Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-1996
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
AAW/WAO 93/2583
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad acht het aanvaardbaar dat een beoordeling van de evenredigheid van inkomsten van een zelfstandige in relatie tot zijn arbeidsgeschiktheid wordt gebaseerd op de uit de jaarstukken blijkende winst en de wijze waarop deze is verwerkt in de aangifte van betrokkene. Op deze gegevens kan de kortings- en zo nodig de terugvorderingsbeslissing worden gebaseerd. Bij op een later tijdstip door de belastingdienst gecorrigeerde opgave van de fiscale winst staat het de bedrijfsvereniging vrij ambtshalve tot een nieuwe beoordeling te komen. Bij een daartoe gedaan verzoek is de bedrijfsvereniging daartoe gehouden. Impliciet wordt het bedrag aan investeringsaftrek (opgegeven aan en geaccepteerd door de fiscus) bij de vaststelling van de nettowinst betrokken. Zie ook 95/6314 AAW, 25-3-1997 [RSV 97/194].

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 45 (oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AAW/WAO 1993/2583 0.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer,

gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 4 mei 1993 is eiser vanwege gedaagde in kennis

gesteld van de beslissing om vanaf 1 januari 1991 tot en met

31 december 1991 de aan hem toegekende uitkering ingevolge de

Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) niet uit te betalen

en de aan hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verminderen met f

75,55 per uitkeringsdag in verband met inkomsten uit arbeid.

De arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak

van 8 december 1993 het door eiser tegen die beslissing

ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Eiser is van deze uitspraak op bij beroepschrift van

15 december 1993 (met bijlagen) aangegeven gronden in hoger

beroep gekomen.

Gedaagde heeft op 15 juli 1994 van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op

22 november 1995, waar eiser niet is verschenen en waar

gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr P.A.L. Nieuwenhuis, destijds werkzaam bij het Gemeenschappelijk

Administratiekantoor.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is

gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Bij bevel van de Raad van 3 januari 1996 is bepaald dat het

onderzoek op een nader door de voorzitter vast te stellen

zitting zal worden hervat.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter

zitting van de Raad, gehouden op 24 april 1996, waar partijen

niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in

dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen

echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden

beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde

vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van

vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van

de Awb.

Gedaagde heeft bij beslissing van 26 april 1978 eiser ingaande

25 januari 1978 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO

toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid

van 80 tot 100%. Op 1 maart 1988 is eiser gestart met een las- en

reparatiebedrijf. In 1991 heeft eisers bedrijf blijkens de

door de accountant van eiser opgemaakte winst- en

verliesrekening een resultaat voor belastingen gerealiseerd

van f 27.580,-.

In deze winst heeft gedaagde aanleiding gezien over 1991 met

betrekking tot de aan eiser toegekende uitkeringen toepassing

te geven aan artikel 34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud)

van de WAO op een wijze als neergelegd in de bestreden

beslissing. Daarbij is gedaagde er van uitgegaan dat uit de

behaalde winst van f 27.580,- na aftrek van het verschuldigde

bedrag aan premies ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de AAW voortvloeit dat

eiser in 1991 een inkomen heeft genoten van gemiddeld f 93,62

per dag.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of

gedaagde op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel

34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud) van de WAO.

Bij de beantwoording van deze vraag stelt de Raad voorop dat

in zijn jurisprudentie tot uitdrukking is gebracht dat voor

het begrip "inkomsten uit arbeid" in een geval van

zelfstandige bedrijfsuitoefening in beginsel dient te worden

uitgegaan van de netto-winst zoals deze door de fiscus is

aanvaard.

Blijkens een door gedaagde in eerste aanleg overgelegde brief

van de belastingdienst, gedateerd 6 september 1993 en gericht

aan gedaagde, heeft deze dienst de door eiser behaalde winst

uit onderneming over 1991 als volgt verwerkt in de aanslag

inkomstenbelasting over dat jaar:

winst volgens jaarstukken f 27.580,-

correctie inzake Oort f 105,- +

vermogensaftrek f 280,- -

investeringsaftrek f 2.074,- -

fiscale winst f 25.331,-

De Raad is niet gebleken van feiten en omstandigheden die in

het geval van eiser nopen tot het bij de berekening van eisers

inkomsten uit arbeid in 1991 in aanmerking nemen van een ander

bedrag dan de fiscale winst waartoe de belastingdienst is

gekomen. In het licht hiervan moet worden geconstateerd dat

gedaagde ten onrechte is uitgegaan van de winst volgens de

jaarstukken.

De Raad onderkent dat ten tijde van het vanwege gedaagde

ingestelde onderzoek naar eisers inkomsten uit arbeid een

standpuntbepaling van de belastingdienst omtrent de door eiser

behaalde fiscale winst over 1991 gedaagde nog niet bekend was

en mogelijk ook nog niet bekend kon zijn. Een situatie als

deze behoeft - mede gelet op het belang van betrokkene, dat

hierin is gelegen dat hij niet pas na jaren wordt

geconfronteerd met een beslissing tot korting van zijn

uitkering(en) al dan niet tevens met een beslissing tot

terugvordering - geenszins met zich te brengen dat een

uitvoeringsorgaan eerst tot toepassing van kortingsartikelen

kan overgaan nadat de belastingdienst zich een oordeel heeft

gevormd omtrent de fiscale winst. De Raad acht het alleszins

aanvaardbaar, zo niet aangewezen dat een beoordeling van de

evenredigheid van de inkomsten van een zelfstandige in relatie

tot de bij die zelfstandige nog bestaande arbeidsgeschiktheid,

wordt gebaseerd op de uit de jaarstukken blijkende winst en de

wijze waarop deze winst is verwerkt in de belastingaangifte

van betrokkene. Voor zover achteraf blijkt dat de

belastingdienst tot een andere berekening van de fiscale winst

is gekomen, staat het het uitvoeringsorgaan vrij ambtshalve

tot een nieuwe beoordeling te komen. Indien daarom wordt

verzocht, is een uitvoeringsorgaan daartoe gehouden.

In het geval van eiser stelt de Raad vast dat gedaagde

verzuimd heeft gegevens op te vragen omtrent de wijze waarop

de blijkens de jaarstukken gerealiseerde winst is verwerkt in

eisers belastingaangifte over 1991. Gedaagde heeft uitsluitend

verzocht om de verlies- en winstrekening en heeft aldus uit

het oog verloren dat, nu beslissend is de fiscale winst,

tevens betekenis toekomt aan de belastingaangifte van eiser.

Het hiervoor overwogene brengt met zich dat de in dit geding

te beantwoorden vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Hieruit volgt dat de bestreden beslissing en de aangevallen

uitspraak, waarbij deze beslissing in stand is gelaten, voor

vernietiging in aanmerking komen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde

in artikel 80a, vijfde lid (oud) van de Beroepswet, stelt de

Raad vast dat het door eiser zowel in eerste aanleg als in

hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te

worden vergoed.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig artikel 8:75 van de

Awb toe te passen, aangezien op grond van dat artikel te

vergoeden proceskosten niet zijn gevorderd en daarvan ook niet

is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede de bestreden

beslissing;

Verstaat dat gedaagde aan eiser het gestorte recht van ƒ 75,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en

mr A. Beuker-Tilstra en mr G. van der Wiel als leden, in

tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in

het openbaar op 22 mei 1996.

(get.) C.G.L. Plomp.

(get.) B.C. Rog.

AB