Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-1996
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
94/1899 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang, niet-ontvankelijkverklaring, beroep mede-gericht tegen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

94/1899 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven

gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te

's-Gravenhage onder dagtekening 13 juli 1994 tussen partijen

gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere informatie verstrekt en nadere

stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 maart

1996, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl

gedaagde na schriftelijke kennisgeving niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant ging op 11 mei 1987 na een langdurige periode van

werkloosheid werken als verhuizer/bijrijder. Hij staakte dit

werk op 14 augustus 1987 wegens ziekte. Gedaagde heeft hem in

verband daarmee tot en met 20 november 1987 ziekengeld

toegekend. Appellants beroep tegen zijn hersteldverklaring per

21 november 1987 is door de Voorzitter van de toenmalige Raad

van Beroep te 's-Gravenhage gegrond verklaard.

Gedaagde heeft bij beslissing van 26 juli 1989 aan appellant

met ingang van 27 juli 1988 uitkeringen ingevolge de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend

naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Tevens heeft gedaagde bij die beslissing de uitkeringen van

gedaagde met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken onder

overweging dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum

was afgenomen naar minder dan 15%. De toenmalige Raad van

Beroep te 's-Gravenhage heeft appellants beroep tegen die beslissing

gegrond verklaard en die beslissing bij uitspraak van 22

oktober 1991 vernietigd.

Gedaagde heeft in die uitspraak berust en de aanspraken van

appellant opnieuw beoordeeld. Deze beoordeling is uitgemond in

de bestreden beslissing van 13 mei 1992. Gedaagde heeft

daarbij geweigerd aan appellant uitkering ingevolge de AAW toe

te kennen op de grond dat hij vanaf 1 januari 1986

arbeidsongeschikt is en dat hij in het refertejaar 1985 geen

inkomen heeft genoten. Gedaagde heeft daarbij voorts beslist

dat aan appellant ingaande 27 juli 1988 een uitkering

ingevolge de WAO wordt toegekend, berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft daarbij

tenslotte beslist dat laatstgenoemde uitkering met ingang van

1 juli 1989 wordt ingetrokken op de grond dat appellant bij de

aanvang van zijn verzekering ingevolge de WAO, derhalve op 11

mei 1987, reeds volledig arbeidsongeschikt was.

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de bestreden beslissing

van 13 mei 1992 bij de aangevallen uitspraak vernietigd en

gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met

inachtneming van hetgeen in die uitspraak overwogen is.

Gedaagde heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld, maar dit

beroep nadien ingetrokken.

De Raad zal eerst onderzoeken of appellant in zijn beroep

tegen de aangevallen uitspraak kan worden ontvangen.

De Raad stelt vast dat appellant uitsluitend beroep heeft

ingesteld tegen een niet dragende overweging van die

uitspraak. De rechtbank merkt daarin ter voorlichting van

appellant op dat uit de overwegingen van de rechtbank die

leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing niet

zonder meer voortvloeit dat appellant al dan niet aanspraak

heeft op een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Nu de rechtbank met deze overweging geen bindende uitspraak

heeft gedaan over appellants aanspraken ingevolge de AAW en de

WAO is de Raad van oordeel dat appellant geen in rechte te

honoreren belang heeft bij zijn hoger beroep. De Raad is van

oordeel dat het hoger beroep van appellant om deze reden

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Gedaagde heeft bij besluit van 13 december 1995 een nieuwe

beslissing genomen over appellants aanspraken. Gedaagde heeft

daarbij aan appellant met ingang van 27 juli 1989 uitkeringen

ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate

van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en deze uitkeringen

met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken omdat appellant op die

datum minder dan 25%, respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was.

Daar het hier gelet op de gedingstukken een kennelijke misslag

betreft zal de Raad de ingangsdatum van dit toekenningsbesluit

lezen als 27 juli 1988.

De Raad is van oordeel dat het besluit van 13 december 1995

moet worden aangemerkt als een besluit strekkende tot

intrekking of wijziging van een besluit, in casu de bestreden

beslissing, waartegen ten tijde van het nemen van dat besluit

een beroep aanhangig was in de zin van artikel 6:18, eerste

lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat appellants

hoger beroep, zoals hierboven is overwogen, niet-ontvankelijk

dient te worden verklaard doet daaraan niet af, omdat dit

beroep ten tijde van het nemen van dat besluit nog niet

niet-ontvankelijk was verklaard.

De Raad is voorts van oordeel dat het beroep in verband met

het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, Awb geacht moet

worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 13 december

1995 voor zover dat besluit strekt tot intrekking van

appellants uitkeringen met ingang van 1 juli 1989. Voor zover

dat besluit de toekenning van uitkeringen behelst, komt het

geheel aan het beroep tegemoet; derhalve wordt het beroep

niet geacht mede te zijn gericht tegen deze toekenning.

De Raad zal thans treden in een beoordeling van dat beroep.

Dit betekent dat de vraag dient te worden beantwoord of het

besluit van 13 december 1995 in rechte stand kan houden voor

zover appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO

daarbij met ingang van 1 juli 1989 zijn ingetrokken.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe

als volgt.

Gedaagde heeft op 26 juli 1989 een beslissing genomen die in

essentie gelijk is aan het thans bestreden besluit. Bij die

beslissing werden aan appellant met ingang van 27 juli 1988

uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend

naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en

werden die uitkeringen met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken

op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant wegens

geschiktheid voor passende functies was afgenomen naar minder

dan 15%.

Deze beslissing is door de toenmalige Raad van Beroep te 's-Gravenhage

bij uitspraak van 22 oktober 1991 vernietigd aan

welke vernietiging ten grondslag is gelegd dat appellant

blijkens rapportage van de zenuwarts J.G.M. Barnhoorn op de

datum in geding volledig arbeidsongeschikt was. De Raad stelt

op grond van de gedingstukken vast dat gedaagde in deze

uitspraak uitdrukkelijk heeft berust en dat die uitspraak in

rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat het

gedaagde niet meer vrij stond ter zake van appellants

aanspraken ingevolge de AAW en de WAO op de datum in geding

een van die uitspraak afwijkend besluit te nemen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep voor zover

het geacht wordt mede te zijn gericht tegen het

intrekkingsbesluit van 13 december 1995 gegrond is en dat dit

besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het

volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel

8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van

appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

ƒ 31,55 aan reiskosten.

Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet

gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover het mede geacht wordt gericht

te zijn tegen het besluit tot intrekking van appellants uitkeringen

van 13 december 1995 gegrond en vernietigt dit besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger

beroep tot een bedrag groot ƒ 31,55, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging.

Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van der Kade

en mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van M.M.F. Holtrop als

griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 1996.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.M.F. Holtrop.

BvW

3/4