Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-1994
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
AW 93/242
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een redelijke belangenafweging. Naar zijn opvatting had niet kunnen worden volstaan met het vooropstellen van gedaagdes belangen bij die nieuwe (overigens ten tijde van de zitting van de Raad weer herziene en nog steeds niet geëffectueerde) reorganisatievoornemens. Daardoor is naar het oordeel van de Raad miskend dat in casu sprake was van een reeds zeer geruime tijd bestaande situatie waarin definitieve besluitvorming over en effectuering van (gewijzigde) reorganisatie-plannen als maar uitbleef. Gedaagde had naar de opvatting van de Raad in dit geval dan ook meer gewicht moeten toekennen aan eisers belang bij wijziging van de langdurige waarneming in een definitieve benoeming in de betrokken functie onder toekenning van de daaraan verbonden bezoldiging. Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1994/250

Uitspraak

AW 1993/242

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., eiser,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, in dit geding

rechtsopvolger van de Burgemeester van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens eiser is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden

hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te

Amsterdam op 4 maart 1993 onder nr. AW 91/1314/14 gegeven uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een schriftelijke reactie op het beroepschrift aan de

Raad gezonden.

Desgevraagd zijn nadere stukken verstrekt.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 29 september 1994, waar eiser

in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.W.M. Huisman, advocaat te

Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. Th. Tanja, werkzaam bij gedaagdes organisatie.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking

getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet -

gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht

brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden

beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari

1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten

als geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide

weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad

thans met vermelding van het volgende:

Eiser, hoofdopzichter in de functie van hoofd X. bij de

dienst Y. (schaal 8), is met ingang van 1 december 1986

belast met de waarneming van de functie van zijn directe chef, de functie

van chef beheer X. (schaal 9). Ter zake van evenbedoelde

waarneming is eiser bij besluit van 4 mei 1988 met ingang van 1 december

1986 een waarnemingstoelage toegekend onder bepaling dat die toelage wordt

verleend tot uiterlijk het moment waarop de geplande reorganisatie bij de

dienst Y. zal worden geëffectueerd.

De chef dienst Y. heeft de dienstleiding op 23 juni 1989

verzocht eiser te bevorderen naar schaal 9. Toen een reactie daarop

uitbleef heeft eiser op 7 juli 1990 en 15 november 1990 eenzelfde verzoek

gedaan. In reactie daarop is bij besluit van 11 maart 1991 geweigerd eiser

te benoemen in de door hem bij wijze van waarneming uitgeoefende functie

en hem te bevorderen naar schaal 9. Een en ander onder overweging dat de

ten tijde van het bestreden besluit voorgenomen reorganisatie van de dienst

Y., waarbij naar het zich liet aanzien de functie van chef

beheer X. zou komen te vervallen, nog niet was afgerond.

Eisers beroep tegen het besluit van 11 maart 1991 is bij de aangevallen

uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat, waar de

afronding van de reorganisatie van de dienst Y. op zich liet

wachten, hem gelet op dat tijdsverloop de gevraagde bevordering naar schaal

9, al dan niet met benoeming in de functie van chef beheer X.,

niet langer kan worden onthouden.

De Raad overweegt het volgende:

Eiser is per 1 december 1986 belast met de waarneming van de per die datum

vacerende functie van zijn directe chef omdat definitieve vervulling van

die vacature in het licht van de - toen - bestaande reorganisatieplannen

met betrekking tot de dienst Y. niet opportuun werd geacht.

Uit de beschikbare gegevens is de Raad niet gebleken dat - voor zover hier

van belang - de functie van chef beheer X. op en na 1 december

1986 relevante wijziging heeft ondergaan en eiser die functie niet steeds

volledig en naar behoren heeft waargenomen.

De reorganisatieplannen, tegen de achtergrond waarvan is besloten eiser te

belasten met de waarneming van de functie van zijn chef en hem te dier zake

een waarnemingstoelage toe te kennen, zijn niet tot een afronding

gekomen en zijn in 1989/1990 vervangen door nieuwe reorganisatievoornemens.

Bij het bestreden besluit is eiser de door hem gewenste bevordering

geweigerd onder verwijzing naar die nieuwe reorganisatieplannen en de op

grond daarvan mogelijke organisatiewijzigingen.

De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een

redelijke belangenafweging. Naar zijn opvatting had niet kunnen worden

volstaan met het vooropstellen van gedaagdes belangen bij die nieuwe

(overigens ten tijde van de zitting van de Raad weer herziene en nog

steeds niet geëffectueerde) reorganisatievoornemens. Daardoor is naar het

oordeel van de Raad miskend dat in casu sprake was van een reeds zeer

geruime tijd bestaande situatie waarin definitieve besluitvorming over en

effectuering van (gewijzigde) reorganisatie-plannen als maar uitbleef.

Onder die omstandigheden gaat het naar de opvatting van de Raad niet aan,

zoals bij het bestreden besluit is geschied, de voor de ambtenaar aan een

onvoltooid reorganisatieproces klevende negatieve consequenties ten laste

van die ambtenaar te laten als zou het gaan om een (eerste) volgens plan

verlopend reorganisatievoornemen. Het aan de (gewijzigde)

reorganisatieplannen toe te kennen gewicht ten opzichte van de belangen van de

individuele ambtenaar had in die situatie dienen te worden gerelativeerd.

Gedaagde had naar de opvatting van de Raad in het onderhavige geval dan ook

meer gewicht moeten toekennen aan eisers belang bij wijziging van de

langdurige waarneming in een definitieve benoeming in de betrokken

functie onder toekenning van de daaraan verbonden bezoldiging. De Raad

heeft hierbij tevens laten wegen dat gedaagdes gemachtigde ter zitting

heeft verklaard dat gedaagde in beginsel van opvatting is dat waarneming

niet langer dient te duren dan maximaal een tot anderhalf jaar, en voorts

dat niet enig (ander) belang van gedaagde naar voren is gebracht dat zich

tegen bevordering van eiser zou verzetten.

Gelet op het voorgaande moet worden geconstateerd dat de aangevallen

uitspraak niet in stand kan blijven en het bestreden besluit alsnog nietig

dient te worden verklaard. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad

aanleiding gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f

1.420,- aan kosten wegens aan eiser verleende rechtsbijstand en

f 119,20,- als overige kosten, derhalve f 1.539,20 in totaal. Beslist wordt dan

daarom als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het bestreden besluit alsnog nietig;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van

het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot f

1539,20, te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland.

Aldus gegeven door mr. H. Bekker als voorzitter en

mr. H.A.A.G. Vermeulen en mr. W.D.M. van Diepenbeek als leden, in

tegenwoordigheid van mr. A.H. Beijer als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 1994 door voornoemde voorzitter,

in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) H. Bekker.

(get.) A.H. Beijer.