Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:AI5670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-1996
Datum publicatie
04-09-2003
Zaaknummer
ZW1994/464
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is er sprake van causaal verband tussen het besluit van het bestuursorgaan en de gestelde immateriële schade van betrokkene?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1996, 172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

ZW 1994/464

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension-, en aanverwante bedrijven, gedaagde

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 2 augustus 1993 is appellant namens gedaagde in kennis gesteld van het besluit dat ter zake van zijn ziektegeval van 28 juli 1993 na 30 juli 1993 geen verdere uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) werd toegekend op de grond dat hij weer in staat werd geacht zijn werk te verrichten.

De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 30 mei 1994 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, hetwelk strekt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.

Gedaagde heeft de Raad bij verweerschrift d.d. 14 december 1994 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Appellant heeft zijn hoger beroep bij brieven van 27 december 1994, 18 mei 1995 (met bijlage) en 13 juli 1995 (met bijlagen) nader aangevuld.

Bij brief van 20 juli 1995 is namens gedaagde, onder toezending van een kopie van een nieuw besluit van gelijke datum, de Raad bericht dat de hersteldverklaring van appellant niet langer werd gehandhaafd en dat het besluit van 2 augustus 1993 werd ingetrokken.

Bij brieven van 27 juli 1995, 21 september 1995, 19 februari 1996 en 31 maart 1996 heeft appellant de Raad verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de tengevolge van dat besluit geleden schade, zoals in die brieven toegelicht.

Namens gedaagde is daarop gereageerd bij brieven van 18 september 1995, 16 februari 1996 en 21 maart 1996 (met bijlagen).

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 april 1996, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.J. Loontjens, werkzaam bij GAK Nederland BV.

II. MOTIVERING

De Raad constateert in de eerste plaats dat gedaagde bij zijn besluit van 20 juli 1994 geheel is tegemoet gekomen aan het beroep van appellant. Voorts acht hij het aange-wezen het hier bestreden besluit van 2 augustus 1993, mede gelet op artikel 6:19 lid 3 Algemene wet bestuurs-recht (Awb), te vernietigen. Voorts constateert hij dat gedaagde de onrechtmatigheid van dat besluit heeft erkend en zich gehouden acht de als gevolg van die onrechtmatigheid geleden schade te vergoeden.

Appellant heeft de Raad, kennelijk onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:73 Awb, verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het te laat uitgekeerde ziekengeld, van vergoeding van immateriële schade en van de door hem gemaakte porto-kosten welke hij heeft begroot op f 200,-.

Blijkens de bijlagen van gedaagdes brief d.d. 13 maart 1996 en het verhandelde ter zitting van de Raad heeft gedaagde inmiddels de wettelijke rente naar genoegen van appellant betaald. Daarover behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

Appellant stelt als gevolg van het onrechtmatig geachte besluit immateriële schade te hebben geleden, onder meer wegens de onterechte bejegening, frustraties, eerverlies, vernedering en ongeloof, inkomensderving en inkomenson-zekerheid en een tanend toekomstperspectief. Hij verzoekt vergoeding van die schade.

De Raad begrijpt het verzoek van appellant aldus dat om vergoeding wordt verzocht van immateriële schade op de voet van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). In de eerste plaats kan de Raad niet inzien dat appellant door gedaagdes besluit in zijn eer of goede naam is aangetast.

De Raad onderkent voorts dat geestelijk letsel van een benadeelde onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon, die recht geeft op ver-goeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormeld artikelonderdeel moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoon-lijkheidsrechten van de betrokkene.

Voorts moet worden bedacht -overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995, gepubliceerd in RvdW 1995,29c- dat in gevallen als het onderhavige in de regel wel sprake zal zijn van meer of minder sterk psy-chisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan. De Raad acht het aannemelijk dat ook bij appellant dergelijke gevoelens zijn ontstaan naar aanleiding van het besluit van gedaagde van 2 augustus 1993.

Naar het oordeel van de Raad is appellant er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij -in afwijking van het zojuist overwogene- zodanig onder dat besluit heeft geleden dat sprake was van een geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 BW.

Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.

Appellant heeft voorts te berde gebracht dat gedaagde zijn kansen op de arbeidsmarkt heeft geschaad, mede omdat door de hersteldverklaring per 30 juli 1993 de bemidde-ling van de Gemeenschappelijke Medische Dienst bij her-plaatsing werd gemist. Voorzover appellant met deze stelling bedoelde vergoeding van vermogensschade te vragen, moet de Raad ook dat verzoek afwijzen. De Raad acht niet aannemelijk dat appellant als direct gevolg van het onrechtmatig geachte besluit dergelijke schade heeft geleden.

Ten aanzien van de gevorderde porto-kosten overweegt de Raad als volgt. Ter zitting van de Raad heeft appellant bevestigd dat hij deze kosten heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep tegen het bestreden besluit. Aldus zijn die kosten te begrijpen onder de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb en komen zij ingevolge het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) niet voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de -exclusieve- regeling van de proceskostenveroordeling zoals neergelegd in voormeld wetsartikel en Besluit, kan niet op grond van artikel 8:73 Awb een -aanvullende- veroordeling in de proceskosten worden uitgesproken.

De Raad acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht, nu appellant desgevraagd heeft verklaard geen aanspraak te willen maken op vergoeding van zijn reis- en verblijfkosten ter bijwoning van de zitting van 10 april 1996, zijnde in casu de enige kosten die op grond van dat artikel konden worden vergoed.

Tenslotte gelast de Raad dat gedaagdes bedrijfsvereniging het door appellant in beide instanties betaalde recht ten bedrage van f 175,- aan hem vergoedt.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van 2 augustus 1993;

Wijst de gevorderde schadevergoeding af;

Gelast dat gedaagdes bedrijfsvereniging het recht van

f 175,- aan appellant vergoedt.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 1996.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) R.E. Lysen.