Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-1996
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
94/929 WW, 94/931 WW, 94/933 WW, 94/935 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overneming niet genoten ATV-dagen

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 61
Werkloosheidswet 64
Wet ziekenhuisvoorzieningen 7A:1638ii
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1996, 163 met annotatie van J.W. Mathies
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

94/929 WW

O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, appellant,

en

de erven en/of rechtverkrijgenden van wijlen [betrokkene], laatstelijk gewoond

hebbende te Gieten, gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger

beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Assen onder

dagtekening 15 juni 1994 onder meer tussen appellant en wijlen [betrokkene]

gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is, gevoegd met de gedingen, genummerd 94/931 WW, 94/933 WW en

94/935 WW, behandeld ter zitting van de Raad op 15 februari 1996, waar

appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen bij zijn gemachtigde

mr L.M. Kos, werkzaam ten behoeve van appellants bedrijfsvereniging. Van de

zijde van gedaagden is niemand verschenen.

In dit geding wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

Wijlen [betrokkene], verder te noemen: [betrokkene], is van

22 augustus 1988 tot en met 6 juli 1990 als opperman in dienst geweest bij

aannemingsbedrijf [werkgever] (verder: [werkgever]) te [vestigingsplaats]. Op vrijdag 6 juli

1990 is [betrokkene] met onmiddellijke ingang ontslagen, omdat [werkgever] niet langer

aan zijn (loon)betalingsverplichtingen kon voldoen. Met ingang van maandag

9 juli 1990 is [betrokkene] bij de hoofdaannemer in dienst getreden. Op 11 juli

1990 heeft [betrokkene] appellant verzocht om op grond van hoofdstuk IV van de

Werkloosheidswet (hierna: WW) betalingsverplichtingen van [werkgever] over te

nemen, waaronder achterstallig loon, vakantierechten en vijf niet opgenomen

ADV-dagen. Bij beslissing van 21 september 1990 is op dit verzoek door

appellant afwijzend beslist, omdat [werkgever] ten tijde van het einde van de

dienstbetrekking niet verkeerde in een toestand van betalingsonmacht als

bedoeld in hoofdstuk IV van de WW. Nadat aan [werkgever] op 8 januari 1991

surséance van betaling was verleend, heeft [betrokkene] op 12 januari 1991 nog-

maals een aanvraag ingediend voor overneming van voornoemde

betalingsverplichtingen. Daarop heeft appellant, van oordeel zijnde dat

zich hier een situatie voordeed als bedoeld in artikel 62, aanhef en onder

a, van de WW, alsnog de gevraagde betalingsverplichtingen overgenomen, met

uitzondering van de niet genoten ADV-dagen. Overneming daarvan is door

appellant bij het bestreden besluit van 12 december 1991 geweigerd op de

grond dat deze dagen geacht worden te zijn opgenomen voor de beëindiging

van het dienstverband. Appellant heeft hierbij gewezen op het bepaalde in

artikel 35, vijfde lid, van de van toepassing zijnde CAO voor het

Bouwbedrijf, waarin onder meer is bepaald dat niet opgenomen ADV-dagen voor

beëindiging van het dienstverband dienen te worden opgenomen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dit besluit vernietigd en -

kennelijk met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet

bestuursrecht (hierna: Awb) - bepaald dat [betrokkene] jegens appellant recht

heeft op vergoeding van de door hem geclaimde ADV-dagen. Hiertoe heeft de

rechtbank overwogen dat, gelet op de jurisprudentie met betrekking tot

artikel (thans 7A:) 1638ii van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), moet

worden aangenomen dat ADV-dagen dienen te worden gezien als een vervangende

loonaanspraak waarvoor loon is ingeleverd, met name vergelijkbaar met een

aanspraak op loon over vakantiedagen. Waar, gelet op het bepaalde in

artikel 64 sub c van de WW, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk

IV van de WW mede vakantiegeld omvat, kan dat recht, aldus de rechtbank,

derhalve op dezelfde voet de loonwaarde van niet opgenomen ADV-dagen

omvatten. Voorts was de rechtbank van oordeel dat appellant aan de tekst

van de CAO geen argumenten kan ontlenen voor de conclusie dat de werkgever

de niet opgenomen ADV-dagen in casu niet verschuldigd zou zijn, nu er geen

sprake is geweest van opzegging als bedoeld in de betreffende CAO-bepaling,

maar van een beëindiging met onmiddellijke ingang, waardoor [betrokkene] niet in

de gelegenheid is geweest om de resterende ADV-dagen voor beëindiging van

het dienstverband op te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant in hoger beroep onder meer het

volgende aangevoerd (waarbij voor eiser appellant dient te worden gelezen

en waar onder verweerders [betrokkene] is begrepen):

"Eiser meent dat het recht op uitkering op grond van art. 64

onderdeel c van de WW niet mede kan omvatten het recht op loon

over (niet opgenomen) ADV-dagen. Anders dan de rechtbank vindt

eiser, dat recht op loon over niet opgenomen ADV-dagen niet

vergelijkbaar is met recht op loon over niet-opgenomen

vakantiedagen. De ratio achter de invoering van ADV-dagen is een

duidelijk andere dan die van vakantiedagen. Vakantiedagen zijn

ingevoerd met het doel werknemers meer vrije tijd te geven, de

ADV-dagen met het doel een (her)verdeling van arbeid te bereiken.

Laatstgenoemd doel wordt gefrustreerd wanneer in plaats van het

opnemen van de ADV-dagen loon wordt uitgekeerd. Tegen die

achtergrond moet ook de bepaling van art. 35 lid 5 van de CAO

worden gezien.

Gezien het wezenlijke verschil in betekenis tussen vakantiedagen

en ADV-dagen acht eiser het niet op zijn plaats dat de rechtbank

uitbreiding geeft aan art. 64 onderdeel c van de WW door te

bepalen dat ook de loonwaarde van niet opgenomen ADV-dagen

daaronder kan vallen. Overigens kan de vraag opgeworpen worden of

een dergelijke uitbreiding van recht op uitkering op grond van

hoofdstuk IV van de WW niet voorbehouden is aan de wetgever.

Eisers visie is, dat aanspraken over de ADV-dagen alleen voor

overname van betaling door de bedrijfsvereniging in aanmerking

zouden kunnen komen indien en voor zover ze zijn toe te rekenen

aan de in art. 64 onderdeel a en b bedoelde termijnen. In de

onderhavige gevallen bestaat ook daarop, naar eisers oordeel,

gezien het bepaalde in art. 35 lid 5 van de CAO, geen recht.

Bij haar oordeelsvorming gaat de rechtbank er, volgens eiser, ten

onrechte aan voorbij dat de vraag of verweerders bij einde

dienstbetrekking jegens werkgever [werkgever] aanspraak maakten op een

vergoeding in geld voor niet opgenomen ADV-dagen wordt beheerst

door de partij-afspraak die daaromtrent in de CAO is neergelegd

en niet, naar anologie, door art. 1638ii van het BW.

In art. 35 lid 5 onder a laatste volzin van de CAO, zoals die

gold ten tijde hier aan de orde, is bepaald dat "indien bij de

opzegging van het dienstverband blijkt dat de werknemer op het

tijdstip van beëindiging van het dienstverband recht zal kunnen

doen gelden op een groter aantal dan de feitelijke opgenomen

roostervrije dagen (=ADV-dagen), dienen deze dagen alsnog na

overleg met de werkgever voor de beëindiging van het

dienstverband te worden opgenomen". De bedoeling die uit deze

bepaling spreekt is, zo meent eiser, niet voor meerdere uitleg

vatbaar en gezien de hiervoor besproken ratio achter de invoering

van ADV-dagen ook zeer begrijpelijk. Wanneer bij opzegging van

het dienstverband nog niet alle opgebouwde ADV-dagen zijn

opgenomen kunnen die niet in geld worden uitbetaald, maar dienen

ze voor het einde van de dienstbetrekking te zijn opgenomen. Dit

betekent nu overigens ook weer niet dat er zich volgens eiser

nimmer een situatie kan voordoen waarbij een werknemer bij

opzegging van de dienstbetrekking jegens werkgever aanspraak kan

maken op loon over niet opgenomen ADV-dagen. Te denken valt

hierbij aan de situatie dat de werkgever met de noorderzon is

vertrokken en het hierdoor werknemer(s) niet mogelijk is tijdens

een opzegtermijn de ADV-dagen nog op te nemen. Een zodanige

situatie doet zich in het geval van verweerders echter niet voor.".

Dienaangaande overweegt de Raad dat hij met appellant van oordeel is

dat in het kader van hoofdstuk IV van de WW ADV-dagen niet gelijk

gesteld kunnen worden aan vakantiedagen en derhalve niet vallen onder

het toepassingsbereik van artikel 64 onder c van de WW. Zo [betrokkene]

tegenover [werkgever] aanspraak kon maken op een vergoeding terzake van

niet opgenomen ADV-dagen, ziet de Raad deze vergoeding als een

bestanddeel van het loon, vallende onder het bereik van de onderdelen

a en b van artikel 64 van de WW. In zoverre komt appellant terecht op

tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak.

Door de gemachtigde van appellant is ter zitting van de Raad niet

ontkend dat [betrokkene], op het moment dat [werkgever] op 6 juli 1990 de

dienstbetrekking opzegde, jegens [werkgever] nog aanspraak had op één of

meer ADV-dagen.

Aan appellant kan worden toegegeven dat de ratio van meergenoemde

CAO-bepaling is dat die dagen, uit een oogpunt van herverdeling van

arbeid, ook feitelijk worden opgenomen en dat, indien die dagen in

geld worden vergoed, het doel van de regeling van ADV wordt gefrustreerd.

Anders dan appellant leidt de Raad uit de laatste volzin van

artikel 35, vijfde lid, van de CAO geen volstrekte verhindering af om

de loonwaarde van niet opgenomen ADV-dagen uit te betalen. Overigens

wil de Raad niet onvermeld laten dat appellant, blijkens mededeling

van zijn gemachtigde, in een geval dat de werkgever met de noorderzon

is vertrokken, wel niet-opgenomen ADV-dagen vergoedt.

Naar het oordeel van de Raad was het voor [betrokkene] onmogelijk de ADV-dag(en)

alsnog voor het einde van het dienstverband op te nemen,

omdat het dienstverband met onmiddellijke ingang eindigde en [betrokkene]

aansluitend elders in dienst trad.

Nu [betrokkene] in de onmogelijkheid verkeerde om reeds opgebouwde ADV-dagen

op te nemen, was [werkgever], naar het oordeel van de Raad, op grond

van de in artikel (thans 7A:) 1638z BW neergelegde norm, die hem

verplicht als een goed werkgever te handelen, gehouden zijn werknemer

de dag(en) waarop nog aanspraak bestond, alsnog in geld te vergoeden.

Aangezien [werkgever] om redenen, die verband hielden met de later

ingetreden betalingsonmacht, niet aan die betalingsverplichting kon

voldoen, kon [betrokkene] daarop jegens appellant aanspraak doen gelden.

Appellant heeft derhalve ten onrechte op de in het bestreden besluit

neergelegde grond overneming van die dag(en) geweigerd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit

door de rechtbank terecht is vernietigd, zij het op gronden, die de

Raad niet geheel kan onderschrijven.

De Raad is voorts van mening dat door de rechtbank ten onrechte

toepassing is gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Het

voert de Raad in het onderhavige geval te ver om aan het feit dat

appellant de omvang van de claim niet had bestreden, de door de

rechtbank getrokken conclusie te verbinden.

Nu ter zitting de hoogte van de aanspraak van [betrokkene] niet duidelijk

is kunnen worden, komt het de Raad geraden voor dat appellant zich

hieromtrent nog nader beraadt en een nieuw besluit neemt.

Aangezien niet is gebleken dat gedaagden met betrekking tot de

onderhavige procedure kosten hebben gemaakt, welke op grond van

artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding door appellant in aanmerking

komen, acht de Raad geen termen aanwezig om aan voormeld artikel

toepassing te geven.

Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist zoals hieronder

aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij ten aanzien

van [betrokkene] zelf is voorzien met betrekking tot de gevraagde

overneming van ADV-dagen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak ten aanzien van [betrokkene] voor het

overige;

Verstaat dat appellant een nader besluit zal nemen met inachtneming

van deze uitspraak.

Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en

mr J.C.F.Talman en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van

mr G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op

28 maart 1996.

(get.) P.H. Hugenholtz.

(get.) G. Leppink-Kooistra.