Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:BJ3109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-1996
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
95/1778 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbevoegd gebruik dienstauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/1778 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 4 mei 1995 onder nr. AW 93/91 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 september 1996, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr drs B. van Els, advocaat en procureur te Amsterdam, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J. Schwartzman, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft.

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:

Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam als sluis- en brugwachter bij de Sluis-, Brug-, en Havengelddienst van de gemeente Amsterdam. Bij besluit van 7 mei 1993 heeft gedaagde appellant wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Appellant is met name verweten dat hij op 27 december 1992 zonder toestemming van zijn chef en zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs gebruik heeft gemaakt van een dienstauto terwijl geen sprake was van een noodgeval waarvoor die auto ter beschikking stond. Gedaagde heeft tevens overwogen dat appellant met die dienstauto betrokken is geraakt bij een ongeluk waarbij een vrouw ernstig werd gewond. Bij besluit van 7 mei 1993 heeft gedaagde appellant voorts doen weten dat appellant ter zake van evenvermeld ontslag geen aanspraak had op een uitkering krachtens de Uitkeringsverordening zoals die ten tijde hier van belang luidde.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen evenbedoeld ontslag ingestelde beroep alsmede diens tegen de weigering hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Uitkeringsverordening ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende:

Op grond van de beschikbare gedingstukken staat ook voor de Raad voldoende vast dat appellant zich op 27 december 1992 heeft schuldig gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim. In dit verband merkt de Raad nog op dat hij gelet op hetgeen appellant ten tijde van zijn verantwoording op 7 januari 1993 naar voren heeft gebracht niet ervan overtuigd is geraakt dat appellant, zoals hij ter zitting heeft aangegeven, door zijn collega's - onder wie de als chef dienstdoende oudste opzichter in rang - niet zou zijn voorgehouden níet van de dienstauto gebruik te maken.

Waar naar het oordeel van de Raad uit de voorhanden medische gegevens niet blijkt dat appellant op het moment waarop hij van meerbedoelde dienstauto gebruik maakte in een zodanige geestestoestand verkeerde dat hij niet (in voldoende mate) heeft kunnen beseffen dat hij de verweten gedraging diende na te laten, moet worden vastgesteld dat gedaagde bevoegd was appellant ter zake van het in het bestreden besluit aangegeven plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.

De Raad komt vervolgens toe aan de vraag of de aan appellant opgelegde straf van ongevraagd ontslag de hier aan te leggen toetsing aan het beginsel dat geen onevenredigheid mag bestaan tussen een getroffen sanctie en de ernst van het handelen of nalaten op grond waarvan die sanctie is getroffen, kan doorstaan.

Gedaagde heeft in het onderhavige geval als strafverzwarend aangemerkt dat appellant bij het ongeoorloofde gebruik van de dienstauto betrokken is geraakt bij een ongeval, waarbij een vrouw ernstig gewond is geraakt. In aanmerking genomen dat niet is gebleken van disfunctioneren van appellant vóór 27 december 1992, gelet op de omstandigheid dat van de zijde van gedaagde het risico op herhaling van het plichtsverzuim verwaarloosbaar werd geacht om welke reden appellant tot de datum van zijn ontslag zijn functie onverminderd heeft uitgeoefend, alsmede gelet op hetgeen namens gedaagde ter zitting is medegedeeld over de gekozen strafmaat acht de Raad voldoende vast te staan dat hogerbedoelde strafverzwarende omstandigheid in verhouding overigens met de aard en de ernst van het aan appellant verweten plichtsverzuim een zo zwaar accent heeft gekregen dat niet meer kan worden gesproken van evenredigheid tussen dat plichtsverzuim en de opgelegde sanctie. Tegen deze achtergrond beantwoordt de Raad de vraag of onevenredigheid bestaat tussen het gepleegde plichtsverzuim en de opgelegde straf, anders dan de rechtbank, dan ook bevestigend. Hij merkt hierbij overigens nog op dat, waar hij onvoldoende aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat ten aanzien van appellant op 27 december 1992 kon worden gesproken van een relevante verminderde toerekenbaarheid, de straf van voorwaardelijk ontslag de evenredigheidstoetsing wel zou hebben kunnen doorstaan.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagdes ontslagbesluit van 7 mei 1993 en de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kunnen worden gelaten.

Waar het ontslagbesluit in rechte niet kan worden gehandhaafd, moet worden vastgesteld dat aan gedaagdes weigering van 7 mei 1993 om appellant in aanmerking te brengen voor een ontslaguitkering de grondslag is komen te ontvallen. Ook dat besluit komt derhalve, evenals de aangevallen uitspraak in zoverre, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet in het onderhavige geval voldoende aanleiding om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.770,- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en een bedrag groot f 1.420,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede f 134,68 ter zake van reis- en verblijfkosten.

Van andere op voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten van 7 mei 1993 alsnog gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.827,34 en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.497,34, te betalen door de gemeente Amsterdam, aan de desbetreffende griffier;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem betaalde griffierecht van f 307,50 vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr H.A.A.G. Vermeulen en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 1996.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A.H. Beijer.

HD