Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-1996
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
95/3414 AW, 95/3416 AW, 95/9397 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermindering wachtgeld i.v.m. inkomsten uit arbeid; verrekening met wegens beëindiging arbeidsovereenkomst toegekende vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1996/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/3414 + 3416 + 9397 AW

O

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Minister van Binnenlandse Zaken, appellant tevens

gedaagde, verder te noemen: appellant,

en

G.H.H. Noestheden, wonende te Losdorp, gedaagde tevens

appellant, verder te noemen: gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij besluit van 29 november 1993 heeft appellant aan

gedaagde meegedeeld dat de aan hem door de

kantonrechter toegekende vergoeding van f 150.000,-- terzake

van de beëindiging van zijn

arbeidsovereenkomst met de stichting Delfzicht

Ziekenhuis te Delfzijl, zal worden verrekend met het

hem over de periode van 1 juni 1989 tot 8 juni 2004

toegekende wachtgeld.

Gedaagdes tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij

besluit van 7 april 1994 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft het

namens gedaagde door mr E.C.M. Roelvink, advocaat te

Winschoten, tegen dit besluit ingestelde beroep bij

uitspraak van

29 maart 1995, nr. AWB 94/746 AW VO1, gegrond

verklaard en het besluit vernietigd.

Partijen hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens appellant is een verweerschrift ingediend.

Het tevens door appellant gedane verzoek om een

voorlopige voorziening is door de President van de

Raad bij uitspraak van 23 juni 1995, nr. VV 1995/62 -

AW 1995/169, afgewezen.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 29 februari

1996. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen

door mr A.H. Langguth, werkzaam bij de stichting USZO,

als zijn gemachtigde. Voor gedaagde is verschenen zijn

gemachtigde mr Roelvink voornoemd.

II. MOTIVERING

Gedaagde was werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis

Utrecht. Naar aanleiding van zijn ontslag wegens

overtolligheid werd hem een wachtgeld toegekend voor

de periode van 1 juni 1989 tot 8 juni 2004. Van 1 juni

1989 tot

1 april 1993 was gedaagde op arbeidsovereenkomst

werkzaam bij de stichting Delfzicht Ziekenhuis te

Delfzijl. Met ingang van 1 april 1993 werd deze

arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ontbonden op

grond van een onherstelbaar verstoorde

arbeidsverhouding.

In zijn beschikking van 31 maart 1993 heeft de kantonrechter

onder meer overwogen:

"2. Op grond van de hiervoor in rechte vastgestelde

gewijzigde omstandigheden dient de arbeidsovereenkomst

tussen partijen naar mijn oordeel met ingang

van 1 april 1993 te worden ontbonden, echter onder

toekenning aan de werknemer ten laste van de werkgeefster

van een vergoeding naar billijkheid bestaande

uit een bedrag groot f 150.000,-- bruto als

vergoeding terzake van toekomstige inkomstenderving

alsmede van te maken onkosten zoals pensioenopbouw,

kosten van outplacement en dergelijke en uit een

bedrag groot f 5000,-- als tegemoetkoming terzake

van kosten rechtsbijstand van de werknemer.".

Appellant heeft blijkens het primaire besluit van

29 november 1993 en het besluit van 7 april 1994 het

bedrag van f 150.000,-- met toepassing van artikel 8,

lid 1, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) in

aanmerking gebracht voor verrekening met het wachtgeld in

die zin dat dit bedrag gelijkmatig verdeeld zal worden

over de periode, vanaf 1 april 1993, waarover gedaagde

wachtgeld zal ontvangen. Dit houdt in dat gedurende een

periode van 175 maanden het wachtgeld met een bedrag van

ongeveer f 857,-- per maand zal worden verminderd.

De rechtbank heeft overwogen dat, voor zover de toegekende

vergoeding bedoeld is terzake van (toekomstige) inkomstenderving,

terecht vermindering met toepassing van

artikel 8, lid 1, Rwb is toegepast nu zodanige inkomsten

moeten worden aangemerkt als inkomsten in verband met

arbeid als vermeld in dat artikel. Het bestreden besluit

is echter vernietigd omdat appellant ten onrechte het

gehele bedrag voor verrekening in aanmerking heeft doen

komen zonder rekening te houden met onder meer de terzake

van outplacement gestelde kosten ad f 25.000,-- en eventuele

kosten voor herstel van pensioenschade. Voorts

heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de door appellant

overgelegde interne instructie inzake toepassing van

artikel 8 Rwb - gesteld dat appellant had dienen te

bezien of in redelijkheid kon worden overgegaan tot

verrekening en daarbij tevens had dienen te beoordelen of

er sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in

artikel 8, lid 6, Rwb.

Appellant heeft naar aanleiding van die uitspraak (en

naar aanleiding van 's Raads uitspraak van 8 juni 1995,

nr. AW 1994/676) bij gedaagde geïnformeerd of en zo ja,

welk bedrag van de toegekende f 150.000,-- is aangewend

voor het treffen van voorzieningen terzake van de pensioenschade.

Uit de daarna gevoerde correspondentie,

waarbij alsnog ook andere kosten zoals immateriële schade,

ziektekosten, etc. door gedaagde zijn gesteld, is

gebleken dat het gehele bedrag (met uitzondering van

f 25.000,--, gereserveerd voor kosten van outplacement)

is gebruikt ter verbetering van gedaagdes huis; van de

zijde van gedaagde is bepleit dat dit ook als een soort

pensioenvoorziening is te duiden.

Appellant heeft vervolgens een nader besluit, gedateerd

13 november 1995, genomen. Hierin is het te verrekenen

bedrag verminderd tot f 125.000,--, zulks in verband met

het hiervoor genoemde bedrag van f 25.000,-- voor kosten

van outplacement. Van een voorziening ter opvang van

pensioenschade is naar de mening van appellant geen

sprake. Voorts heeft appellant in dit besluit overwogen

dat van een omstandigheid die aanleiding zou vormen tot

het toepassen van het zesde lid van artikel 8 Rwb, niet

is gebleken.

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:19 juncto 6:24

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het hoger

beroep van gedaagde mede geacht te zijn gericht tegen het

nieuwe besluit van 13 november 1995, tenzij dat besluit

aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Gedaagde

heeft verklaard dat hij het niet met het besluit van 13

november 1995 eens is, omdat a. in het geheel niet verrekend

dient te worden; b. indien verrekend wordt ten

onrechte diverse onkosten niet buiten beschouwing zijn

gelaten; c. een inhoudelijke afweging in het kader van

artikel 8, lid 6, Rwb niet heeft plaatsgevonden.

De Raad overweegt terzake het volgende.

Alvorens het geschil ten materiële te bezien merkt de

Raad op voorbij te gaan aan de namens gedaagde geuite

twijfel aan de bevoegdheid van appellant terzake van de

in geding zijnde besluiten. De Raad overweegt daartoe dat

- zoals hij al vaker te kennen heeft gegeven - een stuk

dat zich naar inhoud en ondertekening aandient als een

besluit van het daartoe bevoegde bestuursorgaan, behoudens

tegenbewijs, in het algemeen tot bewijs strekt dat zulk een besluit

ook daadwerkelijk door dat orgaan is genomen.

Nu appellant heeft doen weten zijn in het besluit van

7 april 1994 neergelegde standpunt voor wat betreft de

vaststelling van de omvang van het voor verrekening op

grond van artikel 8, lid 1, Rwb in aanmerking komende

bedrag rechtens niet meer onverkort te handhaven, maar te

hebben gewijzigd zoals in zijn nadere besluit van

13 november 1995 aangegeven, ziet de Raad reeds daarin

voldoende grond voor het oordeel dat het besluit van

7 april 1994 wegens het ontbreken van een deugdelijke

motivering niet in stand kan blijven. De aangevallen

uitspraak komt dan ook - zij het op andere dan de door de

rechtbank gebezigde overwegingen - op die grond voor

bevestiging in aanmerking. De Raad merkt daarbij op

(onder verwijzing naar het hierna overwogene) dat niet

worden onderschreven de overwegingen in de aangevallen

uitspraak met betrekking tot de ambtshalve toepassing

door appellant van artikel 8, lid 6, Rwb en met betrekking

tot een aan appellant toekomende bevoegdheid tot

verrekening op grond van de overgelegde interne instructie

inzake toepassing van artikel 8 Rwb.

Het partijen verdeeld houdende materiële punt van geschil

zoals vervat in het besluit van 13 november 1995 betreft

de beantwoording van de vraag of (en zo ja, in welke

omvang) de vergoeding, die de kantonrechter terzake van

de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het kader

van artikel 1639w Burgerlijk Wetboek (BW) heeft toegekend,

voor verrekening met het wachtgeld in aanmerking

dient te komen.

Artikel 8, lid 1, Rwb bepaalt dat inkomsten die de betrokkene

geniet of gaat genieten uit of in verband met

arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na

de dag waarop het ontslag, terzake waarvan het wachtgeld

is toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd,

met het wachtgeld worden verrekend over de maand

waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen

worden betrekking te hebben. Dit houdt in dat het wachtgeld

wordt verminderd met het bedrag waarmee het wachtgeld,

vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging

overschrijdt.

Gedaagde heeft uit zijn dienstbetrekking bij de stichting

Delfzicht Ziekenhuis inkomsten genoten. Terzake van de

beëindiging van die arbeidsovereenkomst is hem door de

kantonrechter een vergoeding ex artikel 1639w BW toegekend.

De Raad is van oordeel dat een vergoeding als bedoeld in

artikel 1639w, lid 8, BW in beginsel dient te worden

aangemerkt als inkomen uit of in verband met arbeid als

bedoeld in artikel 8, lid 1, Rwb.

Dit beginsel lijdt echter uitzondering ingeval de vergoeding

geheel of gedeeltelijk moet worden geacht een zodanige

bestemming te hebben dat daaraan het karakter van

'inkomsten in verband met arbeid' komt te vervallen.

Indien voldoende duidelijk blijkt dat de vergoeding

geheel of gedeeltelijk is bestemd ter dekking van of

tegemoetkoming in bepaalde onkosten, of voor vergoeding

van immateriële schade, komt die vergoeding geheel of

gedeeltelijk een ander karakter toe dan dekking van of

tegemoetkoming in inkomensschade, welke de werknemer als

gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in

de daarna intredende periode van werkloosheid zal gaan

lijden.

Ter beantwoording van de vraag of de vergoeding geheel of

gedeeltelijk zodanige bestemming toekomt, dient naar het

oordeel van de Raad in de eerste plaats te worden bezien

of en zo ja, welke bestemming door de kantonrechter aan

de vergoeding wordt gegeven. Voor zover uit de beschikking

van de kantonrechter die bestemming niet duidelijk

blijkt, kunnen mogelijk andere - onderliggende - stukken

(de correspondentie tussen werkgever en werknemer, het

verzoek- en verweerschrift in de ontbindingsprocedure)

daaromtrent aanvullende informatie verschaffen. Voorop

staat evenwel steeds dat het moet gaan om een genoegzaam

gebleken en geloofwaardige andere (reële) bestemming.

In het onderhavige geval is door de kantonrechter

f 5000,-- apart als vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

toegekend, terwijl gelet op de brief van gedaagdes

toenmalige raadsman van 19 februari 1993 in de vergoeding

van f 150.000,-- een bedrag van f 25.000,-- voor

kosten van outplacement is bedoeld; het resterende bedrag

- zo blijkt uit die brief - komt overeen met een bruto

jaarsalaris (inclusief werkgeverslasten).

Namens gedaagde is ter zitting aangevoerd dat in de

toegekende vergoeding ook een bedrag ter vergoeding van

immateriële schade is begrepen. Daartoe is gewezen op de

gehele situatie omtrent de verstoorde arbeidsverhouding

en de voor gedaagde onverwachte - en gelet op zijn carrière

nadelige - beëindiging van het dienstverband.

Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene is de Raad

van oordeel dat van zodanige bestemming niet blijkt uit

de beschikking van de kantonrechter terwijl evenmin is

gebleken dat zodanige vergoeding expliciet is gevorderd

tijdens die procedure; daartoe kan met name worden verwezen

naar eerdergenoemde brief van 19 februari 1993, waar

vergoeding van immateriële schade niet in de opsomming

van de diverse onderdelen van gedaagdes vordering wordt

genoemd. Het zelfde geldt ten aanzien van de door gedaagde

gestelde bestemming van de vergoeding voor de periode

na beëindiging van de WW-uitkering.

Waar gedaagdes toenmalige raadsman voorts in zijn brief

van 19 februari 1993 expliciet te kennen heeft gegeven de

eerdere claims terzake van zes maanden opzegtermijn en

pensioenschade te laten vallen en uit de beschikking van

de kantonrechter niet onmiskenbaar blijkt welk bedrag aan

pensioenschade in het toegekende bedrag van f 150.000,-- zou

zijn begrepen, ziet de Raad niet dat van de aan

gedaagde toegekende vergoeding een bedrag terzake van

tegemoetkoming in pensioenschade buiten aanmerking had

moeten worden gelaten.

Met betrekking tot de wijze van verrekening van het

daarvoor in aanmerking komende bedrag van de aan gedaagde

toegekende vergoeding, overweegt de Raad dat hij, nu uit

meergegenoemde beschikking van de kantonrechter en de

daaraan ten grondslag liggende stukken niet onmiskenbaar

blijkt aan welke periode bedoeld bedrag zou moeten worden

toegerekend, geen grond ziet voor het oordeel dat appellants

besluit om deze verrekening gelijkelijk over de

resterende looptijd van het wachtgeld te doen plaatsvinden,

geen stand kan houden.

Namens gedaagde is voorts gesteld (en door de rechtbank

in de aangevallen uitspraak onderschreven) dat appellant

- gelet op de overgelegde interne instructie inzake

toepassing van artikel 8 Rwb, waarin sprake is van betalingen

die 'kunnen' worden verrekend - in het kader van

die bevoegdheid had moeten bezien of in redelijkheid kon

worden overgegaan tot verrekening.

De Raad onderschrijft de interpretatie van gedaagde en

van de rechtbank van die interne instructie niet. Hij

volstaat daarbij met te wijzen op de dwingendrechtelijke

bepaling van artikel 8, lid 1, Rwb en op de toelichting

in het verweerschrift van appellant, inhoudende dat met

de - in de interne instructie gebruikte - passage

"Betalingen m.b.t. categorie 1 kunnen niet worden verrekend"

en "Betalingen m.b.t. categorie 2 kunnen niet

worden verrekend" slechts is bedoeld een tegenstelling

aan te geven.

Met betrekking tot artikel 8, lid 6, Rwb, ingevolge welk

artikellid appellant bevoegd is om in bijzondere gevallen

ten gunste van betrokkene af te wijken van het daarvoor

bepaalde, overweegt de Raad dat hem, nu van de zijde van

gedaagde niet nader is aangegeven op welke gronden zijn

geval zou kunnen en moeten worden beschouwd als een

bijzonder geval, niet is gebleken van een bijzonder geval

als hier bedoeld. Naar zijn oordeel kan reeds om die

reden niet worden gezegd dat appellants besluit van

13 november 1995 in het onderhavige geval geen toepassing

te geven aan de hem in voornoemd lid 6 gegeven bevoegdheid

een besluit is waartoe appellant in redelijkheid

niet heeft kunnen komen. De Raad merkt in dit verband nog

op dat hij - anders dan de rechtbank en gedaagde - niet

vermag in te zien dat appellant gehouden zou zijn ambtshalve

de toepasselijkheid van artikel 8, lid 6, Rwb te

overwegen in die gevallen waarin, zoals in het onderhavige,

daarom niet is verzocht en daarvoor in de beschikbare

gegevens evenmin aanknopingspunten zijn te vinden.

De Raad overweegt tenslotte dat - gelet op al het vorenoverwogene

- het beroep van gedaagde, voor zover gericht

tegen appellants nadere besluit van 13 november 1995,

ongegrond moet worden verklaard.

In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om

met toepassing van artikel 8:75 Awb appellant te veroordelen

tot vergoeding van de helft van de aan de zijde van

gedaagde in hoger beroep gemaakte kosten wegens aan

gedaagde verleende rechtsbijstand, in totaal f 710,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de

gronden;

Verklaart het beroep van gedaagde voor zover geacht te

zijn gericht tegen het besluit van 13 november 1995

ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot

een bedrag groot f 710,--, te betalen door de Staat der

Nederlanden;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van f 600,--

wordt geheven.

Aldus gegeven door mr Ch. de Vrey als voorzitter en

mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H. Bolt als leden, in

tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 11 april 1996.

(get.) Ch. de Vrey.

(get.) P.H. Schippers.

TM

154