Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-1996
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
95/3765 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding hoger beroep. Hoger beroep tegen afwijzing verzoek proceskostenveroordeling terzake van verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en terzake van het beroep wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:84, geldigheid: 1996-08-13
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 1996-08-13
Algemene wet bestuursrecht 8:75 (oud), geldigheid: 1996-08-13
Algemene wet bestuursrecht 8:84 (oud), geldigheid: 1996-08-13
Beroepswet 18, geldigheid: 1996-08-13
Beroepswet 18, geldigheid: 1996-08-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1997, 46

Uitspraak

95/3765 AAW/WAO O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-,

Café-, Pension- en aanverwante bedrijven, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is mr O.Z.K. Bánki, advocaat te

Deventer, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde

gronden in hoger beroep gekomen van een, volgens die

uitspraak, door de rechtbank te Zutphen onder dagtekening

10 mei 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar

hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop

namens appellante is gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van

de Raad op 16 juli 1996, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 11 januari 1995 heeft gedaagde geweigerd

aan appellante, in aansluiting op de verstrekking van

ziekengeld, met ingang van 24 februari 1995 uitkeringen

krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet

op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, op

de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid

per die datum minder dan 15% bedroeg.

Appellante werd geacht met de bij haar bestaande

beperkingen passende werkzaamheden te kunnen verrichten.

De in dit besluit vervatte beslissing berust wat betreft

het medische aspect daarvan op het

verzekeringsgeneeskundig oordeel dat de prognose ten

aanzien van de bij appellante vastgestelde medische

beperkingen dubieus was. Appellante werd geschikt geacht

alle activiteiten te verrichten waarbij de enkelbelasting

sporadisch en minimaal is.

Op basis van arbeidskundig onderzoek werd appellante

ongeschikt geacht voor haar eigen werk als part-time

cateringmedewerkster. Appellante werd wel in staat geacht

om een aantal haar voorgehouden functies te verrichten.

Namens appellante is tegen het bestreden besluit op

15 februari 1995 beroep ingesteld. In het aanvullend

beroepschrift is, onder verwijzing naar een brief d.d.

24 februari 1995 van appellantes behandelend chirurg

dr H.W. Bolhuis, bestreden dat de prognose ten aanzien

van appellantes medische beperkingen dubieus is.

Appellante stelde zich op het standpunt dat zij

verwachtte binnen enkele weken weer te kunnen hervatten

in haar eigen werk. Namens appellante is onder meer

gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en

gedaagde in de proceskosten te veroordelen.

Appellante heeft op 13 april 1995 de president van de

rechtbank doen verzoeken om met toepassing van artikel

8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het

bestreden besluit te schorsen. Daarbij is namens

appellante aangevoerd dat door het bestreden besluit

onduidelijkheid is ontstaan over de rechtspositie van

appellante tegenover de werkgever. Volgens appellante

wilde de werkgever haar niet laten hervatten in haar

eigen werk omdat deze werkgever de opvatting was

toegedaan dat appellante, aangezien zij kennelijk niet

geschikt werd geacht voor het verrichten van haar eigen

werkzaamheden, onverzekerd werkte indien zij daarin toch

zou hervatten. Voorts is gevorderd gedaagde in de

proceskosten te veroordelen ter zake van deze procedure.

Ter zitting van de president van de rechtbank op 27 april

1995, is namens appellante medegedeeld dat dr Bolhuis had

toegezegd per brief te zullen verklaren dat appellante

vanaf 30 maart 1995 volledig geschikt is voor haar eigen

werk. Namens gedaagde is vervolgens toegezegd dat zijn

Medische Dienst het oordeel van dr. Bolhuis hieromtrent

integraal zou overnemen. Die Medische Dienst zou dit ook

mededelen aan de werkgever van appellante.

Naar aanleiding hiervan heeft de gemachtigde van

appellante, eveneens te genoemder zitting van de

president van de rechtbank, zowel het verzoek om

toepassing van artikel 8:81 van de Awb als het beroep

tegen het bestreden besluit ingetrokken onder het

tegelijkertijd gedane verzoek om gedaagde te veroordelen

in de proceskosten ter zake van beide procedures.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het

verzoek afgewezen om gedaagdes bedrijfsvereniging in de

kosten te veroordelen die appellante in verband met de

behandeling van het beroep en het verzoek om een

voorlopige voorziening heeft moeten maken. De rechtbank

heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of in het

onderhavige geval moet worden gezegd dat gedaagde geheel

of gedeeltelijk aan appellante tegemoet is gekomen, omdat

ook als dit het geval zou zijn de rechtbank onvoldoende

gronden aanwezig achtte om gedaagde te veroordelen in de

proceskosten van appellante. In dit verband heeft de

rechtbank overwogen dat niet gezegd kan worden dat het

bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

In het aanvullend hoger beroepschrift is namens

appellante gevorderd dat het bestreden besluit wordt

vernietigd. Voorts heeft appellante doen aanvoeren dat

gedaagde, door te beslissen dat appellante met ingang van

30 maart 1995 geschikt wordt geacht om haar eigen werk te

hervatten wel degelijk tegemoet gekomen is aan

appellante. Om die reden acht appellante het aangewezen

dat gedaagde door de Raad veroordeeld wordt in de

proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om

een voorlopige voorziening, alsmede in de proceskosten

ter zake van het beroep in eerste aanleg. Ten slotte

heeft appellante de Raad verzocht gedaagde te veroordelen

in de proceskosten in hoger beroep.

De Raad overweegt allereerst dat de vormgeving van de

aangevallen uitspraak erop zou kunnen duiden dat deze

uitspraak is gedaan door de rechtbank. De Raad is echter

van oordeel dat niet de rechtbank maar de president van

de rechtbank deze uitspraak heeft gegeven. Dit leidt de

Raad af uit het dictum van die uitspraak, waarin zowel

een beslissing is gegeven omtrent appellantes verzoek tot

veroordeling in de proceskosten ter zake van de door haar

gevraagde toepassing van artikel 8:81 van de Awb als ter

zake van het beroep tegen het bestreden besluit. Nu het

hier naar het oordeel van de Raad een kennelijke misslag

betreft, zal de Raad deze uitspraak lezen als te zijn

gedaan door de president van de rechtbank.

Voorts overweegt de Raad dat de president van de

rechtbank kennelijk toepassing heeft gegeven aan artikel

8:86, eerste lid, van de Awb. De Raad is hieromtrent van

oordeel dat deze bepaling in het onderhavige geval

toegepast kon worden, nu namens appellante ter zitting

van de president van de rechtbank, onder intrekking van

het verzoek tot een voorlopige voorziening, alsmede onder

intrekking van het beroep in de hoofdzaak, is verzocht om

het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten ter

zake van die procedures.

Ten aanzien van de namens appellante in hoger beroep

gedane vordering tot vernietiging van het bestreden

besluit overweegt de Raad dat, aangezien appellante het

beroep tegen het bestreden besluit ter zitting van de

president van de rechtbank heeft ingetrokken, dat besluit

als zodanig geen onderwerp van het geding meer uitmaakt,

zodat appellantes hoger beroep op dit punt niet-ontvankelijk

moet worden verklaard.

Met betrekking tot de vraag die partijen in hoger beroep

verdeeld houdt, voor zover de proceskosten betreffende,

heeft de Raad het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 8:75, derde lid (oud) van de Awb kan de

rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat

het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener

van het beroepschrift tegemoet is gekomen, het

bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke

uitspraak in de kosten veroordelen. Op grond van

artikel 8:84, vierde lid (oud) van de Awb komt een gelijke

bevoegdheid toe aan de president van de rechtbank.

Op grond van artikel 18, eerste lid van de Beroepswet

(Bw) kan een belanghebbende bij de Raad hoger beroep

instellen tegen, voor zover hier van belang, een

uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6

van de Awb en tegen een uitspraak van de president van de

rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, onder c van de Bw kan

geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak

van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel

8:84, tweede lid van de Awb. Gelet op deze bepaling is de

Raad van oordeel dat evenmin hoger beroep kan worden

ingesteld tegen een beslissing van die president over de

proceskosten ter zake van het verzoek om een voorlopige

voorziening, ook wanneer een dergelijke beslissing wordt

gegeven met toepassing van artikel 8:86 van de Awb.

Derhalve moet ook in zoverre het hoger beroep van

appellante niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Raad is voorts van oordeel dat het hoger beroep van

appellante gericht tegen de aangevallen uitspraak voor

zover betrekking hebbend op de proceskosten ter zake van

het beroep tegen het bestreden besluit niet kan slagen.

Daartoe overweegt de Raad dat ingevolge artikel 8:75,

derde lid (oud) van de Awb het bestuursorgaan slechts in

de proceskosten kan worden veroordeeld in het geval dat

het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel

of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift

tegemoet is gekomen. Het beroep van appellante is niet

ingetrokken omdat gedaagde geheel of gedeeltelijk aan

appellante tegemoet gekomen is, maar omdat gedaagde ter

zitting van de president van de rechtbank toegezegd had

dat zijn Medische Dienst het oordeel van dr Bolhuis over

zou nemen waarbij appellante per 30 maart 1995 weer

arbeidsgeschikt werd geacht voor haar eigen

werkzaamheden. Het bestreden besluit is niet ingetrokken.

Het is evenmin gewijzigd ten aanzien van het bij dat

besluit beoogde rechtsgevolg noch ten aanzien van de

daaraan gegeven motivering. Dat besluit bleef mitsdien op

de datum waarop het betrekking heeft onverkort de

rechtsbetrekking tussen partijen bepalen.

Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor

bevestiging in aanmerking voor zover daarbij appellantes

verzoek is afgewezen om gedaagde te veroordelen in de

kosten die appellante in verband met de behandeling van

het beroep heeft moeten maken.

De Raad acht geen termen aanwezig om voor de procedure in

hoger beroep toepassing te geven aan het bepaalde in

artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar verzoek

tot vernietiging van het bestreden besluit en in haar

hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover

betrekking hebbend op de kosten die appellante in verband

met de behandeling van het verzoek om toepassing van

artikel 8:81 van de Awb heeft moeten maken;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en

mr M.M. van der Kade en mr T. Hoogenboom als leden, in

tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 1996.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) B.C. Rog.

BvW

23/8