Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-1995
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
WAO 93/117
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening van een vordering jegens een overleden uitkeringsgerechtigde met aan de echtgenote toekomende overlijdensuitkering.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 53
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1995, 593 met annotatie van W.A. Sinnighe Damsté
RSV 1996/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAO 1993/117 O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen :

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, eiser,

en

[gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 26 mei 1992 heeft eiser aan gedaagde kennis gegeven van de

beslissing, inhoudende verrekening van een nog uitstaande vordering jegens

wijlen [naam echtgenoot] ad

f 22.525,- wegens onverschuldigd aan hem betaalde uitkering ingevolge de

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met een aan gedaagde

toekomende overlijdensuitkering en een nabetaling wegens vakantiegeld.

De arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 25 maart 1993

het namens gedaagde tegen die beslissing ingestelde beroep gegrond

verklaard en de bestreden beslissing vernietigd.

Eiser heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op de gronden,

aangevoerd in een aanvullend beroepschrift van 8 september 1993, is de Raad

verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en de bestreden beslissing

alsnog te bevestigen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 31 augustus

1994, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door mr M.A.B. Vogt,

werkzaam bij de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid en waar gedaagde

in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr ir A.F. van Dam, advocaat en procureur te Arnhem.

Vervolgens is de Raad gebleken dat het noodzakelijk was de behandeling van

het geding aan te houden.

De behandeling van het geding is voortgezet ter terechtzitting van de

Raad van 26 april 1995, waar eiser zich niet heeft laten vertegenwoordigen

en waar gedaagde in persoon is verschenen.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in

werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven

wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het

onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het

procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de

mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in de artikelen

8:75 en 8:75a van de Awb.

Gedaagdes echtgenoot, [naam echtgenoot], die op 7 februari 1992 is overleden,

ontving een uitkering ingevolge de WAO, welke sedert 5 november 1990 was

berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Eiser

heeft bij beslissing van 11 mei 1990 een bedrag van

[naam echtgenoot] teruggevorderd van f 22.525,- wegens over de periode van 1

maart 1984 tot en met 28 februari 1989 overschuldigd betaalde uitkering

ingevolge de WAO. Het tegen die beslissing ingestelde beroep is bij

beschikking ex artikel 94 van de Beroepswet d.d. 6 december 1990

niet-ontvankelijk verklaard en het tegen deze beschikking gedane verzet is

bij uitspraak van de toenmalige Raad van Beroep te Arnhem d.d. 26 maart

1991 ongegrond verklaard, zodat de beslissing van 11 mei 1990 rechtens

verbindend is geworden.

In dit geding is tussen partijen in geschil de vraag of het ten tijde van

de bestreden beslissing nog resterende deel van bovengenoemde vordering op

[naam echtgenoot] op grond van artikel 57 van de WAO kan worden verrekend met de

aan gedaagde op grond van artikel 53 van de WAO toekomende

overlijdensuitkering.

De Raad beantwoordt die vraag, evenals de eerste rechter, ontkennend en

overweegt daartoe als volgt.

Op grond van artikel 57 van de WAO is de bedrijfsvereniging onder bepaalde

voorwaarden bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald

geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, of in mindering te brengen op

een later te betalen uitkering op grond van deze wet of de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet.

Van de zijde van eiser is in hoofdzaak betoogd dat laatstgenoemde

verrekeningsmogelijkheid zich niet alleen kan voordoen in de situatie

waarin degene aan wie eerder onverschuldigd uitkering ingevolge de WAO werd

betaald dezelfde persoon is die thans recht heeft op (uitbetaling van) de

uitkering waarmee eiser wil verrekenen. Naar eisers oordeel is in casu

doorslaggevend dat zowel eisers vordering als het aan gedaagde toekomende

recht op uitkering ingevolge artikel 53 WAO dezelfde oorzaak hebben,

namelijk beide het gevolg zijn van het aan wijlen gedaagdes echtgenoot

toegekende recht op uitkering ingevolge de WAO.

De Raad kan eiser hierin niet volgen. Naar het oordeel van de Raad richt

deze bepaling zich slechts tot de persoon of de instelling aan wie

respectievelijk aan welke betaling heeft plaatsgevonden. Indien de

uitkeringsgerechtigde is overleden treden de erven en rechtverkrijgenden

hierbij in de plaats van de overledene, hetgeen echter niet betekent dat

artikel 57 van de WAO grond biedt om te verrekenen met een aan een van de

erfgenamen van de uitkeringsgerechtigde toekomende overlijdensuitkering.

De onderhavige terugvorderingsbeslissing d.d. 11 mei 1990

was gericht aan [naam echtgenoot] en het nog niet terugbetaalde deel van die

vordering maakt na diens overlijden deel uit van de nalatenschap, tot

welke nalatenschap gedaagde zich verhoudt als mede-erfgename (gedaagde

heeft de erfenis aanvaard). De overlijdensuitkering komt op grond van het

bepaalde in artikel 53, lid 1 sub a van de WAO rechtstreeks toe aan

gedaagde als echtgenote van de overledene en kan om die reden niet

verrekend worden met de nog uitstaande schuld van de overledene. Een en

ander is ook in overeenstemming met het doel van de krachtens artikel 53

van de WAO verstrekte uitkering, welke is bestemd voor het dekken van

plotseling opkomende kosten wegens overlijden. Bij wet van 13 december

1990, houdende vaststelling van een algemene regeling van beslag op loon,

sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen, Stb. 1990, 605, is

blijkens de Memorie van Toelichting om die reden onder meer ook aan

artikel 53 van de WAO een lid toegevoegd, waarbij is bepaald dat deze

uitkering niet vatbaar is voor beslag.

De Raad meent voor zijn oordeel dat een verrekening als de onderhavige niet

behoort plaats te vinden, ook steun te vinden in artikel 6:127, lid 2 en 3

van het Burgerlijk Wetboek, waarin onder meer is bepaald dat de bevoegdheid

tot verrekening van schulden alleen bestaat jegens dezelfde wederpartij

en mits vordering en schuld niet in van elkaar gescheiden vermogens vallen.

Voorts is op grond van artikel 6:135, aanhef en sub a van het BW bepaald

dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening, voorzover beslag op

de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn.

De Raad merkt ten slotte op, dat de uitspraken van de Raad waarop eiser

zich heeft beroepen (gepubliceerd in RSV 1985/195 en RSV 1987/121) niet tot

een ander oordeel behoeven te leiden, nu daarin aan de orde was

terugvordering van aan een verzekerde onverschuldigd betaalde uitkering

van zijn enige erfgename, respectievelijk terugvordering van ten onrechte

aan de echtgenote van een (overleden) verzekerde uitbetaalde uitkering van

die echtgenote. Dat de Raad zodanige terugvorderingen in beginsel

mogelijk heeft geacht impliceert geenszins de toelaatbaarheid van een

verrekening als de onderhavige.

Gezien het vorenstaande, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging

aanmerking.

Voorzover namens gedaagde is beoogd een vergoeding voor gederfde rente te

vorderen, overweegt de Raad dat de op het onderhavige geding (naast artikel

8:75 van de Awb) van toepassing zijnde bepalingen van de Beroepswet

hiertoe geen mogelijkheid bieden.

De Raad is voorts van oordeel dat er aanleiding is om eiser op grond van

artikel 8:75 van de Awb als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen

in de kosten aan de zijde van gedaagde in hoger beroep gevallen, welke zijn

begroot op f 710,-, als kosten van rechtsbijstand en f 63,74 als

reiskosten.

Tenslotte dient, gelet op artikel 80a (oud) van de Beroepswet, van eiser

een recht van f 200,- te worden geheven.

Gezien het vorenstaande, dient te worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt eiser in de proceskosten van gedaagde tot

een bedrag groot f 773,74, te betalen door eisers bedrijfsvereniging aan

de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en

mr H.C. Cusell en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van

M.M. van Maurik als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 1995 door

mr H.C. Cusell als voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde

griffier.

(get.) H.C. Cusell. (get.) C.G.L. Plomp.

(get.) M.M. van Maurik.