Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-1996
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
95/1096 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit tot ontslag en herbenoeming in de nieuw te vormen gezamenlijke gemeentelijke organisatie genomen door b&w van de op te heffen gemeente verdraagt zich niet met het bepaalde in art. 59 van de Wet algemene regels herindeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1997/18

Uitspraak

95/1096 AW O

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Maasdonk als rechtsopvolger van het College van Burgemeester en

Wethouders van de gemeente Geffen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 27 maart 1995

onder nr. AW 93/34 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt

verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn

desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 september 1996, waar

appellante niet is verschenen en zich evenmin heeft doen

vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is opgetreden mr M.J.M.

Schoonhoven, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek

Recht en Administratie te 's-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 -

sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De

hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in

ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is

ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet

anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De

in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van

overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de

mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1

januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep

in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn

gedaan, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing

blijft.

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer

uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde

feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:

Vooruitlopend op de samenvoeging van de gemeente Geffen en de

gemeente Nuland hebben evenbedoelde gemeenten ter uitvoering van

daartoe strekkende besluiten van de betrokken gemeenteraden op 25

oktober 1991 een overeenkomst van dienstverlening gesloten

waarbij is besloten tot samenwerking tussen beide gemeenten.

Ingevolge die overeenkomst betrof die samenwerking onder meer het

ineenschuiven van de ambtelijke organisaties van beide gemeenten

per 1 januari 1992 tot de datum van de wettelijke herindeling.

Ter realisering daarvan zou het personeel van de gemeenten Nuland

en Geffen per 1 januari 1992 worden ontslagen onder

gelijktijdige benoeming in dienst van de gemeente Geffen zoals

weergegeven in het door de colleges van burgemeester en

wethouders van beide gemeenten vastgestelde functieboek met

hetgeen daaruit voortvloeit onder de daarbij vastgestelde

rechtspositionele voorwaarden en bepalingen behorende bij het

reorganisatieproces.

In het kader van evenbedoelde overeenkomst van dienstverlening

heeft de zogenoemde stuurgroep samenvoeging Geffen/Nuland

appellante op 16 december 1991 doen weten haar per 1 januari

1992, met ontslag uit haar vroegere betrekking, definitief

voorlopig te benoemen in vaste dienst bij de gemeente Geffen in

de functie van [naam functie] (functieboek code

4.8) en haar inschaling per die datum definitief-voorlopig te

bepalen op basis van de bij die functie behorende schaal.

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen

heeft bij besluit van 18 december 1992 appellantes bezwaar tegen

evenbedoelde definitief- voorlopige beslissing van de stuurgroep

samenvoeging Geffen/Nuland ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes

beroep tegen voormeld besluit van 18 december 1992 ongegrond

verklaard.

De Raad overweegt het volgende:

De Raad stelt voorop dat hij, mede gelet op de (mogelijk) aan een

onrechtmatig besluit te verbinden (financiële) gevolgen, anders

dan gedaagde niet ziet dat appellante - nu zij bij besluit van 10

mei 1994 op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van haar

betrekking is ontslagen, haar beroep tegen dat ontslagbesluit

door de rechtbank te 's-Hertogenbosch ongegrond is verklaard en

het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep wegens

termijnoverschrijding door de Raad niet-ontvankelijk is verklaard

- bij het onderhavige hoger beroep geen relevant (proces)belang

meer zou hebben.

Nu de op 16 december 1991 door de stuurgroep samenvoeging

Geffen/Nuland ten aanzien van appellante genomen beslissing reeds

niet anders kan worden aangemerkt dan als een voorlopige

beslissing, moet worden geconstateerd dat hoewel het besluit van

18 december 1992 van het College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente Geffen zich aandient als een ongegrondverklaring

van een bezwaar tegen eerdergenoemde beslissing van 16 december

1991, het besluit van 18 december 1992 moet worden aangemerkt als

het eerste (definitieve) besluit met betrekking tot appellantes

ontslag uit haar vroegere betrekking, haar benoeming per 1

januari 1992 in de functie van [naam functie]

(functieboek code 4.8) en haar inschaling op basis van de aan die

functie verbonden schaal.

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen

heeft zijn besluit van 18 december 1992 genomen ter uitvoering

van de hogergenoemde overeenkomst tot dienstverlening van 21

oktober 1991. Zoals kan worden afgeleid uit het kader waarin de

aan appellante opgedragen functie is geplaatst, te weten het

geheel van functies in de situatie na samenvoeging van de

gemeenten Geffen en Nuland, en van de zijde van gedaagde ter

zitting van de Raad ook is bevestigd, strekte het besluit van 18

december 1992 van het College van Burgemeester en Wethouders van

de gemeente Geffen ertoe met het oog op de per 1 januari 1993

nieuw te vormen gemeente Maasdonk (definitief) te voorzien in

appellantes inpassing. Het besluit van 18 december 1992 verdraagt

zich naar het oordeel van de Raad - die thans in het midden laat

of, gelet op het bepaalde in artikel 125, tweede lid, van de

Ambtenarenwet 1929, in hogergenoemde overeenkomst van 21 oktober

1991 voor het nemen van dat besluit wel voldoende rechtsgrond kan

worden gevonden - niet met het bepaalde in artikel 59 van de Wet

algemene regels herindeling. In dat artikel is immers bepaald dat

ambtenaren als appellante voorlopig overgaan in dienst van de

nieuw gevormde gemeente en dat het aan het bevoegde gezag van die

gemeente is voorbehouden besluiten te nemen met betrekking tot de

inpassing dan wel het ontslag van deze ambtenaar.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 18 december 1992 van

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen

reeds wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. Dit

betekent dat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan

worden gelaten.

De Raad ziet voorts voldoende aanleiding om gedaagde te

veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 710,- aan

kosten wegens aan appellante in eerste aanleg verleende

rechtsbijstand en een bedrag groot f 710,- aan kosten wegens aan

appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Van andere

op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in

aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt dan ook als volgt:

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 18

december 1992 alsnog gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 december 1992;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste

aanleg tot een bedrag groot f 710,- en in hoger beroep tot een

bedrag groot f 710,-, te betalen door de gemeente Maasdonk;

Bepaalt dat de gemeente Maasdonk aan appellante het door haar in

eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal f 307,50,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr

W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in

tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier, en uitgesproken

in het openbaar op 24 oktober 1996.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.H. Beijer.

HD

08.10