Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-1996
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
96/1235 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet voorzieningen gehandicapten 2, geldigheid: 1996-10-29
Wet voorzieningen gehandicapten 3, geldigheid: 1996-10-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1997, 67

Uitspraak

96/1235 WVG

U I T S P R A A K

A., wonende te B., appellante,

en

het college van burgemeesters en wethouders van de

gemeente Maastricht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Gedaagde heeft bij een - hierna onder II meer uitvoerig

weergegeven - ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten

(WVG) genomen besluit van 18 april 1995 jegens appellante

onder meer overwogen dat in haar situatie het per 1 maart

1995 in Maastricht van start gegane systeem van

collectief vervoer van deur tot deur als een adequate

voorliggende voorziening moet worden beschouwd. Bij dat

besluit is voorts appellantes bezwaar tegen gedaagdes

eerdere primaire besluit d.d. 12 december 1994 afgewezen.

De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft het

namens appellante tegen voormeld besluit van 18 april

1995 ingesteld beroep ongegrond verklaard bij een tussen

partijen gewezen uitspraak van 20 december 1995, waarnaar

hierbij wordt verwezen.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen

bij de Raad. In het namens haar ingediende beroepschrift

zijn de gronden van het onderhavige hoger beroep uiteengezet.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en

- desverzocht - bij begeleidend schrijven van 23 augustus

1996 nadere gegevens ingezonden over het collectief

vervoer in Maastricht en de daaraan verbonden kosten.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden

op 17 september 1996. Appellante is daar niet verschenen.

Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen

door H.M. Pluymaeckers, werkzaam bij de afdeling sociale

zaken en welzijn van de gemeente Maastricht.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft appellante, geboren in 1932 en woonachtig

te B., in het kader van de WVG van 1 april 1994

tot 1 maart 1995 in het genot gesteld van een forfaitaire

vervoerskostenvergoeding ad f 135,-- per maand. Die voorziening

is door gedaagde met ingang van 1 maart 1995 in

verband met de invoering in Maastricht van het zogenoemd

collectief vervoer gewijzigd bij primair besluit van

12 december 1994. Bij dat besluit werd appellante op de

voet van de gemeentelijke Verordening Voorzieningen

Gehandicapten (hierna: de verordening) in aanmerking

gebracht voor deelname - onder begeleiding - aan het

collectief systeem van al dan niet aanvullend openbaar

vervoer (zogenoemd Vervoer op maat-systeem).

Naar aanleiding van het door appellante tegen het

zoëvengenoemd besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde

bij het onder I vermeld besluit van 18 april 1995 onder

meer het volgende overwogen:

"Kort samengevat voert u aan dat deelname aan het

vervoer op maat-systeem voor u niet mogelijk is m.n.

omdat u veelal niet kunt beschikken over begeleiding

die u bij dat collectieve vervoer noodzakelijk acht.

Tijdens een hoorzitting op 06-01-1995 heeft uw zoon

en gemachtigde, het bezwaarschrift mondeling toegelicht.

Benadrukt werd dat het (bijna) wekelijke bezoeken

van uw schoonzuster in Maastricht voor u een zeer

belangrijk sociaal kontakt is; uw vervoer hiernaar

toe via Vervoer op maat wordt door uw gemachtigde

aangemerkt als van aanzienlijk langere duur dan per

taxi en als zodanig als kapitaalvernietiging.

Verder werd meegedeeld dat u weliswaar enkele dagen

per week begeleid kunt worden door de thuiszorg,

maar u daarnaast en met name 's avonds meestal niet

over begeleiding beschikt. Naar aanleiding van de

mededeling dat uw medische toestand sinds medio 1994

is verslechterd, werd een hernieuwd medisch

onderzoek door de Gemeenschappelijke

Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg verricht

(op 23-01-1995). Bij schrijven van 27-01-1995 werd

aan u het medisch advies van de GGD toegezonden en u

de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen op dit

advies te reageren. Die termijn is verstreken zonder

dat van of namens u een reaktie werd ontvangen.

De overwegingen:

Met het bezwaarschrift heeft u de bedoeling, dat de

individuele geldelijke vergoeding voor

vervoerskosten, welke u tot 1 maart 1995 was

toegekend wegens het ontbreken van het collectief

systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer,

ook nu dit systeem is ingevoerd, vanaf 1 maart 1995

wordt voortgezet.

Vanaf 1 april 1994 is de Wet voorzieningen

gehandicapten van toepassing. Deze wet draagt de

gemeentebesturen op zorg te dragen voor de verlening

van onder meer vervoersvoorzieningen ten behoeve van

deelneming aan het maatschappelijk verkeer (art. 2 Wvg).

Welke voorzieningen dat zouden moeten zijn is niet

in de wet vastgelegd.

Aldus is er een gemeentelijke beleidsvrijheid ten

aanzien van de omvang en de inhoud van het lokale

voorzieningenpakket en wordt het gemeentebestuur in

staat gesteld om, gelet op de behoefte van de

individuele gehandicapte en de lokale mogelijkheden,

op een flexibele, efficiënte wijze de beperkingen

die de gehandicapte bij het zich binnen of buiten de

woning verplaatsen ondervindt weg te nemen of te verminderen.

De gemeenten krijgen op dit terrein veel meer

mogelijkheden, onder andere om in de plaats van

individuele financiële tegemoetkomingen andere

voorzieningen aan te bieden, zoals collectieve

vervoersvoorzieningen.

De voorzieningen die de gemeente aanbiedt dienen

verantwoord te zijn. Onder verantwoorde

voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die

doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden

verleend, met andere woorden er dient sprake te zijn

van adequate voorzieningen (art. 3 Wvg).

De gemeenten dienen hun zorgplicht nader uit te

werken in een verordening (art. 2 Wvg). De gemeente

Maastricht heeft dit vastgelegd in de Verordening

voorziening gehandicapten Maastricht 1994 (hierna te

noemen de Verordening).

Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kan de door

Burgemeester en Wethouders te verstrekken

vervoersvoorzieningen bestaan uit:

a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet

openbaar vervoer;

b. een voorziening in natura in de vorm van:

1. een al dan niet aangepaste huurauto; 2. een al

dan niet aangepaste gesloten buitenwagen in huur;

3. een open electrische buitenwagen in huur; 4. een

ander verplaatsingsmiddel in huur.

c. een vergoeding in de kosten van:

1. aanpassing van een eigen auto; 2. gebruik van een

bruikleen-/huurauto; 3. gebruik van een taxi of

eigen auto; 4. gebruik van een rolstoeltaxi.

De gemeente Maastricht heeft de voorkeur gegeven aan

een collectief systeem van aanvullend al dan niet

openbaar vervoer. Dit uitgangspunt is vastgelegd in

artikel 3.2, onder 2 aanhef, sub a en b van de

Verordening, waarin bepaald wordt dat een

gehandicapte voor een vervoersvoorziening als

bedoeld in artikel 3.1 onder b en c vermeld in

aanmerking kan worden gebracht wanneer:

a. aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of

gebrek het gebruik van een collectief systeem

onmogelijk maken, dan wel:

b. een collectief systeem niet aanwezig is.

In verband met het ontbreken van een collectief

systeem werd u een geldelijke vergoeding voor

vervoerskosten toegekend (tot 1 maart 1995).

Met ingang van 1 januari 1995 is het collectief

systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer

(Vervoer op Maat-systeem) in werking getreden.

Bij de behandeling van de Wet voorzieningen

gehandicapten in de Kamer is aangegeven dat het

collectief vervoerssysteem in het algemeen

aangemerkt kan worden als voorziening waarmee de

beperkingen die de gehandicapten bij het verplaatsen

buitenshuis ondervinden adequaat kunnen worden

weggenomen, dan wel worden verminderd.

Burgemeester en Wethouders zijn van oordeel dat het

Vervoer op Maat-systeem aangemerkt dient te worden

als een adequate voorziening. Het Maastrichtse model

voldoet aan de eisen, zoals opgesteld door een

werkgroep van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

De voorkeur voor het Vervoer op Maat-systeem houdt

in dat er dan in principe geen plaats meer is voor

een individuele verstrekking van een geldelijke

vergoeding voor vervoerskosten. Voortzetting van de

geldelijke vergoeding is alleen dan mogelijk in de

gevallen waarin aantoonbare beperkingen als gevolg

van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief

systeem onmogelijk maken.

Uit het advies van de Gemeenschappelijke

Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg van 10-02-1995

blijkt dat u gebruik kunt maken van het Vervoer

op Maat-systeem. Gekonstateerd wordt dat u geen

overstap kunt maken. Op grond daarvan is er een

indikatie voor van deur-tot-deur vervoer met

collectieve taxi als onderdeel van vervoer op maat.

Aan het gestelde in het medisch advies kan met het

Vervoer op Maat-systeem worden voldaan. Vervoer van

deur-tot-deur met collectieve taxi maakt onderdeel

uit van het vervoer op maat-systeem.

Naar aanleiding van hetgeen u opmerkt in uw

bezwaarschrift met betrekking tot het feit dat u

hulp krijgt bij het in- en uitstappen van de

chauffeur bij gebruik van de taxi zij vermeld dat

ook bij het Vervoer op Maat-systeem hulp in deze

wordt geboden.

Er zijn derhalve medisch geen beperkingen gebleken

die het gebruik van het Vervoer op Maatsysteem

onmogelijk maken.

In beginsel hoeft slechts rekening te worden

gehouden met vervoer op korte afstanden. Als

uitgangspunt geldt het leven van alledag en het

onderhouden van sociale contacten in de diverse

woon- of leefomgeving. Dit betekent dat bezoek of

deelname aan elders wonende sociale contacten in

beginsel buiten beschouwing blijven, tenzij er

sprake zou zijn van vereenzaming.

Hiervan is in uw situatie niet gebleken.

Overigens wordt u voor vervoer buiten Maastricht en

vervoer buiten de openstellingsuren van Vervoer op

Maat een tegemoetkoming ad f 475,- per jaar verstrekt.

Het betreft een forfaitaire vergoeding welke los

staat van de werkelijke kosten.

Het collectief systeem geldt als voorliggende

voorziening. Om die reden dient iedereen, los van

het gegeven of men liever iets anders wil, zo

mogelijk van dit systeem gebruik te maken.

De Gemeente heeft de verplichting om te zorgen voor

een adequate vervoersvoorziening en niet de plicht

om voor iedere gehandicapte de eigen keuze voor het

opheffen of verminderen van de beperking, die bij

het vervoer buitenshuis wordt ondervonden, te realiseren.

Resumerend wordt het Vervoer op Maat-systeem in uw

situatie als een adequate voorziening aangemerkt.

Ingevolge artikel 8.1, eerste lid van de Verordening

kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere

gevallen ten gunste van de gehandicapte afwijken van

de bepalingen in de verordening, indien toepassing

van de verordening tot onbillijkheden van

overwegende aard leidt.

Hetgeen u bij bezwaar aanvoert, vormt geen reden

hiervan af te wijken.".

In dit geding ziet de Raad zich gesteld voor de

beantwoording van de vraag of de in het bestreden besluit

vervat te achten toekenning van een vervoersvoorziening

bestaande uit collectief taxivervoer van deur tot deur

met daarnaast een vergoeding van f 475,-- per jaar, een

en ander als hiervoor vermeld, in rechte stand kan

houden.

De rechtbank heeft, lettend op de in het bestreden

besluit en de aangevallen uitspraak weergegeven

bepalingen van de WVG respectievelijk voormelde

gemeentelijke Verordening inzake voorzieningen voor

gehandicapten, deze vraag bevestigend beantwoord.

Daartoe is door die rechter - samengevat - overwogen

- dat gedaagdes gemeente met de keuze voor een collectief

vervoerssysteem als eerste in aanmerking komende

voorziening, is gebleven binnen de haar door de wetgever

gestelde grenzen;

- dat appellante, gelet op de bevindingen van de

Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst in staat is zich

zonder begeleiding te verplaatsen via het collectief

taxivervoer van deur tot deur;

- dat niet is gebleken dat appellante door de haar per

1 maart 1995 toegekende voorziening in een sociaal

isolement zal geraken;

- dat evenmin sprake is van (andere) zwaarwegende

bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van de

verordening.

De in eerste aanleg aangevoerde en in hoger beroep

herhaalde grieven van appellante tegen de wijziging van

haar vervoersvoorziening per 1 maart 1995 betreffen met

name de teruggang van het aantal malen dat zij haar

familie in Maastricht zou kunnen bezoeken.

In haar visie voorzag haar voormalige forfaitaire

maandelijkse vergoeding van f 135,-- wel voldoende in

haar vervoersbehoefte, met name nu zij daarmee in staat

was vrijwel wekelijks per taxi naar haar in Maastricht

wonende schoonzuster te gaan.

De Raad overweegt naar aanleiding van die grieven als

volgt.

Het bestuur van de gemeente Maastricht heeft bij de in

het bestreden besluit vermelde bepalingen van de

verordening uitvoering gegeven aan de haar ingevolge

artikel 2 en artikel 3 van de WVG opgedragen taak om

doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte

vervoersvoorzieningen op te zetten ten behoeve van de

deelneming aan het maatschappelijk verkeer van ter

plaatse wonende gehandicapten.

Hierbij dient te worden bedacht dat de wetgever bij die

opdracht bewust beleidsruimte aan de gemeenten heeft

gegeven. Daarbij staat het die organen vrij om desgeraden

afstand te nemen van de ontstane beleidspractijk onder de

vigeur van artikel 57, tweede lid (oud) van de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij individuele

forfaitaire financiële tegemoetkomingen - in feite bij

wijze van inkomensondersteunende voorziening - in zwang

zijn geraakt.

Het is derhalve aan de gemeenten om, binnen voormeld

globaal kader van de WVG, naar eigen beleidsinzicht en

rekening houdend met de aanwezige middelen en plaatselijke

omstandigheden, voorzieningen te creëren voor de bij

die wet uitgebreide kring van gehandicapten.

Het bestuur van de gemeente Maastricht heeft bij het

vaststellen van de verordening van de hem door de

wetgever toegekende beleidsruimte in dier voege gebruik

gemaakt, dat hij prioriteit heeft verleend aan het

daarbij geïntroduceerde systeem van collectief vervoer.

De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten

om te oordelen dat de wijze, waarop het bestuur van de

gemeente Maastricht - binnen voormeld kader - gebruik heeft

gemaakt van zijn regelgevende bevoegdheid, de te dezen

beperkte rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan.

Daarbij heeft de Raad mede laten wegen dat het aantal in

de gemeente Maastricht jaarlijks af te leggen reizen per

collectief vervoer aanvankelijk beperkt was, namelijk

variërend van circa 20 (indien men slechts ritten maakt

waarvoor telkens het maximaal aantal van 5 bonnen is

vereist) tot 70 (bij ritten binnen één vervoersgebied),

doch dat aan dit aantal na 1 september 1995 niet langer

een limiet is gesteld. Daartoe geïndiceerden kunnen

sedertdien onbeperkt van het collectief vervoer - in het

geval van appellante vervoer per deeltaxi van deur tot

deur - tegen het geldend gereduceerd tarief van 75 cent

per bon gebruik maken.

Bovendien kunnen die personen desgewenst de hen

toegekende aanvullende forfaitaire tegemoetkoming van f

475,-- geheel of gedeeltelijk besteden aan de aankoop van

collectief vervoer coupons tegen het zoëven genoemd

gereduceerd tarief.

Bij de beantwoording van de eerdergenoemde hier in geding

zijnde vraag vormen, naar in het vorengaande ligt

besloten, de hiervoor vermelde bepalingen van de

verordening in de gemeente Maastricht de specifieke

grondslag waarop de houdbaarheid in rechte van het

bestreden besluit moet worden beoordeeld.

Niet betwist is dat die bepalingen door gedaagde in het

geval van appellante juist zijn toegepast. Uitgaande van

die bepalingen, heeft de Raad noch in de uit het dossier

naar voren komende medische en andere gegevens noch in

hetgeen zijdens appellante in hoger beroep is aangevoerd

grond gevonden om met betrekking tot de rechtmatigheid

van het bestreden besluit tot een ander oordeel dan de

rechtbank te komen.

Ook de Raad neemt derhalve op grond van de voorhanden

zijnde gegevens aan dat appellante, temeer nu het

tegendeel van haar zijde niet onderbouwd is bestreden,

ten tijde hier in geding in staat was om - zonder

begeleiding - gebruik te maken van het haar verstrekte

deeltaxivervoer van deur tot deur (met hulp van de

chauffeur bij het in- en uitstappen).

Aan de Raad is voorts, het vorenoverwogene mede in

aanmerking genomen, niet gebleken van bijzondere

zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan zou moeten

worden geoordeeld dat gedaagde in redelijkheid niet had

mogen volstaan met verstrekking van de aan appellante

toegekende vervoersvoorzieningen overeenkomstig voormelde

bepalingen.

Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat

gedaagde, gegeven het bepaalde in de Verordening, bij de

vaststelling van de aard en omvang van te verstrekken

vervoersvoorzieningen geen doorslaggevende betekenis

hoeft toe te kennen aan de bij een betrokkene levende

voorkeuren.

Aan het ingevolge de WVG in de Verordening neergelegde

stelsel van vervoersvoorzieningen is, evenals voordien

onder de vigeur van de AAW het geval was, immers

inhaerent dat van een betrokkene kan worden gevergd dat

zij of hij zich zekere beperkingen getroost. Dat kan in

voorkomend geval een vermindering meebrengen van eerder

aanwezige mogelijkheden tot gebruikmaking van individueel

autovervoer. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat

aan een stelsel van vervoersvoorzieningen als hier aan de

orde naar haar aard een gestandaardiseerd karakter eigen is.

In de lijn van onder meer zijn uitspraak van 17 september

1996, reg. nr. WVG/39, voegt de Raad hier aan toe dat een

vervoersvoorziening krachtens de WVG als de onderhavige

in beginsel niet verder hoeft te strekken dan het bieden

van een zodanige tegemoetkoming dat betrokkene binnen het

naaste woonmilieu nog in aanvaardbare mate deel kan nemen

aan het leven van alledag.

Naar in het vorengaande ligt besloten treft het

ingestelde hoger beroep geen doel. De aangevallen

uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet, mede gelet daarop, geen termen voor een

proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 van de

Algemene wet bestuursrecht.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter,

mr D.J. van der Vos en mr M. Schreuder-Vlasblom als

leden, in tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 1996.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. Nieuwenhuis.