Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1995:AN4456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-1995
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
WW 1993/603; WW 1993/604
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de arbeidsovereenkomst van betrokkene was een ontbindende voorwaarde opgenomen. Naar het oordeel van de BV was deze voorwaarde niet rechtsgeldig en was de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze beëindigd. Betrokkene zou door geen schadeloosstelling te vorderen over de opzegtermijn een benadelingshandeling hebben gepleegd. Gelet op NJ 1992/509, kan een ontbindende voorwaarde onverenigbaar zijn met het gesloten stelsel van ontslag, maar dit is niet noodzakelijkerwijs het geval. Van geval tot geval dient te worden bezien in hoeverre de strekking van de regels inzake beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot nietigheid van de ontbindende voorwaarde leidt. Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval moet de kans van slagen van een door betrokkene tegen zijn werkgever in te stellen vordering waaraan de nietigheid van de ontbindende voorwaarde ten grondslag zou moeten worden gelegd als kwestieus, en zeker niet als overwegend positief worden ingeschat. Betrokkene heeft derhalve geen benadelingshandeling jegens de BV gepleegd door niet tijdig in een civiele procedure jegens zijn werkgever schadeloosstelling wegens het niet in acht nemen van de geldende opzeggingstermijn te vorderen.

Indien de ontbindende voorwaarde geldig is, is de arbeidsovereenkomst van betrokkene rechtsgeldig beëindigd en heeft betrokkene, omdat tot de beëindiging alles was afgerekend, geen vordering op zijn werkgever. Indien de ontbindende voorwaarde nietig moet worden geacht, dan had betrokkene een schadeloosstelling over de opzegtermijn kunnen vorderen. Betrokkene heeft echter eerst een schadeloosstelling ter grootte van een maand loon gevorderd, toen dat vorderingsrecht reeds was verjaard. Zoals eerder overwogen in RSV 1993/277, mag de BV bij de beoordeling van een vordering op grond van hoofdstuk IV WW tegenover de werknemer dezelfde verweren voeren als de werkgever. Dit betekent, dat betrokkene in ieder geval geen aanspraak kan maken op een uitkering op grond van hoofdstuk IV WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1995, 561
RSV 1995, 212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WW1993/603, WW1993/604

Partij(en)

Uitspraak in de gedingen tussen het bestuur van de Nieuwe Algemene BV, eiser, en [S. te D.], gedaagde

Uitspraak

I. Ontstaan en loop van de gedingen

Eiser is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te 's‑Gravenhage onder dagtekening 21 oktober 1993 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van de Raad op 16 februari 1995, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.W. M., werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor en waar gedaagde niet is verschenen.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten in hoger beroep als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.

Gedaagde is in 1989 in dienst getreden van de Vereniging Casinoclub V. te D. (hierna de werkgeefster) als spelbediende ten behoeve van het Golden Tenspel. Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende overeenkomst trad gedaagde in dienst ingaande 1 december 1989 en eindigend op 31 mei 1990, terwijl het dienstverband bij continuering geacht werd wederom voor zes maanden te zijn aangegaan.

Artikel 6 van de overeenkomst luidt als volgt:

‘Wanneer om een of andere wettelijke reden ongeacht de oorzaak de bedrijfsactiviteiten moeten worden gestaakt wordt de arbeidsovereenkomst met directe ingang beschouwd als beëindigd.’

De werkgeefster heeft na justitieel ingrijpen op 13 september 1990 de bedrijfsactiviteiten gestaakt en bij brief van 17 september 1990 aan eiser meegedeeld dat het dienstverband op grond van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst per 14 september 1990 is beëindigd.

Naar aanleiding van gedaagdes verzoek hem wegens zijn op 14 september 1990 ontstane werkloosheid een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen heeft eiser bij de bestreden beslissing van 8 april 1991 uitkering over de periode van 14 september 1990 tot 14 oktober 1990 geweigerd, omdat gedaagde een benadelingshandeling had gepleegd.

Op 4 april 1991 heeft gedaagde eiser verzocht hem uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW toe te kennen over de vanaf 14 september 1990 lopende opzeggingstermijn van een maand. Dit verzoek is bij de bestreden beslissing van 28 juni 1991 afgewezen.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of gedaagde jegens eiser een benadelingshandeling heeft gepleegd als omschreven in artikel 25, aanhef en onder b, van de WW.

In de bestreden beslissing van 8 april 1991 heeft eiser het standpunt ingenomen dat de werkgeefster, ondanks het bepaalde in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst, een opzeggingstermijn van een maand in acht had dienen te nemen, zodat de werkgeefster, door zulks niet te doen, deze overeenkomst op onregelmatige wijze heeft beëindigd. Gedaagde heeft, volgens eiser, een benadelingshandeling gepleegd door ten onrechte na te laten van de werkgeefster de over de opzeggingstermijn verschuldigde schadeloosstelling te vorderen.

De eerste rechter is tot de conclusie gekomen dat artikel 6 van de arbeidsovereenkomst een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde vormt, zodat de arbeidsovereenkomst geacht moet worden op 13 september 1990 te zijn geëindigd, en van het plegen van een benadelingshandeling door gedaagde geen sprake was.

Van de zijde van eiser is hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat de betrokken voorwaarde nietig is te achten, zodat gedaagde ten onrechte heeft berust in het niet in acht nemen van de geldende opzeggingstermijn.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

Nu de werkgeefster, naar uit de stukken is gebleken, niet bereid was om over de periode van 14 september 1990 tot 14 oktober 1990 loon dan wel een schadeloosstelling te betalen, kon gedaagde een eventuele aanspraak op schadeloosstelling over de opzeggingstermijn alleen geldend maken, indien hij zich in een procedure bij de kantonrechter had beroepen op de omstandigheid dat artikel 6 van de arbeidsovereenkomst geen rechtsgeldige werking had.

Zoals uit jurisprudentie van deze Raad blijkt (zie onder meer de uitspraak van 20 april 1993, gepubliceerd in RSV 1993/280) zal niet gesproken kunnen worden van het plegen van een benadelingshandeling, indien weliswaar wordt afgezien van het voeren van een civiele procedure, maar de kans van slagen van een dergelijke procedure als kwestieus, en in ieder geval niet als overwegend positief moet worden ingeschat.

De eerste rechter heeft met betrekking tot de vraag wat er zij van bedoelde ontbindende voorwaarde terecht overwogen dat de Hoge Raad bij arrest van 6 maart 1992, NJ 1992, 509, heeft uitgesproken dat een ontbindende voorwaarde met het gesloten stelsel van het ontslagrecht onverenigbaar kan zijn, maar niet noodzakelijkerwijs behoeft te zijn, waarbij van geval tot geval dient te worden bezien in hoeverre de strekking van de regels inzake beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot nietigheid van de ontbindende voorwaarde leidt.

Eiser moet worden toegegeven dat de ontbindende voorwaarde waar bedoeld arrest over ging, anders dan hier het geval is, een voor de uitoefening van de arbeidsovereenkomst vereiste hoedanigheid van de werknemer betrof, maar de Raad is van oordeel dat uit bedoeld arrest, noch overigens uit de daarop verschenen commentaren, valt af te leiden dat die omstandigheid allesbepalend is geweest, in die zin dat indien de ontbindende voorwaarde niet de hoedanigheid van de werknemer zou betreffen, reeds hierom aan die voorwaarde de geldigheid zou moeten worden ontzegd.

De Raad merkt op dat het hier gaat om een arbeidsovereenkomst met een spelbediende, welke arbeidsovereenkomst, nu het betrokken casino wegens politieoptreden is gesloten, geheel doel zou missen.

Verder acht de Raad van belang dat niet alleen, zoals de eerste rechter heeft overwogen, de werkgeefster, maar, naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, ook gedaagde zich ervan bewust was dat de bedrijfsactiviteiten, ter uitvoering waarvan onder meer gedaagde in dienst was genomen, wellicht op enig moment wettelijk onmogelijk zouden worden en dat de betrokken ontbindende voorwaarde met het oog daarop in de arbeidsovereenkomst was opgenomen. Gegeven die situatie kan dan ook bezwaarlijk worden gezegd dat de vervulling van de voorwaarde door de werkgeefster in de hand is gewerkt.

Voorts ziet de Raad er niet aan voorbij dat, zoals van de zijde van eiser is aangevoerd, politieoptreden, als hier aan de orde tot het bedrijfsrisico van de werkgeefster moet worden gerekend, zodat normaal gesproken bij een dergelijk optreden het loon op grond van het bepaalde in artikel (thans 7A:)1638d van het BW doorbetaald zou moeten worden, maar anderzijds wil de Raad erop wijzen dat bedoeld artikel de mogelijkheid biedt bij schriftelijke overeenkomst ervan af te wijken.

Vorenvermelde omstandigheden in onderling verband in ogenschouw nemende is de Raad van oordeel dat de kans van slagen van een door gedaagde tegen zijn werkgeefster in te stellen vordering, waaraan de nietigheid van voormeld artikel 6 ten grondslag zou moeten worden gelegd, als kwestieus, en zeker niet als overwegend positief moet worden ingeschat.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat gedaagde geen benadelingshandeling jegens eiser heeft gepleegd door niet tijdig in een civiele procedure jegens zijn werkgeefster schadeloosstelling wegens het niet in acht nemen van de geldende opzeggingstermijn te vorderen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat bij de bestreden beslissing van 8 april 1991 ten onrechte een sanctie is getroffen wegens het plegen van een benadelingshandeling door gedaagde, zodat deze beslissing door de eerste rechter terecht, zij het op andere gronden, is vernietigd.

Met betrekking tot het verzoek van gedaagde om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW overweegt de Raad het volgende.

De in de bestreden beslissing van 28 juni 1991 gehanteerde afwijzingsgrond dat bij de werkgeefster geen sprake zou zijn van betalingsonmacht wordt door eiser niet langer gehandhaafd. Dit betekent dat de bestreden beslissing van 28 juni 1991 op een onjuiste grondslag berust en derhalve door de eerste rechter terecht niet in stand is gelaten.

De Raad zal zich voorts beraden omtrent het in de procedure in eerste aanleg naar voren gebrachte en in hoger beroep gehandhaafde standpunt van eiser, inhoudende dat het vorderingsrecht dat gedaagde jegens zijn werkgeefster had inmiddels door verjaring is vervallen, zodat een verzoek tot overneming van de betrokken vordering op grond van artikel 61 en volgende van de WW dient te worden afgewezen.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

Indien eiser geen gelijk zou hebben met zijn stelling dat meergenoemd artikel 6 van de betrokken arbeidsovereenkomst nietig is te achten, dan is aan bedoelde arbeidsovereenkomst op 13 september 1990 rechtsgeldig een einde gekomen, en zou gedaagde, omdat tot de beëindiging alles was afgerekend, in het geheel geen vordering op zijn werkgeefster hebben. In dat geval zou gedaagdes verzoek om uitkering op grond van artikel 61 van de WW dienen te worden afgewezen, op de grond dat gedaagde geen vordering jegens zijn werkgeefster had.

Indien artikel 6 van de arbeidsovereenkomst wel nietig zou moeten worden geacht, dan had gedaagde aanvankelijk jegens zijn werkgeefster een vorderingsrecht als bedoeld in artikel (thans 7A:)1639o, vierde lid van het BW, wegens het onregelmatig beëindigen van de voortgezette arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

In dit verband merkt de Raad op dat gedaagde in ieder geval na ontvangst van eisers brief van 4 januari 1991 op de hoogte was van het feit dat zijn werkgeefster volgens eiser niet de geldende opzeggingstermijn van tenminste een maand in acht had genomen. Desondanks heeft gedaagde eerst bij brief van 11 maart 1991 zijn werkgeefster aangemaand nog een bedrag ter grootte van een maand loon te betalen, welk verzoek door de werkgeefster vervolgens is afgewezen. Daarop heeft gedaagde op 4 april 1991 bij eiser een verzoek ingediend om uitkering op grond van artikel 61 van de WW, ter grootte van de schadeloosstelling over een maand opzeggingstermijn.

Op dat moment was evenwel de termijn van zes maanden, waarna het hier aan de orde zijnde vorderingsrecht op grond van artikel (thans 7A:)1639u van het BW verjaart, reeds verstreken.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 maart 1993, gepubliceerd in RSV 1993/277, merkt de Raad op dat eiser in het kader van een beoordeling van een vordering waarvan overneming op grond van hoofdstuk IV van de WW wordt verlangd dezelfde verweren mag voeren als de werkgever tegenover de werknemer zou mogen voeren. Gelet hierop komt eiser in het onderhavige geval het recht toe zich te beroepen op de in artikel (thans 7A:) 1639u van het BW voorkomende verjaringstermijn van 6 maanden. De Raad kan in dit verband het betoog van eiser onderschrijven, dat hij in zoverre belang heeft bij het tijdig indienen van een verzoek om uitkering op grond van artikel 61 van de WW, dat hij, bij tijdige toekenning van die uitkering, door subrogatie kan treden in de volgens hem bestaande rechten van gedaagde, en aldus zonodig tijdig een procedure tegen de werkgever aanhangig kan maken om de vordering in rechte erkend te krijgen. De Raad wil er in dit verband op wijzen dat de werkgeefster (nog) niet in staat van faillissement was verklaard en evenmin surséance van betaling had verkregen, zodat het niet mogelijk was de vordering via de curator of de bewindvoerder erkend te krijgen.

Uit het vorenstaande volgt dat thans in het midden kan worden gelaten of meergenoemde ontbindende voorwaarde nu wel of niet nietig was, omdat gedaagde in elk van beide situaties geen aanspraak kan maken op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

Gelet hierop zal de Raad, met toepassing van artikel 70 van de Beroepswet, terzake zelf in de zaak voorzien.

Aan de Raad is niet gebleken van kosten van gedaagde voor de gedingvoering in hoger beroep die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking zouden komen.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 80a, tweede lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van eiser een recht van ƒ 200 dient te worden geheven.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bepaalt dat gedaagdes verzoek om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW wordt afgewezen;

verstaat dat van eiser een recht van ƒ 200 wordt geheven.