Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-1996
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
95/8795 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een brief, met daaronder een beroepsclausule, wordt kennelijk nogmaals, en zonder noodzaak, een eerder genomen besluit tot weigering van ziekengeld bevestigd. De Raad kan die brief niet zien als een besluit dat op enig ander, zelfstandig rechtsgevolg is gericht, dan reeds was beoogd met het niet ingetrokken zijnde besluit tot weigering van ziekengeld, en kan die brief in zoverre dan ook niet aanmerken als een appellabel besluit in de zin van art. 1:3 Awb.

Zie ook uitspraak 31-1-1997, 95/4512 AAW/WAO, 95/4515 AAW/WAO, 95/4517 TW.

Zie eveneens 95/3401 AAW/WAO, 95/3402 AAW/WAO, 96/2612 AAW/WAO, 96/6116 AAW/WAO t/m 96/6128 AAW/WAO, 10-6-1997 [RSV 98/63] en 96/5870 AAW/WAO, 96/5873 AAW/WAO, 30-12-1997, RSV 98/234.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Ziektewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1997/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/8795 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 13 oktober 1994 is appellante namens gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit in het kader van de Ziektewet (ZW).

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 6 november 1995 het besluit vernietigd in zoverre (thans) appellante daarbij voor 60% geschikt werd verklaard over de periode van 13 tot 26 september 1994 onder gegrondverklaring van het beroep in zoverre, en het beroep tegen de geschiktverklaring per 26 september 1994 ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr P.H. de Jager, advocaat te Rotterdam, op de bij een aanvullend beroepschrift van 15 maart 1996 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij verweerschrift van 16 april 1996 heeft gedaagde aan de Raad meegedeeld van mening te zijn gebleven dat zijn besluit om aan appellante met ingang van 26 september 1994 geen verdere uitkering krachtens de ZW te verlenen op goede gronden is genomen.

Mr A.B.M. Koster, advocaat te Amersfoort, heeft de Raad bij brief van 10 september 1996 bericht de zaak van mr De Jager, voornoemd, te hebben overgenomen en heeft meegezonden een verklaring d.d. 6 september 1996 van de zenuwarts B.J.M. Franssen aan de huisarts van appellante.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 september 1996, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door A.L.J. Cakab als tolk.

Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid, zoals hij schriftelijk heeft bericht, niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Met betrekking tot gedaagdes besluitvorming overweegt de Raad eerst het volgende.

Bij brief van 13 oktober 1994 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van zijn besluit dat hij haar ter zake van haar ziektegeval van 1 april 1994 per 13 september 1994 voor 60% en per 26 september 1994 voor 100% arbeidsgeschikt acht en met ingang van 26 september 1994 geen verdere uitkering krachtens de ZW verleent. Tegen dat besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Op een vraag van de rechtbank heeft gedaagde bij brief van 3 april 1995 meegedeeld dat over de periode 13 september 1994 tot 26 september 1994 sprake was van gedeeltelijke weigering van ziekengeld onder toepassing van artikel 30 lid 2 ZW en dat daarvoor het op grond van in het artikel 30 lid 5 ZW bedoelde besluit vereiste advies van de Gemeenschappelijke Medische Dienst ontbrak.

Vervolgens stelde gedaagde appellante bij brief van 18 mei 1995 in kennis dat op gronden van zorgvuldigheid alsnog het haar toekomende ziekengeld over de periode van 13 september 1994 tot 26 september 1994 wordt uitgekeerd en dat haar met ingang van 26 september 1994 geen verdere uitkering krachtens de ZW wordt verleend. Het slot van die brief vermeldt de beroepsclausule van 14 dagen. Een afschrift van die brief is aan de rechtbank gezonden met het verzoek de nieuwe beschikking van 18 mei 1995 naast de bestreden beschikking van 13 oktober 1994 ten gronde te beoordelen.

De Raad stelt vast dat gedaagdes brief van 18 mei 1995 een besluit inhoudt waarbij het eerdere besluit van 13 oktober 1994 wordt gewijzigd voorzover het -impliciet- de weigering tot gedeeltelijke uitbetaling van het over de periode van 13 september 1994 tot 26 september 1994 toekomende ziekengeld betreft. Het besluit tot weigering van ziekengeld met ingang van 26 september 1994 is daarbij in stand gelaten. Met de brief van 18 mei 1995 heeft gedaagde klaarblijkelijk beoogd dit laatste nogmaals, en naar het oordeel van de Raad zonder noodzaak, te bevestigen.

Gelet op aanhef, inhoud en strekking daarvan kan de Raad dat stuk niet zien als een besluit dat op enig ander, zelfstandig rechtsgevolg is gericht, dan reeds was beoogd met het niet ingetrokken zijnde besluit van 13 oktober 1994, te weten de weigering van ziekengeld met ingang van 26 september 1994 op de grond dat appellante niet langer ongeschikt was tot het verrichten van haar werk. Derhalve kan de Raad die brief inzoverre niet als een appellabel besluit aanmerken.

De Raad acht het overigens wel juist dat de uitspraak van de rechtbank ertoe strekt om gedaagdes besluit van 13 oktober 1994 te vernietigen in zoverre appellante daarbij over de periode van 13 tot 26 september 1994 voor 60% geschikt werd geacht en haar over die periode gedeeltelijke uitbetaling van het ziekengeld is geweigerd-, zowel omdat door gedaagde niet tot een expliciete intrekking van dat onderdeel is overgegaan als ook omdat over ecartering van dit onderdeel geen enkele onzekerheid mag blijven bestaan.

De Raad kan zich hierna bepalen tot de partijen nog verdeeld houdende vraag of appellante terecht en op goede gronden met ingang van 26 september 1994 geen uitkering meer krachtens de ZW is toegekend.

De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, in bevestigende zin.

De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige, de psychiater dr J.B. Bakker, bij eigen onderzoek en met inachtneming van verkregen inlichtingen van A. de Jongh, maatschappelijk werker bij de RIAGG, en van de bedrijfsarts R.P.J. Ansem, de psychische spanningsklachten van appellante onder ogen heeft gezien. Blijkens zijn rapport van 4 september 1995 heeft hij wel een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming aangetroffen, maar niet van een zodanige ernst dat zij daardoor gedurende drie uur per dag niet haar eigen werk zou kunnen verrichten. Hij concludeerde dat appellante naar zijn medisch oordeel op en na 26 september 1994 geschikt was tot het verrichten van haar arbeid van medewerkster huishoudelijke dienst voor 15 uur per week.

De Raad tekent verder aan dat ook de voor algemeen geneeskundig onderzoek door evenbedoelde deskundige ingeschakelde arts R.W.M. Buers, blijkens zijn rapport van 28 juni 1995, in appellantes spierspanningsklachten zonder objectiveerbare afwijkingen en zonder enige functiestoornis en in haar maagklachten van niet-ernstige aard, geen reden zag dat appellante op en na 26 september 1994 ongeschikt was tot het verrichten van haar werk gedurende 15 uur per week.

De vanwege appellante in hoger beroep aangestipte bevindingen van de RIAGG en de nog nader overgelegde brief van de zenuwarts B.J.M. Franssen van 6 september 1996 bieden in elk geval onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante ten tijde in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven niet in staat was om haar meergenoemde part-time arbeid te verrichten.

Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en prof. mr J.B.J.M. ten Berge als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 1996.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.