Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-1996
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
95/3666 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht nu verzoeker in het kader van zijn tweede herzieningsverzoek wederom geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert die herziening zouden kunnen rechtvaardigen, en het naar voren gebrachte in grote lijnen slechts een herhaling is van hetgeen door hem in zijn eerste herzieningsverzoek is aangevoerd. Verzoeker wordt veroordeeld in de kosten van gedaagde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/3666 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[verzoeker] wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van Bestuur van de Universiteit van

Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verzoeker heeft bij schrijven (met bijlagen) van

20 februari 1995 voor de tweede maal verzocht om

herziening van 's Raads uitspraak van 24 maart 1988 (AW

1985/12). Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft hierop enkele malen schriftelijk

gereageerd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 juli 1996,

waar verzoeker niet is verschenen. Gedaagde heeft zich

laten vertegenwoordigen door M.J.A. Mulder, werkzaam bij

Van Kleef en Partners B.V. te Boskoop.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet

bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn

de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten:

Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit

voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in

ambtenarenzaken brengt mee dat op een verzoek om

herziening van een in hoger beroep gedane uitspraak van

de Raad dat is ingesteld na 31 december 1993 moet

worden beslist met toepassing van artikel 8:88 van de

Awb.

Ingevolge artikel 8:88 van de Awb juncto artikel 21 van

de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak

van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op

grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden voor de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de

uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs

niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest,

tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen

leiden.

Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is niet

gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of

enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld een

hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en

evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te

openen.

De Raad heeft de uitspraak van het voormalige

Ambtenarengerecht te Amsterdam van 3 januari 1985 (AW

1983/20H), bij welke uitspraak verzoekers beroep tegen

gedaagdes besluit van 20 januari 1983 verzoeker met

ingang van 1 mei 1983 wegens ongeschiktheid anders dan

uit hoofde van ziekten of gebreken eervol ontslag te

verlenen uit zijn functie van [naam functie]

bij de Universiteit van Amsterdam

ongegrond is verklaard, bevestigd bij de onherroepelijk

geworden uitspraak waarvan thans herziening wordt

gevraagd.

De Raad ziet in het door verzoeker aangevoerde, hetgeen

in essentie een herhaling is van het door hem in zijn

eerste verzoek om herziening naar voren gebrachte, geen

feiten en/of omstandigheden gelegen die verzoeker vóór

's Raads uitspraak van 24 maart 1988 niet bekend waren en

redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn.

Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening

te worden afgewezen.

Namens gedaagde is ter zitting van de Raad verzocht om

verzoeker op grond van artikel 8:75, eerste lid, tweede

volzin, van de Awb wegens kennelijk onredelijk gebruik

van procesrecht te veroordelen in de door gedaagde

gemaakte proceskosten, gelet op de omstandigheid dat

verzoeker voor de tweede maal heeft verzocht om

herziening van de uitspraak van de Raad van 24 maart 1988

zonder daarbij in zijn zeer uitvoerige stukken nieuwe

feiten en/of omstandigheden aan te voeren die - alsnog -

herziening zouden rechtvaardigen.

De Raad is van oordeel dat, in aanmerking nemende dat

verzoeker in het kader van zijn tweede herzieningsverzoek

wederom geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert die

herziening zouden kunnen rechtvaardigen, waar het naar

voren gebrachte in grote lijnen immers slechts een

herhaling is van hetgeen door hem in zijn eerste

herzieningsverzoek is aangevoerd, in dit geval sprake is

van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

De Raad acht derhalve termen aanwezig toepassing te geven

aan het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, tweede

volzin, van de Awb en verzoeker te veroordelen in de

proceskosten aan de zijde van gedaagde, welke zijn

begroot op f 355,- aan kosten van verleende

rechtsbijstand. Van andere op de voet van artikel 8:75

van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten

is de Raad niet gebleken.

De Raad beslist derhalve als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot

een bedrag van f 355,-.

Aldus gegeven door mr Ch. de Vrey als voorzitter,

mr drs Th.G.M. Simons en mr K.J. Kraan als leden, in

tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier, en in het

openbaar uitgesproken op 3 oktober 1996.

(get.) Ch. de Vrey.

(get.) A.H. Beijer.

HD

20.09