Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-1995
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
Premie 94/155
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bewijslast m.b.t. betalingen aan niet met name genoemde personen is aldus dat allereerst de bedrijfsvereniging gezien de gevraagde gegevens en inlichtingen zich op het standpunt moet kunnen stellen dat van premieloon sprake is. Vervolgens dient de ondernemer aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Slaagt de ondernemer daar niet in dan geldt voor deze (in bezwaar en beroep) de verzwaring van de bewijslast in de zin dat deze heeft aan te tonen dat niet van premieloon sprake is.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1995/215 met annotatie van C.F. de Lemos Benvindo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Premie 1994/155

O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid, appellant,

en

[A.] en [B.], handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 11 mei 1992 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld

van de beslissing om over de jaren 1986, 1987 en 1988 nader premies vast

te stellen ingevolge de -toenmalige- Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet

op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet (hierna: de

WW, ZW, WAO en Zfw) tot een bedrag van f. 25.396,- in totaal over in de

administratie van gedaagde als acquisitiekosten geboekte bedragen.

Appellant heeft daartoe in de bestreden beslissing het volgende overwogen:

"Uit een gehouden looncontrole is gebleken dat u in bovengenoemde jaren

betalingen heeft gedaan, verantwoord onder 'acquisitiekosten', aan

personen waarvan u de personalia niet heeft willen bekendmaken.

Het bestuur heeft deze gegevens nodig om te kunnen bepalen of deze personen

voor u werkzaamheden hebben verricht in een arbeidsverhouding op grond

waarvan zij verzekerd zijn ingevolge bovengenoemde sociale

verzekeringswetten. Ingevolge artikel 61 van de Organisatiewet Sociale

Verzekering (OSV), vanaf

1 januari 1989 ingevolge artikel 50a OSV, bent u verplicht deze gegevens te

verstrekken. U heeft derhalve geweigerd gegevens te verstrekken waartoe u

ingevolge een wettelijke bepaling gehouden bent.

Evenmin heeft u op een andere, voor de bedrijfsvereniging voldoende

controleerbare wijze aangetoond dat de onderhavige betalingen niet zijn

gedaan aan personen die tot u in een verzekeringsplichtige

arbeidsverhouding staan.

In aanmerking genomen dat de bedrijfsvereniging niet in staat gesteld is

door eigen onderzoek het bestaan en/of de aard van de arbeidsverhouding te

beoordelen, neemt de bedrijfsvereniging aan dat de personen aan wie de

bovenbedoelde betalingen zijn gedaan als werknemer in de zin van de

eerdergenoemde sociale verzekeringswetten zijn aan te merken.

Op grond van het bovenstaande worden de bedragen die u over de jaren 1986,

1987 en 1988 heeft uitbetaald aan onbekende personen, aangemerkt als loon

in de zin van artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).

Ingevolge de in de aanhef vermelde sociale verzekeringswetten bent u als

werkgever over dit loon premie verschuldigd.".

De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 22 december

1993 het beroep dat namens gedaagde tegen deze beslissing is ingesteld,

gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd.

Appellant is van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Bij

aanvullend beroepschrift van 9 mei 1994 (met bijlagen) zijn de gronden,

waarop het hoger beroep berust, uiteengezet.

Bij brief van 10 oktober 1994 (met bijlagen) heeft gedaagde van contra-

memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 11

januari 1995, waar van de zijde van appellant is verschenen mr A.C.J.M.

Schröder, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Gedaagde

is bij die gelegenheid verschenen bij gemachtigde mr W. Eenhoorn,

belastingadviseur te 's-Gravenhage.

II. MOTIVERING

Bij een door appellant in 1990 ingestelde looncontrole met betrekking tot

de jaren 1986, 1987 en 1988 zijn in de administratie van gedaagde bedragen

van in totaal ruim f 55.000,-- netto aangetroffen, geboekt als

"acquisitiekosten". Gedaagde heeft desgevraagd medegedeeld, zowel aan

appellant als aan de fiscale autoriteiten, dat deze bedragen zijn uitbetaald

aan (werknemers van) derden, teneinde een zakelijk relatienet te

verkrijgen, respectievelijk te behouden. Desgevraagd is vanwege gedaagde

bij brief van 11 juni 1991 nog een uitvoerige toelichting verstrekt. Voorts

heeft op 6 september 1991 nog een nader onderzoek plaatsgevonden. Het

vorenstaande heeft geleid tot de thans in geding zijnde beslissing.

De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de betalingen aan

anonieme personen, welke als "acquisitiekosten" in gedaagdes boeken zijn

geboekt, moeten worden aangemerkt als loon in de zin van de CwSV (standpunt

van appellant), dan wel als aan (werknemers van) derden gedane

betalingen teneinde een zakelijk relatienet te verkrijgen, respectievelijk

te behouden (standpunt van gedaagde).

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 61 (thans 50a) van de OSV rust op de ondernemer/werkgever

de plicht opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en

omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de sociale-

verzekeringswetten.

Appellant huldigt de opvatting, dat de werkgever die betalingen verricht

aan niet met name genoemde personen weliswaar niet steeds gehouden is de

personalia van de betreffende personen aan het uitvoeringsorgaan te verstrekken,

doch ten genoegen van het uitvoeringsorgaan op andere wijze dient

aan te tonen dat deze betalingen niet zijn gedaan ter zake van

werkzaamheden verricht in een (fictieve) dienstbetrekking. Daarbij beroept

appellant zich op de door deze Raad in 1990 en 1991 ter zake van tipgelden

gevormde jurisprudentie.

Gedaagde is de mening toegedaan, dat in een situatie als de onderhavige de

bewijslast dat de betalingen aan anonieme personen wel loon in de zin van

de CwSV zijn, op appellant rust.

De Raad overweegt, mede gelet op de coördinatie van het loonbegrip in de

CwSV en de Wet op de Loonbelasting, en in zoverre in afwijking van zijn in

1991 gevormde jurisprudentie het volgende.

In zijn arresten van 12 februari 1992 (rolnr. 27 677) en 29 april 1992

(rolnr. 27 655), gepubliceerd in BNB onder nummers 1992/148 respectievelijk

1992/332, heeft de Hoge Raad met betrekking tot de op de betrokken

werkgever rustende informatieplicht ingevolge art. 48 aanhef en onder a van

de Algemene wet inzake rijksbelastingen -welk artikel gelijkenis vertoont

met artikel 50 a van de OSV- jegens de inspecteur enkele punten

aangegeven aan de hand waarvan kan worden bepaald op wie de bewijslast rust

dat de betaalde gelden al dan niet als loon dienen te worden aangemerkt.

In rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 29 april 1992 overweegt de Hoge

Raad:

"Indien een inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen

dat uit de gevraagde gegevens en inlichtingen kan blijken dat de als

steekpenningen geboekte bedragen zijn uitbetaald aan personen ten aanzien

van wie bij degene die de betalingen heeft gedaan inhoudingsplicht bestaat,

ligt het op diens weg aannemelijk te maken dat dit niet het geval is.

Slaagt hij daarin niet, dan geldt de verplichting van artikel 48, aanhef

en letter a, van de Wet (lees: Algemene wet inzake rijksbelastingen) en

zijn bij niet-nakoming van die verplichting de artikelen 25, lid 3, en

29, lid 1, van de Wet van toepassing.".

Ter terechtzitting van de Raad heeft appellants gemachtigde naar voren

gebracht deze overweging zo te lezen, dat de bedrijfsvereniging ervan

uitgaat dat een werkgever verplicht is (alle) gevraagde gegevens over zijn

werknemers te verstrekken als niet is uitgesloten dat er sprake is van een

(fictieve) dienstbetrekking en daarmede van loon in de zin van de CwSV.

Anders dan appellant leest de Raad deze overweging in samenhang met de

overige overwegingen van de Hoge Raad in beide arresten aldus, dat

allereerst appellant zich in redelijkheid op het standpunt dient te

kunnen stellen dat uit de gevraagde gegevens en inlichtingen kan blijken

dat sprake kan zijn van premieloon. Vervolgens dient gedaagde (slechts)

aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Eerst wanneer gedaagde

daarin niet slaagt, kan premie vastgesteld worden en geldt voor haar (in

bezwaar en beroep) de verzwaring van de bewijslast in die zin dat zij zal

moeten aantonen dat er geen sprake is van bedragen die zijn uitbetaald aan

personen ten aanzien van wie zij inhoudingsplichtige is.

Onder verwijzing naar uitspraken van het Hof 's-Gravenhage van 14 juli

1960, BNB 1961/157, en het Hof Arnhem van 7 juni 1974, BNB 1975/57, waarin

criteria zijn ontwikkeld met behulp waarvan men aannemelijk kan maken dat

er sprake is geweest van het betalen van steekpenningen aan derden, heeft

gedaagde erop gewezen, dat de gepleegde betalingen zijn opgenomen in een

immer -ook vóór de in geding zijnde periode- als betrouwbaar

gekwalificeerde en goedgekeurde boekhouding. Voorts, dat deze betalingen

-door gedaagde ook bestempeld als diepte-investeringen die geen direct

aantoonbaar resultaat laten zien- in relatie tot de omzet gering waren, dat

de fiscus deze betalingen, met inbegrip van de onderhavige, altijd als

zodanig heeft aanvaard en dat in de branche waarin gedaagde werkzaam is het

betalen van tipgelden gebruikelijk is. Daarnaast heeft gedaagde aangeboden

dat getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren dat de kosten zijn

gemaakt ter verkrijging of behoud van orders en dat daarvoor aan derden,

niet zijnde personeel, betalingen zijn gedaan.

De Raad is van oordeel dat hetgeen van de zijde van gedaagde blijkens de

gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting (van meet af aan)

feitelijk consistent is aangevoerd, voldoende grond vormt om tot het

oordeel te komen dat gedaagde aan de op haar rustende bewijslast heeft

voldaan.

Gelet op het vorenstaande alsmede op artikel 22, derde lid, van de

Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van appellant een recht van f

600,-- dient te worden geheven.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De eerste rechter heeft uitspraak gedaan voor 1 januari 1994. Gelet op

hetgeen de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 5 april 1994,

gepubliceerd in JB 1994/85, worden de kosten van het geding in eerste

aanleg in zo'n geval niet betrokken in een proceskostenveroordeling op

grond van artikel 8:75 van de Awb. Gedaagde zal zich voor de vergoeding

van die kosten kunnen verstaan met appellant en bij een eventueel geschil

de burgerlijke rechter kunnen adiëren met een vordering tot schadevergoeding

op grond van onrechtmatige daad.

Met betrekking tot de kosten van het geding in hoger beroep acht de Raad

termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te

veroordelen in de kosten van de aan gedaagde verleende rechtsbijstand,

begroot op f 1.420,--. Van andere kosten op grond van dat artikel te

vergoeden is de Raad niet gebleken.

De Raad beslist mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van appellant een recht van f 600,-- wordt geheven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot

een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door appellants bedrijfsvereniging.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr A.F.M.

Brenninkmeijer en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid

van P.S. van Gelein Vitringa als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 1995 door voornoemde voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.H. Vogt. (get.) P.S. van Gelein Vitringa.

Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördi-

natiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie

instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van

het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die

wet.

Dit beroep wordt ingesteld door binnen 6 weken nadat dit afschrift der

uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de

Centrale Raad van Beroep in te zenden.