Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1995:AA8482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-1995
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
WW 1994/194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18, geldigheid: 1995-08-28
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 1995-08-28
Algemene wet bestuursrecht 6:24, geldigheid: 1995-08-28
Algemene wet bestuursrecht 6:27, geldigheid: 1995-08-28
Algemene wet bestuursrecht 8:31, geldigheid: 1995-08-28
Algemene wet bestuursrecht 8:59, geldigheid: 1995-08-28
Algemene wet bestuursrecht 6:18, geldigheid: 1995-08-28
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 1995-08-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1995/268 met annotatie van JMED

Uitspraak

WW 1994/194

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B, appellant,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is mr M. de Boorder, advocaat te

's-Gravenhage, op bij een hoger beroepschrift en een aanvullend hoger beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 18 augustus 1993 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Dit beroep is tijdig ingesteld met toepassing van artikel 79 van de Beroepswet, zoals deze luidde tot 1 januari 1994, nadat gedaagde zijn beroep tegen voornoemde uitspraak had ingetrokken.

Bij brieven van 19 april en 3 mei 1995, met bijlagen, heeft gedaagde de door de Raad gestelde vragen beantwoord.

Namens appellant is daarop gereageerd bij brieven van

27 april, 29 juni en 10 juli 1995, met bijlagen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

1 augustus 1995, waar appellant, hoewel ambtshalve als partij opgeroepen om in persoon te verschijnen, niet in persoon is verschenen, doch bij zijn gemachtigde

mr De Boorder, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr G.P. van Delft, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en de

Beroepswet gewijzigd. Het hoger beroep is namens appellant ingesteld bij hoger beroepschrift van 12 april 1994. Aangezien zich ten deze geen van de situaties voordoet die in de hier toepasselijke wettelijke regels van overgangsrecht zijn voorzien is, anders dan de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft betoogd, het procesrecht van toepassing zoals dat luidt met ingang van 1 januari 1994.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft van 4 september 1989 tot en met 31 juli 1991 als internationaal chauffeur in een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd gestaan tot X Transporten B.V. te Bergschenhoek (hierna: X). Van 8 juli 1991 tot en met 8 september 1991 was appellant wegens ziekte arbeidsongeschikt en ontving hij een uitkering ingevolge de Ziektewet. Appellant heeft zich op 10 september 1991 als werkzoekend chauffeur laten inschrijven bij het arbeidsbureau te 's-Gravenhage. Op 18 september 1991 heeft appellant gedaagde verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW). Daarbij heeft appellant aangegeven, wegens een aantal in zijn aanvrage voor die uitkering genoemde bezwaren, ontslag te hebben genomen bij X.

Bij de bestreden beslissing van 17 februari 1992 heeft gedaagde appellant met ingang van 9 september 1991 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Voorts heeft gedaagde daarbij, met kennelijke toepassing van artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onder b van de WW en artikel 27 van die wet, besloten om op deze uitkering een sanctie toe te passen, inhoudend een korting op de uitkering van 20% gedurende 13 weken, wegens verwijtbare werkloosheid. Gedaagde was blijkens de bestreden beslissing van oordeel dat de door appellant genoemde, als aan de dienstbetrekking verbonden, bezwaren niet zodanig waren dat voortzetting van de dienstbetrekking door appellant redelijkerwijze niet van hem kon worden gevergd. Gedaagde was voorts van oordeel dat appellant door zijn ontslag zeer verwijtbaar werkloos was geworden.

De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden beslissing niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat beroep was gericht tegen vaststelling door gedaagde van appellants dagloon. Voor het overige is dat beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd en is bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is overwogen.

Blijkens de aangevallen uitspraak was de eerste rechter van oordeel dat gedaagde zonder nader onderzoek en derhalve niet op goede gronden heeft beslist dat aan appellant eerst ingaande 9 september 1991 WW-uitkering toekomt.

Aangezien de sanctie was ingegaan op de dag waarover voor het eerst uitkering was verstrekt kon ook de sanctie niet in stand blijven.

In een overweging ten overvloede heeft de rechtbank voorts als haar oordeel te kennen gegeven van mening te zijn dat gedaagde in redelijkheid tot de opgelegde sanctie heeft kunnen beslissen, aangezien de rechtbank de door appellant tegen de voortzetting van zijn dienstbetrekking aangevoerde bezwaren niet zodanig achtte dat van appellant redelijkerwijs niet gevergd kon worden zijn dienstbetrekking voort te zetten en ondertussen om te zien naar een andere dienstbetrekking.

In hoger beroep heeft appellant de hiervoor samengevatte overweging ten overvloede van de rechtbank bestreden.

De Raad is van oordeel dat die overweging partijen beoogt te binden zodat het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak niet reeds op niet-ontvankelijkheid wegens de niet-bindendheid van de bedoelde overweging afstuit.

Gedaagde heeft berust in de aangevallen uitspraak. Op

17 juni 1994 heeft gedaagde, nadat onderzoek was gedaan naar appellants beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt gedurende de periode van 1 augustus tot 9 september 1991, een nieuw besluit genomen. Daarin is aan appellant wederom per 9 september 1991 een WW-uitkering toegekend waarop een korting van 20% gedurende 13 weken is toegepast, op dezelfde gronden als waarop de bestreden beslissing van 17 februari 1992 rustte.

Ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb wordt het hoger beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van gedaagde van 17 juni 1994.

De Raad overweegt het volgende.

Onder toepassing van artikel 8:59 van de Awb is appellant bij brief van 11 juli 1995 vanwege de griffier van de Raad opgeroepen om als partij in persoon op 1 augustus 1995 ter zitting van de Raad te verschijnen voor het geven van inlichtingen.

Ingevolge artikel 8:27 van de Awb was appellant verplicht aan die oproeping gevolg te geven. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de Raad indien een partij niet voldoet aan de voormelde verplichting daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. In voormelde oproeping is appellant op een en ander gewezen.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard ervan uit te zijn gegaan dat appellant ter zitting van de Raad zou verschijnen. Dat appellant niet was verschenen weet deze gemachtigde aan mogelijk bij appellant levende gevoelens van schaamte om voor een rechter te verschijnen.

De Raad acht hierin voor appellant geen deugdelijke grond gelegen om niet te zijner zitting te verschijnen.

Voorts overweegt de Raad dat de gemachtigde van appellant weliswaar enige door de Raad verlangde inlichtingen heeft kunnen geven, maar wat de gemachtigde in dit kader naar voren heeft gebracht is verre van toereikend geweest. De Raad heeft hierbij in het bijzonder acht geslagen op het feit dat door en namens appellant in de loop van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep, ten aanzien van de omstandigheden waaronder het ontslag van appellant heeft plaatsgevonden, tegenstrijdige lezingen zijn gegeven, waarvoor de gemachtigde ter zitting van de Raad geen genoegzame verklaring heeft kunnen geven.

De Raad acht gezien het voorgaande termen aanwezig om appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. Aangezien dit beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van gedaagde van 17 juni 1994 zal ook dit beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op het voorgaande acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak;

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het besluit van gedaagde van 17 juni 1994.

Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 1995 door

mr J.C.F. Talman als voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) J.C.F. Talman. (get.) P.H. Hugenholtz.

(get.) G. Leppink-Kooistra.

AS

79