Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-1994
Datum publicatie
06-07-2004
Zaaknummer
ZFW 92/12
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Europese verdragen; discriminatie naar nationaliteit.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26, geldigheid: 1994-11-18
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 25, geldigheid: 1994-11-18
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 27, geldigheid: 1994-11-18
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 27, geldigheid: 1994-11-18
Ziekenfondswet 10, geldigheid: 1994-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1996, 39
RSV 1995, 217
RZA 1995, 11

Uitspraak

ZFW 1992/12

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

B. Hallouzi, wonende te Amsterdam, eiser,

en

het Ziekenfonds Amsterdam en Omstreken, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 19 november 1987 heeft gedaagde aan eiser kennis gegeven van

een beslissing tot weigering van vergoeding van kosten, gemaakt bij het

inroepen van geneeskundige hulp.

De voormalige Raad van Beroep te Amsterdam heeft het tegen deze beslissing

ingestelde beroep bij uitspraak van 30 juni 1992 ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft mr C.A.J. de Roy van Zuydewijn tegen deze uitspraak

hoger beroep ingesteld.

Op de bij aanvullend beroepschrift van 22 januari 1993 aangevoerde gronden

heeft zij de Raad verzocht de uitspraak van de Raad van Beroep en

gedaagdes bestreden beslissing te vernietigen en te bepalen dat gedaagde

eisers verzoek om vergoeding van kosten zal honoreren.

Bij fax-schrijven van 3 oktober 1994 heeft de gemachtigde van eiser de Raad

nog een stuk doen toekomen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 7

oktober 1994. Van partijen is daar alleen eiser verschenen, en wel bij

gemachtigde

mr De Roy van Zuydewijn voornoemd.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader

gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op

het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het

procesrecht zoals dat luidde vóór

1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van

proceskosten, als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.

Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en woont met zijn gezin in

Nederland. Tijdens een kort verblijf in Brussel voor familiebezoek in

augustus 1987 is eisers dochter Hanan, geboren 17 juni 1986, met acute

ziekteverschijnselen opgenomen in een Belgisch ziekenhuis, waar medische

behandeling heeft plaatsgevonden. De kosten van opname en behandeling ten

bedrage van BFR 29.317 zijn aan eiser in rekening gebracht. Eisers

ziektekostenverzekeraar, te weten gedaagde, bij wie Hanan als mede-

verzekerde is ingeschreven, heeft geweigerd deze kosten aan eiser te

vergoeden. Hieraan heeft gedaagde ten grondslag gelegd het bepaalde in de

artikelen 25 lid sub en c en artikel 27 van het op artikel 10 van de

Ziekenfondswet berustende Verstrekkingenbesluit (nader uitgewerkt in het

Besluit van de Ziekenfondsraad van 21 december 67, Stcrt. 1968,18), terwijl

voorts in de beslissing is overwogen dat eiser aan het bepaalde in de

Verordening EEG nr. 1408/71 geen aanspraken kan ontlenen, aangezien hij

geen onderdaan is van één van de EEG-lidstaten.

De Raad van Beroep heeft deze beslissing in stand gelaten, daarbij het

beroep namens eiser op artikel 41, lid 1, van de

Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko en op artikel 26 van het

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR,

Trb. 1978,177) verwerpende.

In hoger beroep heeft eiser zich met name op de twee laatstgenoemde

internationaalrechtelijke bepalingen beroepen.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad aanvaardt als juist,

dat eiser krachtens nationaal recht geen aanspraak op vergoeding van de

onderwerpelijke kosten kan maken.

Het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering beperkt die mogelijkheid,

voorzover hier van belang, tot gevallen waarin sprake is van verblijf

buitenslands wegens beroepswerkzaamheden.

Hier doet zich derhalve niet een geval voor als waarvan sprake was in zowel

het arrest Kziber (Hof van Justitie der EG d.d. 31 januari 1991, zaak

C-18/90, zie RSV 1993/3) als het arrest Yousfi (idem, d.d. 23 februari

1994, zaak C-58/93, nog niet gepubliceerd), te weten de weigering van een

prestatie waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, op grond van de

nationaliteit van de betrokkene (zie het dictum van beide arresten). Naar

het oordeel van de Raad is de strekking van artikel 41,

lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tot laatstbedoelde categorie

gevallen beperkt;

in het bijzonder is niet aannemelijk dat die bepaling er mede toe strekt

elk onderscheid naar nationaliteit tussen onderdanen van EG-lidstaten die

zich binnen de gemeenschap bewegen en Marokkanen die zich in de

gemeenschap bevinden, weg te nemen. In de laatste, namens eiser verdedigde

opvatting zou bovendien het nader in artikel 41 van de overeenkomst

bepaalde overbodig zijn, aangezien dan de overeenkomstige voorschriften van

EG-regelgeving reeds uit kracht van het verbod van discriminatie naar

nationaliteit op binnen de gemeenschap verblijvende Marokkanen van

toepassing zouden zijn.

Het beroep op artikel 26 IVBPR moet eveneens falen.

Ook het discriminatieverbod van die bepaling heeft, blijkens haar tekst,

betrekking op de toepassing en de inhoud van de nationale wetgeving van de

verdragsluitende staten. Het artikel bevat geen gebod aan een staat in zijn

hoedanigheid van partij bij het IVBPR om alle personen, ongeacht hun

nationaliteit, te behandelen overeenkomstig de standaard die in andere

verdragen tussen de betreffende staat en een of meer andere is overeengekomen.

Het vorenstaande moet leiden tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en

mr H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van L.J.

van Krimpen als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 1994 door voornoemde

voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) L.J. van Krimpen.

AS