Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-1995
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
94/2906 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verruimde jurisprudentie per 1-1-1993. Schade, aan ambtenaar toegebracht en veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van overheid, komt in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1995/272

Uitspraak

94/2906 AW O

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Binnenlandse Zaken, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit, verzonden op 17 september 1993, heeft appellant

geweigerd het verzoek van gedaagde om vergoeding van de wettelijke

rente over het hem toekomende wachtgeld in te willigen,

alsmede toegezegd gedaagde schadeloos te stellen voor door hem

aantoonbaar geleden schade.

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van

22 september 1994, nr. AW 93/169, het door gedaagde tegen dit

besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden

besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit

neemt met inachtneming van die uitspraak; voorts heeft zij

onder meer het verzoek van gedaagde om toepassing van artikel

8:73, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om appellant

te veroordelen tot vergoeding van renteschade over de

periode van 1 december 1992 tot het tijdstip waarop de te

vergoeden (wettelijke) rente tot uitbetaling zal zijn gekomen,

toegewezen.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr D. Meindertsma, juridisch medewerkster

van de Algemeen Christelijke Politiebond te Woerden, een

verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van

21 september 1995, waar appellant niet is verschenen en waar

gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Meindertsma

voornoemd.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad het volgende ter

zake van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden.

Gedaagde is bij besluit van 16 februari 1990, genomen namens

de Minister van Justitie op grond van artikel 120, lid 1, sub

f van het Ambtenarenreglement voor de

Rijkspolitie 1975, met ingang van 1 februari 1990 eervol

ontslag verleend als wachtmeester 1e klasse van het Korps

Rijkspolitie. Appellant heeft bij besluit van 14 mei 1991

gedaagdes aanvraag tot toekenning van wachtgeld krachtens het

Rijkswachtgeldbesluit 1959 afgewezen. Dit besluit is door het

voormalige Ambtenarengerecht te Zwolle bij uitspraak d.d. 10

december 1992 nietig verklaard. Bij besluit van 25 maart 1993

heeft appellant alsnog aan gedaagde per 1 februari 1990 (tot

14 januari 1996) een wachtgelduitkering toegekend. Bij brief

van 7 april 1993 heeft gedaagde aan appellant verzocht om

vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 februari 1990.

Gedaagde heeft vanaf 28 juli 1993 de wachtgelduitkering ontvangen,

waarbij op die datum tevens het op dat moment achterstallige

bedrag aan wachtgeld is uitbetaald. Bij het bestreden

besluit is op gedaagdes verzoek om vergoeding van wettelijke

rente afwijzend beslist.

Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd

dat door gedaagde niet is gereageerd op zijn toezegging dat

hij de schade, waarvan gedaagde kan aantonen dat hij die door

het uitblijven van de betaling van zijn wachtgeld heeft geleden,

zal vergoeden. In de tweede plaats heeft appellant het

oordeel van de eerste rechter bestreden, die in de aangevallen

uitspraak heeft geoordeeld dat de rechtsontwikkeling zodanig

is voortgeschreden dat de van de burgerlijke rechter afwijkende

jurisprudentie ten aanzien van de rentevergoeding bij

nietig verklaarde besluiten in ambtenarenzaken niet langer kan

worden gevolgd. Appellant acht onjuist het oordeel van de

eerste rechter dat uit het feit dat gedaagde van appellant een

nabetaling ontvangt (als gevolg van het nietig verklaren door

het voormalige Ambtenarengerecht te Zwolle van appellants

besluit van 16 september 1991) zonder meer voortvloeit dat

gedaagde recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente

over het na te betalen bedrag. Tenslotte heeft appellant

aangevoerd dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld

dat de wettelijke rente dient te worden vergoed vanaf 2 december

1990 (de datum van de aanvraag om wachtgeld).

Gedaagde daarentegen heeft in het namens hem ingediende verweerschrift

het oordeel en de overwegingen van de eerste

rechter onderschreven.

De Raad overweegt het volgende.

Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een zogenoemd

zelfstandig schadebesluit. Onder verwijzing naar 's-Raads

uitspraken van 16 juni 1994, nr.

AW 1993/235 (gepubliceerd in TAR 1994, nr. 177), en

21 september 1995, nr. AWB 1994/519 AW (gepubliceerd in TAR

1995, nr. 243), merkt de Raad op dat voor de beoordeling van

zelfstandige schadebesluiten van belang is of deze betrekking

hebben op de vergoeding van schade die vóór, dan wel na 1

januari 1993 is, c.q. wordt geleden. In een geval, zoals het

onderhavige, waarin zowel vóór als na genoemde datum schade

wordt geleden, wordt de gehoudenheid van het bestuursorgaan

tot vergoeding van schade deels volgens de oude normen beoordeeld,

namelijk voor zover die schade geleden is in de periode

vóór 1 januari 1993, en deels volgens de verruimde jurisprudentie,

namelijk voor zover de schade na genoemde datum is

geleden.

Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op schade

die gedaagde stelt te hebben geleden in de periode vóór 1

januari 1993 dient derhalve te worden getoetst aan de ingevolge

de vaste jurisprudentie van de Raad voor de desbetreffende

periode geldende norm, inhoudende dat voor het ontstaan van

een op het bestuursorgaan rustende vergoedingsplicht jegens de

ambtenaar is vereist dat sprake is van een aan dat orgaan toe

te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden

en dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn, dat

de schade in redelijkheid voor vergoeding door dat orgaan in

aanmerking dient te komen. Hetgeen daaromtrent namens gedaagde

is aangevoerd, heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen

brengen dat in de voorliggende zaak aan die norm is voldaan.

Voor zover de afwijzing door appellant van gedaagdes verzoek

om vergoeding van wettelijke rente betrekking heeft op de

periode vóór 1 januari 1993 kan het bestreden besluit in

rechte stand houden.

Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op schade

die gedaagde stelt te hebben geleden in de periode na 1 januari

1993 is de Raad op grond van zijn verruimde jurisprudentie

van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan

houden. Door onrechtmatig handelen van appellant is aan gedaagde

de tijdige uitbetaling van de door hem aangevraagde

wachtgelduitkering onthouden. Dit brengt in beginsel voor

gedaagde de verplichting mee de daardoor veroorzaakte schade

te vergoeden. Voorzover deze schade in gederfde rente bestaat,

die voortvloeit uit het niet-tijdig voldoen van een geldsom

dient naar

's Raads oordeel aansluiting te worden gezocht bij de in het

burgerlijk recht gegeven regeling van de wettelijke rente.

In het voorliggende geval komt, naar analogie van artikel

6:119 van het Burgerlijk Wetboek, de wettelijke rente over de

niet-tijdige uitbetaling van het wachtgeld vanaf 1 januari

1993 als volgt voor vergoeding in aanmerking. Over het ten

onrechte over de betalingstijdvakken van januari 1993 tot en

met juni 1993 niet-uitbetaalde wachtgeld dient de wettelijke

rente te worden berekend steeds vanaf de dag waarop dat

wachtgeld in het desbetreffende betalingstijdvak zou zijn

uitbetaald tot de dag waarop de nabetaling heeft plaatsgehad, te

weten 28 juli 1993. Dit impliceert, ruwweg gezegd, dat de

wettelijke rente terzake van het niet-uitbetalen van het

wachtgeld over het betalingstijdvak januari 1993 dient te

worden berekend over zes maanden, de wettelijke rente terzake

van het niet-uitbetalen van het wachtgeld over het betalingstijdvak

februari 1993 over vijf maanden, en zo verder. Daarbij

geldt dat de berekening van de wettelijke rente dient te

geschieden over de bruto-bedragen van de nabetalingen en

voorts dat telkens na afloop van een vol jaar het maandbedrag

waarover de wettelijke rente is verschuldigd wordt vermeerderd

met het bedrag van de over dat voorafgaande jaar verschuldigde

rente (rente op rente).

Gelet op bovenstaande overwegingen komt de aangevallen uitspraak

voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om appellant

te veroordelen in de kosten van gedaagde, welke zijn begroot

op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste

aanleg en op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand

in hoger beroep. Voorts dient appellant aan gedaagde het door

hem in eerste aanleg betaalde griffierecht ad f 7,50 te vergoeden.

Van andere kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep, voor zover betrekking hebbende

op de betalingstijdvakken die zijn gelegen vóór 1 januari

1993, alsnog ongegrond;

Verklaart het inleidende beroep, voor zover betrekking hebbende

op de betalingstijdvakken die zijn gelegen na

1 januari 1993, gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Bepaalt dat aan gedaagde de wettelijke rente toekomt zoals in

rubriek II van deze uitspraak is aangegeven, te betalen door

de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat appellant te dien aanzien een nieuw besluit dient

te nemen;

Veroordeelt app1ellant in de kosten van het geding in eerste

aanleg en in hoger beroep aan de zijde van gedaagde gevallen,

ten bedrage van f 2847,50, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr J. Boesjes als voorzitter en

mr Ch. de Vrey en mr H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid

van P.H. Schippers als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 1995 door voornoemde

voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) J. Boesjes.

(get.) P.H. Schippers.

TM

2710