Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5016

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-1994
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AW 93/78
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade. Aangezien voor het bepalen van de vergoeding van schade als hier aan de orde - t.w. het moeten missen van de top van de linker wijsvinger t.g.v. een bedrijfsongeval - werkelijk objectieve maatstaven ontbreken, heeft de Raad zich laten leiden door vergelijking met en aansluiting bij beslissingen in analoge gevallen, zoals weergegeven en gerubriceerd in de editie Smartegeld van het tijdschrift Verkeersrecht. I.c. gesteld op fl. 3500,- (Zie ook TAR 94/34) Artikel over immateriële schade en risico-aanvaarding als basis voor de aansprakelijkheid van een administratief orgaan als werkgever voor dienstongevallen van ambtenaren: zie TAR oktober 1994, blz. 525.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

AW 1993/78 O

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, eiser I

en

de Raad van de gemeente Vianen, eiser II,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Eiser I heeft bij besluit van 6 maart 1991 geweigerd om met toepassing van

artikel E 26 van het toepasselijke Algemeen Ambtenarenreglement (AAR) aan

gedaagde de door hem noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige

behandeling en verzorging te vergoeden.

Eiser II heeft bij besluit van 28 november 1991 geweigerd om een

schadeloosstelling aan gedaagde toe te kennen ingevolge artikel F 26 van

het AAR terzake van door gedaagde geleden immateriële schade.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam (sector Dordrecht) heeft bij

uitspraak van 31 december 1992, nr. AW 91/135-D3 de tegen bovengenoemde

besluiten ingestelde beroepen gegrond en de bestreden besluiten nietig

verklaard en bepaald dat eisers met inachtneming van het in die uitspraak

overwogene nieuwe besluiten dienen te nemen.

Eisers zijn van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad van 24 februari

1994, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. van

Kleef, verbonden aan Juridisch adviesbureau Van Kleef en Partners BV.

Gedaagde is in persoon verschenen.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking

getreden en is de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet -

gewijzigd.

De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter

mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met

toepassing van het procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994,

behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als

bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad vat de in dit geding relevante feiten en omstandigheden als volgt

samen.

Aan gedaagde die vanaf 1 september 1981 tot aan de verzelfstandiging per 1

juli 1990 van het gemeentelijk waterleidingbedrijf aldaar werkzaam was

als machinist tevens hulpfitter, is op 13 maart 1990 bij het verrichten

van onderhoudswerkzaamheden (het vervangen van een onderwaterpomp) een

ongeval overkomen, als gevolg waarvan hij - naar later is gebleken - de top

van zijn linker wijsvinger moet missen.

Gedaagde heeft eisers voor de door het bedrijfsongeval veroorzaakte schade

aansprakelijk gesteld, aangezien het ongeval naar zijn mening in hoofdzaak

geweten moet worden aan het gebruik van verouderd gereedschap (dat in

afwachting van de verzelfstandiging van het bedrijf niet meer werd

vervangen).

Gedaagde heeft verzocht om betaling van een bedrag van

(aanvankelijk) f 2.000,- in verband met de door hem geleden materiële en

immateriële schade, waarbij hij onder meer gewezen heeft op gemaakte

ziektekosten, geleden pijn en het niet meer (goed) kunnen beoefenen van

zijn hobby gitaarspelen.

Gedaagdes verzoek om schadevergoeding is bij de bestreden besluiten door de

bevoegde organen afgewezen, omdat gedaagde naar het oordeel van eisers bij

het vervangen van de onderwaterpomp onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld

bij het inachtnemen van de benodigde voorzichtigheid, zodat het hem

overkomen ongeval niet aan eisers zou zijn toe te rekenen.

De Raad onderschrijft het standpunt van de eerste rechter dat tijdig tegen

voornoemde besluiten van 6 maart 1991 en 28 november 1991 beroep is

ingesteld.

De Raad staat nu voor de vraag of deze besluiten in rechte kunnen worden

gehandhaafd. Hij beantwoordt die vraag evenals de eerste rechter ontkennend

en overweegt daartoe het volgende.

Aan de orde is de vraag of gedaagde aanspraak kan maken op vergoeding van

door hem bij een bedrijfsongeval geleden materiële en immateriële schade.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 9 december 1993, nr. AW 1992/1347 (TAR

1994, 34) een zekere vorm van risicoaansprakelijkheid geïntroduceerd voor

het administratief orgaan in geval van (immateriële) letselschade bij een

bedrijfsongeval, waartoe in die uitspraak is overwogen:

"Zoals uit 's Raads jurisprudentie blijkt is het algemene uitgangspunt dat

een administratief orgaan in beginsel gehouden is de aan een ambtenaar

toegebrachte schade te vergoeden; dat dit niet inhoudt dat elke schade

welke door toedoen van een administratief orgaan aan een ambtenaar is

toegebracht voor vergoeding door dat orgaan in aanmerking moet komen; dat

door het ontstaan van een op het administratief orgaan rustende

vergoedingsplicht jegens de ambtenaar is vereist dat sprake is van een

aan dat orgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar materiële of

immateriële schade heeft geleden en dat dat optreden en die schade van een

zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding door dat

orgaan in aanmerking dient te komen; dat niet elk leed voor vergoeding in

aanmerking komt; dat deelname aan het maatschappelijk verkeer een zekere

mate van ongerief of zelfs leed meebrengt, waar tegenover niet steeds een

compensatieplicht van de zijde van het orgaan kan worden gesteld.

De Raad is van oordeel dat dit algemene uitgangspunt voor bepaalde gevallen

nuancering behoeft. Daartoe zij overwogen - en zulks mede in het licht van

hetgeen bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald omtrent de

primair aan de werkgever opgedragen verplichting te zorgen voor de

veiligheid in verband met de arbeid -, dat voor gevallen waarbij

(letsel)schade ontstaat als gevolg van een ongeval tijdens werkzaamheden

van bedrijfsmatige aard waarbij gebruik wordt gemaakt van gereedschap en

machines, een zekere vorm van risicoaanvaarding door het administratief

orgaan aangenomen moet worden. Dit betekent dat op het administratief

orgaan (ook) een vergoedingsplicht komt te rusten voor schade die het

gevolg is van een bedrijfsongeval dat zich voordoet in een werksituatie

die aanvankelijk geen gevaren voor de veiligheid van de ambtenaar leek op

te leveren en waarin mogelijke gevaren bij het gebruik van werktuigen,

machines en overige hulpmiddelen in vergaande mate waren beperkt, maar

waarbij het - achteraf bezien - toch mogelijk was geweest doelmatiger

veiligheidsvoorzieningen te treffen."

In het onderhavige geval kon de oorzaak van het ongeval niet onomstotelijk

worden vastgesteld. Partijen zijn het er echter over eens dat het gebeuren

waarschijnlijk is te wijten aan het verschuiven van een of meer schakels

van de gebruikte hijsketting, waardoor de buis die aan die ketting hing

een stukje naar beneden viel, juist op het moment dat gedaagde met zijn

handen onder die buis aan de laatste bouten draaide.

Gedaagde heeft betoogd dat het ongeval voorkomen had kunnen worden door te

werken met een - door de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven - gekeurde

hijsband, in plaats van met een verouderde ketting waarbij het risico van

schuivende schakels steeds aanwezig is, terwijl onvermijdelijk is dat op

bepaalde momenten met de handen (vingers) zonder gereedschap onder de

opgehesen buis moet worden gewerkt. Gedaagde heeft er verder op gewezen

dat na de privatisering de hijsketting is vervangen, terwijl ook overigens

een aantal veiligheidsmaatregelen is genomen waardoor een ongeval als het

onderhavige niet meer kan voorkomen.

Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat gedaagde niet conform de

voorschriften of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld bij het uitvoeren

van de onderhoudswerkzaamheden.

De Raad komt gelet op deze omstandigheden en in het licht van hetgeen hij

in zijn eerdere - hierboven geciteerde - uitspraak heeft overwogen tot de

slotsom dat op eisers de plicht rust de door gedaagde als gevolg van het

hem overkomen bedrijfsongeval geleden materiële en immateriële schade te

vergoeden.

Het vorenstaande houdt in dat eiser I alsnog toepassing behoort te geven

aan het bepaalde in artikel E 26 van het AAR (nu het ongeval in overwegende

mate haar oorzaak vindt in de arbeidsomstandigheden en niet aan schuld of

nalatigheid van gedaage is te wijten) en alle door gedaagde noodzakelijk

gemaakte en te zijnen laste blijvende kosten van geneeskundige behandeling

of verzorging dient te vergoeden.

De door eiser II ingevolge artikel F 26 van het AAR aan gedaagde toe te

kennen immateriële schade kan de Raad, gelet op artikel 47, lid 2, van de

Ambtenarenwet 1929, zelf bij zijn uitspraak vaststellen.

Aangezien voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding van schade als

hier aan de orde werkelijk objectieve maatstaven ontbreken, heeft de Raad

zich (evenals in zijn eerdergenoemde uitspraak van 9 december 1993) laten

leiden door vergelijking met en aansluiting bij beslissingen in analoge

gevallen, zoals weergegeven en gerubriceerd in de periodiek verschijnende

editie Smartegeld van het tijdschrift Verkeersrecht. Alle omstandigheden

van het geval in aanmerking nemend bepaalt de Raad gedaagdes geldelijke

aanspraak op f 3.500,-.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor

bevestiging in aanmerking komt zoals hierna onder III is omschreven.

Gelet op het hiervoor overwogene is er voorts aanleiding om eisers, als in

het ongelijk gestelde partijen, te veroordelen in de proceskosten van

gedaagde, welke zijn begroot op f 235,23 ter zake van reis- en

verletkosten; van andere kosten is de Raad niet gebleken.

De Raad beslist als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat:

- eiser I een nieuw besluit dient te nemen met

inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen;

- eiser II wordt veroordeeld tot betaling aan gedaagde

van een vergoeding van f 3.500,--;

Veroordeelt eisers in de kosten van het geding in beide instanties aan de

zijde van gedaagde gevallen, ten bedrage van f 235,23;

Wijst de gemeente Vianen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet

vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter en

mr. H.A.A.G. Vermeulen en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid

van P.H. Schippers als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 1994 door

mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde

griffier.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) J. Boesjes.

(get.) P.H. Schippers.