Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-1996
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
95/2402 AAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bindendheid van overwegingen ten overvloede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1996, 510 met annotatie van F.J.L. Pennings
RSV 1997, 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

95/2402 AAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats],

appellante,

en

het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging,

gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is mr J.G.L.M. Schiffeleers, advocaat te

Oosterhout, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger

beroep gekomen van een door de rechtbank te Maastricht onder

dagtekening 7 februari 1995 tussen partijen gegeven uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

27 augustus 1996, waar voor appellante is verschenen

mr Schiffeleers voornoemd, terwijl gedaagde - zoals

tevoren bericht - niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante heeft op 6 juli 1988 een aanvraag gedaan voor een

uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet

(AAW). Zij heeft daarbij aangegeven sedert 1977 geheel

arbeidsongeschikt te zijn.

Bij beslissing van 16 februari 1990 heeft gedaagde met

toepassing van artikel 25, tweede lid, eerste volzin van de

AAW aan appellante met ingang van 6 juli 1987 - zijnde een jaar

vóór de datum van de aanvraag van 6 juli 1988 - uitkering

ingevolge de AAW toegekend. Daarbij heeft gedaagde zich op het

standpunt gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval

als bedoeld in de tweede volzin van genoemd artikellid.

Bij beschikking van 21 februari 1992 heeft de Voorzitter van

de Raad van Beroep te Roermond het tegen deze beslissing

ingestelde beroep gegrond verklaard, die beslissing vernietigd

voor zover het betreft de toepassing van artikel 25 lid 2 AAW

en bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing neemt met

inachtneming van het gestelde in die beschikking.

Gedaagde heeft tegen deze beschikking verzet aangetekend.

Vervolgens heeft de rechtbank te Roermond bij uitspraak van 12

mei 1993 appellantes beroep tegen de beslissing van 16

februari 1990 gegrond verklaard voor zover het gericht is

tegen de ingangsdatum van de AAW-uitkering, die beslissing in

zoverre vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuwe

beslissing neemt omtrent appellantes aanspraken ingevolge de

AAW met inachtneming van hetgeen in rubriek II is overwogen.

In rubriek II van genoemde uitspraak is onder meer het

volgende overwogen:

"Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank dat een

beslissing waarbij wel zou zijn uitgegaan van een

bijzonder geval en tevens zou zijn besloten geen

gebruik te maken van de bevoegdheid de uitkering

eerder te doen ingaan dan één jaar voor de datum van

de aanvraag de rechterlijke toets niet zou hebben

kunnen doorstaan. Daartoe verwijst de rechtbank naar

de uitspraak van 18 november 1992 in de zaak nr.

AAW/WAO 92/3464, welke in afschrift aan deze uitspraak

is gehecht, waarin de rechtbank in een soortgelijke

kwestie als hier aan de orde heeft overwogen,

dat de daarin aan de orde zijnde beslissing

niet in stand gelaten kan worden omdat deze strijdig

is met artikel 4 van de derde richtlijn, terwijl de

betrokken vrouw tot de personenkring van de derde

richtlijn behoort, zodat zij vanaf 23 december 1984

die richtlijn rechtstreeks kan inroepen en de bedrijfsvereniging

derhalve - mede gezien het bepaalde

in het Emmott-arrest van het Hof van Justitie van de

Europese Gemeenschappen (het Hof) van 25 juli 1991

(AB 1992/1) in redelijkheid niet kon weigeren om,

met gebruikmaking van zijn bevoegdheid ex artikel

25, tweede lid AAW, een AAW-uitkering toe te kennen

ingaande 23 december 1984 (als gevolg van een kennelijke

verschrijving staat in die uitspraak van

1 december 1992 in plaats van laatstbedoelde

ingangsdatum van 23 december 1984 per abuis vermeld

24 december 1984).

In deze zaak handelt het echter om een vrouw die

niet tot de personenkring van de derde richtlijn

gerekend kan worden.

Op grond van de thans voorhanden gegevens houdt de

rechtbank het er namelijk voor dat klaagster sedert

1966 niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen

en eerst per 1 januari 1977 arbeidsongeschikt

wordt geacht. Zulks betekent niet, dat daarom de

uitkomst van het rechterlijk oordeel in deze zaak

een andere zou zijn dan die welke is gegeven in de

hierboven genoemde zaak.".

Gedaagde heeft aanvankelijk tegen deze uitspraak hoger beroep

ingesteld, doch dit later ingetrokken. Appellante heeft geen

hoger beroep aangetekend tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans

bestreden besluit van 16 februari 1994 aan appellante

uitgereikt, blijkens welk besluit gedaagde van oordeel is dat

in het geval van appellante weliswaar sprake is van een

bijzonder geval als omschreven in artikel 25, tweede lid

laatste volzin van de AAW, maar gelet op de omstandigheden van

het geval getoetst aan het door het gedaagde gevoerde beleid

geen redenen aanwezig acht om gebruik te maken van zijn

bevoegdheid de uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar

voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend.

In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan

houden.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank,

bevestigend.

Blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting

stelt appellante zich op het standpunt dat het gedaagde op

grond van de hiervoor genoemde en deels weergegeven uitspraak

van de rechtbank te Roermond van 12 mei 1993 niet meer vrij

stond om bij de in die uitspraak door de rechtbank opgedragen

nieuw te nemen beslissing af te wijken van hetgeen de

rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de AAW-uitkering

in die uitspraak had overwogen.

Appellante bestrijdt niet dat het hier overwegingen betreft

welke door de rechtbank geheel ten overvloede zijn gegeven,

maar stelt dat gedaagde desalniettemin aan deze overwegingen

gebonden is omdat deze overwegingen de vernietiging van de

bestreden beslissing van 16 februari 1990 zelfstandig dragen.

Namens appellante zijn voor het overige geen grieven

aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. De Raad zal zich

beperken tot het zojuist genoemde punt van geschil.

De Raad stelt vast dat de uitspraak van de rechtbank te

Roermond van 22 mei 1993 in kracht van gewijsde is gegaan,

aangezien appellante tegen die uitspraak geen hoger beroep

heeft aangetekend en gedaagde het tegen die uitspraak

ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep

naar voren is gebracht en ter zitting van de Raad nader is

toegelicht overweegt de Raad dat hij appellantes standpunt in

zoverre kan onderschrijven dat het enkele feit dat de

rechtbank aangeeft de hiervoor gedeeltelijk weergegeven

overwegingen geheel ten overvloede te geven, op zichzelf niet

betekent dat deze overwegingen partijen niet zouden kunnen

binden. De Raad heeft dienovereenkomstig al eerder overwogen

in zijn uitspraak van 15 november 1994, WW 1992/441.

Appellantes standpunt dat de bedoelde overwegingen de

vernietiging van de beslissing van 16 februari 1990

zelfstandig dragen, deelt de Raad echter niet. Bij zijn in dat

geding voorliggende beslissing had gedaagde zich op het

standpunt gesteld dat in het geval van appellante geen sprake

was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, tweede

lid laatste volzin, en zich derhalve niet bevoegd geacht de

uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar vóór de

aanvraagdatum. In haar uitspraak van 22 mei 1993 is de

rechtbank tot het oordeel gekomen dat wel sprake is van een

bijzonder geval als hier bedoeld, zodat gedaagde zal dienen te

beslissen omtrent de wijze waarop hij gebruik maakt van de hem

toekomende bevoegdheid de uitkering van appellante eerder te

doen ingaan dan één jaar voor de datum van de aanvraag. Van

een overweging ten aanzien van die te nemen beslissing kan

niet worden gezegd dat deze (mede) de vernietiging van de

beslissing draagt, nog daargelaten dat een dergelijke

overweging buiten de omvang van het geding gaat en reeds

daarom slechts het karakter van een overweging ten overvloede

kan hebben. Die overweging kan partijen dan ook niet binden.

De Raad is daarom van oordeel dat het gedaagde bij een nieuw

te nemen besluit omtrent appellantes aanspraken op AAW-uitkering

vrij stond om bij de gebruikmaking van de hem

toekomende discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel

25, tweede lid laatste volzin van de AAW af te wijken van

hetgeen de rechtbank te Roermond in de gewraakte overwegingen

daaromtrent heeft overwogen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan

slagen, zodat moet worden beslist als hierna onder III is

weergegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet

bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr M.M. van der Kade in tegenwoordigheid

van mr A.W.M. van Bommel als griffier, en uitgesproken in het

openbaar op 24 september 1996.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD/RH

06.09