Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1996:AA8503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-1996
Datum publicatie
16-09-2003
Zaaknummer
95/7154 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

TICA-richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1997/23 met annotatie van GHv V
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95/7154 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 23 juni 1994 is appellante namens gedaagde in kennis gesteld van een besluit in het kader van de Ziektewet (ZW).

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 7 september 1995 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op de in een aanvullend beroepschrift van 31 januari 1996 (met bijlage) aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. Bij brief van 24 maart 1996 zijn de gronden van het beroep, onder verwijzing naar het bijgevoegde rapport d.d. 19 maart 1996 van de neuroloog-psychiater dr J. Dijkstra, nader aangevuld. Bij brief van 1 november 1996 zijn namens appellante ter ondersteuning van het beroep nog enige stukken aan de Raad toegezonden.

Gedaagde heeft bij brief van 29 maart 1996 (met bijlage) van verweer gediend en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 november 1996, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde, mr Visser voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.C. Bollen, werkzaam ten behoeve van gedaagdes bedrijfsvereniging.

II. MOTIVERING

Krachtens artikel 19 Ziektewet bestaat -voorzover hier van belang- recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder 'ongeschiktheid' wordt verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid.

Appellante heeft zich per 6 december 1993 ziekgemeld met diverse pijnklachten van met name de rechterlichaamshelft en met hoofdpijn en moeheid. Door de behandelend neuroloog W. van Pelt werd gedacht aan fibromyalgie en hij verwees haar naar de reumatologe C. van Booma-Frankfort. Deze is tot de conclusie is gekomen dat appellante aan alle criteria voor fibromyalgie voldeed en adviseerde appellante -onder meer- om vooral in beweging te blijven. Vanwege gedaagde is appellante onderzocht door de revalidatie-arts W.C.G. Blanken, die blijkens zijn rapport van 13 juni 1994 geen afwijkingen heeft kunnen constateren en van oordeel was dat appellante niet aan enigerlei lichamelijke aandoening lijdende en derhalve niet beperkt was in het verrichten van arbeid. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde appellante met ingang van 21 juni 1994 geen verder ziekengeld verleend, aangezien zij volledig arbeidsgeschikt werd geacht.

Naar ter zitting van de Raad is bevestigd, heeft appellante per 13 oktober 1993 ontslag genomen uit haar betrekking als huishoudelijk medewerkster in een kinderdagverblijf voor 32 uur per week, omdat zij die werkzaamheden te zwaar achtte. Daaruit leidt de Raad af dat appellante zelf een streep heeft gezet onder haar oude werk. Aan haar is vervolgens onverkort een werkloosheidsuitkering toegekend. Ten tijde van de ziekmelding op

6 december 1993 had appellante niet in enig ander werk hervat. In die omstandigheden kan niet meer de arbeid die appellante laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichtte, gelden als maatstaf waarnaar de ongeschiktheid tot werken moet worden beoordeeld, maar moet als zodanig worden beschouwd in billijkheid op te dragen arbeid; meer in concreto gaat het dan om lichte werkzaamheden, in dezelfde omvang als voorheen werd verricht.

Voor de vraag of appellante ten tijde in geding al dan niet tot het verrichten van dergelijke arbeid in staat was, heeft de rechtbank zich laten voorlichten door de reumatoloog J. Siebenga. Aan diens rapport van 29 maart 1995 ontleent de Raad dat de deskundige bij appellante geen duidelijke aanwijzingen voor ziekte of gebrek heeft kunnen vaststellen en dat appellante neigt tot pijn- en vermijdingsgedrag. De deskundige achtte appellante wel in staat tot het verrichten van haar in billijkheid op te dragen arbeid 'met uitzondering van zware lichamelijke werkzaamheden met repeterende bewegingen en onder tempo-druk'.

Reeds gelet op die conclusie van de deskundige Siebenga is de Raad van oordeel dat appellante ten tijde in geding niet ongeschikt kan worden geacht voor haar werk als vorenbedoeld. Het standpunt van J.Th.H.M. van de Steeg, huisarts van appellante, en van de neuroloog-psychiater dr J. Dijkstra, die op verzoek van appellante een expertise-rapport heeft uitgebracht, dat hierop neerkomt dat bij appellante een grotere beperking in de wekelijkse arbeidsduur moet worden aangenomen, acht de Raad onvoldoende geobjectiveerd. De Raad kan voorts niet inzien dat aan de door gedaagde in januari 1995 geaccepteerde ziekmelding wegens klachten van gynaecologische en urologische aard, betekenis toekomt voor de (on)geschiktheid in het onderhavige geding.

Anders dan namens appellante is betoogd, acht de Raad

-alle relevante gegevens in aanmerking nemend- bij appellante niet een situatie aanwezig, waarin gesproken kan worden van een door ziekte of gebrek veroorzaakt ernstig pijnsyndroom dat oorzaak is van arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in de uitspraak van de Raad d.d. 7 maart 1986, gepubliceerd in RSV 1986, 201.

Namens appellante is tenslotte nog aangevoerd dat vanwege gedaagde bij de beoordeling van de (on)geschiktheid tot werken van appellante niet het protocol is aangehouden als zou zijn voorgeschreven in de richtlijn van het TICA genaamd 'Medisch arbeidsongeschiktheidcriterium', die in september 1996 is verschenen.

Daargelaten welke status aan deze richtlijn toekomt en daargelaten het feit dat het onderhavige besluit ruimschoots voor de publicatie van die richtlijn is genomen, is de Raad bij de toetsing van de vraag of appellante ongeschikt was tot het verrichten van haar werk, aan die richtlijn niet gebonden.

De Raad overweegt tenslotte dat naar zijn oordeel gedaagde bij het nemen van het bestreden besluit noch onzorgvuldig noch in strijd met enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

Hetgeen overigens nog namens appellante is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een andere opvatting kunnen brengen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat beslist wordt als hierna is aangegeven. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr H. Bekker en mr M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 december 1996.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

AS/RH

1112