen mr J.A.M. der Weduwen, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

Appellant was laatstelijk werkzaam als projectleider bij de [naam stichting] te [vestigingsplaats] (verder: de Stichting). Bij schrijven van 19 september 1992 heeft het bestuur van de Stichting aan appellant medegedeeld dat zijn dienstbetrekking "per heden" wordt opgezegd. Appellant heeft tot 1 september 1992 loon ontvangen.

Op 23 september 1992 heeft het bestuur tot liquidatie van de Stichting besloten. Op 26 oktober 1992 heeft appellant gedaagde verzocht om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (hierna: WW) terzake van achterstallige betalingsverplichtingen van de Stichting. Tussen partijen is niet in geschil dat, uitgaande van 19 september 1992 als datum van ontslagaanzegging, de alsdan in acht te nemen opzegtermijn eindigt op 13 december 1992. Met ingang van 14 december 1992 heeft gedaagde appellant een uitkering op grond van hoofdstuk II (oud) van de WW toegekend.

Bij het bestreden besluit van 22 juni 1993 heeft gedaagde geweigerd betalingsverplichtingen van de Stichting over te nemen op grond van de navolgende overwegingen:

"Volgens de werkgever is aan u tot en met de opzegtermijn het volledige loon betaald. Op 29 september 1992 heeft de werkgever u een brief gezonden met daarin de mededeling dat het u nog toekomende salaris verrekend wordt met uw nog openstaande schuld aan de Stichting. Hierbij is de Stichting uitgegaan van een rechtens geldend loon van f 5.200,-- bruto per maand.

Uw vordering is gebaseerd op een bruto maandloon van f 6.500,--. Volgens de werkgever is in voorgaande jaren wel gesproken over aanpassing (verhoging) van uw bruto loon, maar heeft geen verhoging plaatsgevonden. Er is nimmer een bestuursbesluit over genomen omdat de financiële positie van de Stichting dat niet toeliet. U zou zelf aan de boekhouder opdracht gegeven hebben aan u een hoger loon (f 6.500,--) te betalen per 1 januari 1992. De openstaande schuld aan de Stichting is ontstaan door het verschil tussen het geldend brutoloon f 5.200,-- en het ontvangen bedrag van bruto f 6.500,-- per maand.

Er zijn geen bewijsstukken aangeleverd waaruit zou blijken dat de werkgever heeft ingestemd met een loonsverhoging.

Op grond van Hoofdstuk IV van de WW is overneming van de uit de dienstbetrekking voortvloeiende loon-betalingsverplichtingen alleen mogelijk wanneer de werkgever in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling is verleend of wanneer er aan de zijde van de werkgever sprake is van een blijvende betalingsonmacht.

De [naam stichting] is niet failliet verklaard, er is geen surséance van betaling verleend en niet gebleken is dat er sprake is van een blijvende betalingsonmacht.

Het bestuur van de bedrijfsvereniging is van mening dat er geen sprake is van een blijvende betalingsonmacht aan de zijde van de werkgever. U hebt daarom geen recht op overneming door de bedrijfsvereniging van de uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen van de werkgever.".

Tijdens het beroep in eerste aanleg heeft appellant betwist dat de Stichting aan al zijn loonbetalingsverplichtingen heeft voldaan. Voorts is aangevoerd dat de Stichting ten tijde hier in geding wel in een situatie van betalingsonmacht, als bedoeld in hoofdstuk IV van de WW, verkeerde. Op 6 februari 1995 heeft tussen appellant en de Stichting ten overstaan van de kantonrechter te Arnhem een comparitie plaatsgevonden in het kader van een door appellant tegen de Stichting aangespannen procedure naar aanleiding van het aan appellant gegeven ontslag. Tijdens deze comparitie is een schikking tot stand gekomen tussen appellant en de Stichting, waarbij appellant zijn loonvordering heeft beperkt tot f 5.000,-- netto. Overeengekomen is dat na voldoening van dat bedrag door de Stichting partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar zonodig kwijting verlenen. De procedure is vervolgens geroyeerd.

De rechtbank heeft het ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is ten gevolge van de door appellant en de Stichting getroffen schikking, op grond waarvan de Stichting het bedrag van f 5.000,-- netto ook daadwerkelijk heeft betaald, in rechte onherroepelijk komen vast te staan dat appellant rechtens geen vordering meer op de Stichting heeft. Gelet hierop voldoet appellant ook niet aan de in artikel 61 van de WW neergelegde voorwaarde om voor uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking te komen.

In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat blijvende betalingsonmacht van de Stichting er de oorzaak van is geweest dat appellant genoegen heeft genomen met betaling van meergenoemd bedrag van f 5.000,--. Van appellant kon niet worden verwacht dat hij onder die omstandigheden de procedure voortzette. Dit laat echter naar het oordeel van appellant onverlet de mogelijkheid van gedaagde om de onbetaald gebleven loonvordering, voor zover deze althans valt toe te rekenen aan de in artikel 64 van de WW genoemde termijnen, op grond van het bepaalde in artikel 61 van de WW over te nemen.

De Raad overweegt het volgende.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde niet alleen de gevraagde uitkering geweigerd omdat er geen sprake was van betalingsonmacht, maar ook, zoals ter zitting van de Raad nader is toegelicht, omdat voor gedaagde niet vaststond dat appellant nog iets van de Stichting te vorderen had. Gedaagde heeft er in dit verband op gewezen dat appellant geen bewijsstukken heeft overgelegd, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de Stichting met een salarisverhoging per 1 januari 1992 heeft ingestemd. Daarentegen heeft de Stichting tegenover gedaagde uitdrukkelijk medegedeeld te betwisten dat appellant per 1 januari 1992 aanspraak kon maken op een salaris van f 6.500,-- bruto per maand. Voorts heeft de Stichting -niet geheel ononderbouwd- gesteld ook vorderingen op appellant te hebben, welke niet slechts betroffen het teveel uitbetaalde salaris over 1992.

Gezien voornoemde omstandigheden kon gedaagde zich naar het oordeel van de Raad bij de totstandkoming van het bestreden besluit op het standpunt stellen dat appellants vordering niet duidelijk aanwijsbaar was en aan gerede twijfel onderhevig. Zoals de Raad reeds meermalen heeft uitgesproken is een uitvoeringsorgaan in een dergelijke situatie niet gehouden een verzoek tot overneming van betalingsverplichtingen te honoreren.

De Raad is voorts van oordeel dat appellant de twijfel omtrent het bestaan van een vordering tijdens de procedure niet heeft kunnen wegnemen. Hoewel daartoe uitdrukkelijk door de rechtbank uitgenodigd, heeft appellants gemachtigde geen gegevens overgelegd, waaruit kon blijken dat appellant per 1 januari 1992 aanspraak had op een salaris van f 6.500,-- bruto per maand. Ter zitting van de Raad kon die gemachtigde evenmin stukken aanwijzen, waaruit zulks bleek. Anders dan kennelijk appellants gemachtigde, leest de Raad in het overgelegde proces-verbaal van schikking d.d. 6 februari 1995 niet dat de kantonrechter daarbij heeft vastgesteld dat appellant per 1 januari 1992 recht had op een salaris van f 6.343,-- bruto per maand. Weliswaar heeft de Stichting in het kader van die schikking erkend dat appellants salaris in 1992 f 6.343,-- bruto per maand bedroeg, maar de Raad verbindt aan dit enkele feit niet de consequenties, die appellants gemachtigde daaraan kennelijk verbonden wil zien.

Voorts kan de Raad uit die schikking geenszins afleiden dat appellant uitsluitend in verband met de financiële situatie van de Stichting accoord is gegaan met betaling van een bedrag van f 5.000,-- netto. Het wil de Raad voorkomen dat ook het feit dat de Stichting harerzijds heeft verklaard appellant niet in rechte aansprakelijk te houden of te zullen gaan houden voor de door appellant tijdens zijn dienstverband veroorzaakte schade, waarvan de Stichting heeft gesteld dat deze vele tienduizenden guldens beloopt, zal hebben meegespeeld bij appellants beslissing om een schikking aan te gaan. Welk argument bij appellant de doorslag heeft gegeven, kan de Raad niet beoordelen nu van de zijde van appellant kennelijk geen aanleiding is gezien de Raad, behalve het proces-verbaal van schikking, andere gegevens met betrekking tot de kantongerechtsprocedure te verstrekken.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen en dat de overeengekomen schikking de aan dat besluit ten grondslag gelegde motivering niet heeft aangetast. Met betrekking tot de als gevolg van de schikking voortgekomen vordering van f 5.000,-- merkt de Raad op dat die door de Stichting is voldaan. Reeds daarom was er voor gedaagde geen aanleiding te bezien in hoeverre zich hier een situatie voordeed als bedoeld in artikel 62, aanhef en onder b, van de WW.

Uit het voorgaande volgt het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november 1997.

(get.) P.H. Hugenholtz.

(get.) G. Leppink-Kooistra.

EB/RH

0711