Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-1994
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
AW 92/1526
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanneer een verzoek om ontslag wordt ingetrokken en die intrekking vóór het nemen van het ontslagbesluit kenbaar wordt gemaakt, is aan een op verzoek te verlenen ontslag de grondslag ontvallen. Het is niet aan de rechter het ontslag op verzoek in een ongeschiktheidsontslag - i.c. via een nietig- en gedektverklaring - om te zetten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 1994-01-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1995, 90
TAR 1994/58

Uitspraak

AW 1992/1526 O

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., eiser,

en

de burgemeester van de gemeente Schiedam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij zijn besluit van 13 maart 1991 heeft gedaagde aan eiser met ingang van

1 maart 1992 eervol ontslag verleend.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 30 oktober

1992, nr. AW/91/368-A2, het ontslagbesluit nietig en de nietigheid voor

gedekt verklaard.

Eiser is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 6 januari 1994. Eiser is

daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H.M. Nijhuis, advocaat

te Rotterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.O.

Meyer en mevr. R.E. Rijzenga.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1994,

1) in werking getreden en is de Ambtenarenwet 1929 gewijzigd. De in dit

kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat

op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het

procesrecht zoals dat gold vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de

mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in artikel 8:75 van

de Algemene wet bestuursrecht.

Eiser was sinds 1 juli 1990 adspirant van gemeentepolitie in tijdelijke

dienst met een proeftijd van drie jaren. Eind 1990 bereikten gedaagde

signalen dat eiser contacten zou hebben met het "criminele milieu" van

Schiedam. Eiser is hierover onderhouden waarbij hem is geadviseerd zelf

ontslag te nemen.

Op 15 februari 1991 verzocht eiser ontslag met ingang van 1 maart 1991; op

21 februari 1991 trok hij dit verzoek in; op 28 februari 1991 deelde de

korpschef hem mee niet tot heroverweging van het ontslag over te gaan; op

13 maart 1991 werd het ontslag verleend.

Het hoger beroep is blijkens de mededeling van eisers raadsman gericht

zowel tegen de in de aangevallen uitspraak gegeven motivering van de

nietigverklaring van het ontslagbesluit als tegen de gedektverklaring.

Wat betreft de motivering van de nietigverklaring van het ontslagbesluit

heeft de eerste rechter onder meer overwogen dat de omstandigheid, dat de

korpschef de intrekking door eiser van zijn ontslagverzoek niet aan

gedaagde heeft doorgegeven, waardoor deze die intrekking niet in de

afweging heeft kunnen betrekken, een zodanig gebrek van het bestreden

besluit vormt dat dit niet kan worden gehandhaafd. De eerste rechter voegde

hieraan toe:

"klagers gemachtigde niet te kunnen volgen in diens stelling dat het

ontslagbesluit als het ware puur op grond van de intrekkingsverklaring

aantastbaar zou zijn: dat zou wellicht anders zijn indien deze verklaring

het bevoegde orgaan tijdig zou hebben bereikt, doch dat is juist in

casu niet geschied."

De Raad overweegt te dien aanzien dat, wanneer een verzoek om ontslag

wordt ingetrokken en die intrekking vóór het nemen van het ontslagbesluit

te bestemder plaatse - in casu de korpschef - kenbaar wordt gemaakt, de

grondslag aan een op verzoek te verlenen ontslag is komen te ontvallen.

Dat gedaagde van de intrekking van het ontslagverzoek niet op de hoogte

was gesteld - ook naar 's Raads oordeel een ernstige nalatigheid van de

korpschef - is voor deze conclusie niet doorslaggevend.

Met betrekking tot de gedektverklaring heeft de eerste rechter overwogen:

"- dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de stelling van

verweerder, dat ook al was men wél van de intrekkingsverklaring op de

hoogte geweest, er evenzeer tot ontslag zou zijn besloten op grond van de

lezing welke verweerder bij contra-memorie heeft gegeven van het gesprek

met klager op 15 februari 1991 (kort gezegd: klager is toen in het geheel

niet onder druk gezet en had juist tot 20 februari 1991 de tijd gekregen om

een en ander te overdenken);

- dat klager de eigenlijke achtergrond van het ontslag(-verzoek), te

weten dat hij voor een politiefunctionaris niet acceptabele contacten had

in het "criminele milieu" van Schiedam, niet in essentie heeft weersproken;

- dat klager omtrent de "grote psychische spanning" waaronder hij op 15

februari 1991 zou hebben gestaan niets naders heeft gesteld (klager stond

toen en vlak nadien, naar is erkend, niet onder enige medische behandeling)."

De Raad kan de eerste rechter hierin niet volgen. Zonder elke conversie bij

voorbaat en ten principale af te wijzen, acht de Raad een gedektverklaring,

welke in feite het effect heeft van een omzetting van een ontslag op

verzoek in een ontslag wegens ongeschiktheid, niet aanvaardbaar.

Een dergelijke omzetting miskent de grenzen van de rechterlijke

mogelijkheden in verband met de verschillen tussen beide ontslagvormen

terzake van onder meer de procedure, de opzegging, het onderzoek naar de

feiten, de ontslaguitkering en eventuele andere rechtsgevolgen; bovendien

rijst in dit geval de vraag - de Raad spreekt zich hierover niet uit - of

de aan de eerste rechter en de Raad bekende feitelijke grondslag, die

anonieme verklaringen en tal van veronderstellingen bevat, voor een

ongeschiktheidsontslag toereikend zou zijn.

Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de gedektverklaring niet in

stand kan blijven.

Tenslotte overweegt de Raad het volgende.

Wat de proceskosten betreft dient toepassing te worden

gegeven aan art. 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit

proceskosten bestuursrecht (K.B. 22-12-93, Stb. 763).

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om gedaagde als in het

ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser, welke met

toepassing van het genoemde Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot

op ƒ 2840,- als kosten van verleende rechtsbijstand en op ƒ 32,42 als reis- en

verblijfkosten, totaal derhalve ƒ 2872,42. Van andere kosten is de Raad

niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging

krachtens de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden heeft

geprocedeerd, ingevolge art. 8:75 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht

te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze Raad.

Beslist moet worden als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart met gegrondverklaring van het beroep het bestreden

ontslagbesluit alsnog nietig;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding in beide instanties aan de

zijde van eiser gevallen, ten bedrage van ƒ 2872,42;

Wijst de gemeente Schiedam aan als de rechtspersoon die deze kosten moet

vergoeden;

Bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de

griffier van de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter

en mr. H.A.A.G. Vermeulen en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid

van P.H. Schippers als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 1994 door voornoemde voorzitter,

in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) J. Boesjes.

(get.) P.H. Schippers.