Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4409

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-1993
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
AW 91/396, AW 91/397
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanneer een relevant deel van de werkzaamheden, die een betrekking vormen, in feite is verdwenen is sprake van opheffing van de betrekking ook al ontbreekt een daartoe strekkend formeel besluit. Gezien de afwijzende opstelling van eiser mocht gedaagde het herplaatsingsonderzoek beeindigen. De overname van de wiskundige reserve had i.c. niet tot gevolg, dat de daarbij behorende diensttijd werd meegeteld voor de berekening van het wachtgeld (art. N 17 en N 22 APBw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1993/101

Uitspraak

AW 1991/396

Uitspraak in de gedingen tussen:

V, wonende te W, eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winsum, te dezen als rechtsopvolger van het bestuur van de Technische Dienst Eenrum, Ezinge, Winsum, Adorp en Aduard (TD EEWAA), gedaagde.

I. Ontstaan en loop van de gedingen

Eiser heeft bij het voormalige Ambtenarengerecht te Groningen beroep ingesteld tegen drie besluiten van het bestuur van de EEWAA, te weten het besluit van 9 februari 1990 (verbod om namens die dienst bepaalde werkzaamheden te verrichten), het ontslagbesluit van 23 maart 1990 en het besluit van 8 juni 1990 (toekenning ontslaguitkering).

Het Ambtenarengerecht te Groningen heeft bij uitspraak van 13 juni 1991 (nrs. AW 21090-129, AW 21090-182 en AW 21090-267) ter zake van de door eiser ingestelde beroepen als volgt beslist:

'verklaart bestreden besluit 1 nietig en verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding; verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond.'

Eiser heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover daarbij de beroepen tegen het ontslagbesluit van 23 maart 1990 en het besluit van 8 juni 1990 (ontslaguitkering) ongegrond zijn verklaard.

Namens gedaagde is van contra-memorie gediend. Bij brief van 30 december 1992 zijn namens gedaagde nog enkele stukken aan de Raad gezonden.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad van 4 maart 1993. Eiser is in persoon verschenen, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.J. Kragten, verbonden aan bureau Kragten en Partner Beilen BV te Beilen en ir. A.A. Dees, burgemeester van de gemeente Winsum.

II. Motivering

De Raad verwijst voor een uitvoerig overzicht van de relevante feiten en omstandigheden naar hetgeen in rubriek I van de aangevallen uitspraak is vermeld en volstaat met het navolgende.

Eiser is met ingang van 16 april 1985 aangesteld als algemeen directeur van de Gemeenschappelijke Regeling TD EEWAA. De aan de TD EEWAA deelnemende gemeenten Eenrum, Ezinge, Winsum, Adorp en Aduard zijn met ingang van 1 januari 1990 opgeheven bij Wet van 14 september 1989 tot gemeentelijke herindeling en deel uit gaan maken van de nieuwe gemeenten Zuidhorn, Winsum en Ulrum.

Vanaf het tijdstip van herindeling zijn de feitelijke werkzaamheden van de TD EEWAA opgeheven en door de afdelingen VROM van de nieuwe gemeenten in eigen beheer genomen; daartoe zijn de medewerkers van de TD EEWAA voor een half jaar voorlopig geplaatst (de TD EEWAA bleef formeel de werkgever) bij die afdelingen van de nieuwe gemeenten. Per 1 juli 1990 zijn die medewerkers in dienst van een van de drie nieuwe gemeenten aangesteld. Eiser is niet aangesteld omdat hij de hem aangeboden functie heeft geweigerd.

De TD EEWAA is door de drie deelnemende gemeenten formeel opgeheven per 1 januari 1991; ter zake van de afwikkeling van die opheffing is de gemeente Winsum als rechtsopvolger aangewezen.

A. Het ontslagbesluit

Bij dit besluit is eiser door het dagelijks bestuur van de TD EEWAA met ingang van 1 juli 1990 eervol ontslagen wegens opheffing van zijn betrekking van directeur bij de TD EEWAA (art. H7, lid 1, van het ingevolge de gemeenschappelijke regeling van toepassing zijnde Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Winsum).

Eiser is van mening dat het ontslagbesluit niet in stand kan blijven omdat:

a. geen opheffing van de betrekking heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1991;

b. ingevolge de Leidraad geen gedwongen ontslagen zouden plaatsvinden en overigens geen zorgvuldig onderzoek naar passend werk heeft plaatsgevonden (art. H7, lid 2, AR);

c. ter zake van het al dan niet passend zijn van de hem bij de gemeente Zuidhorn aangeboden functie door de geschillencommissie als bedoeld in art. 8.7 van de Leidraad niet is geadviseerd.

Zoals uit het eerdervermelde blijkt waren de werkzaamheden van de TD EEWAA met ingang van 1 januari 1990 verdeeld over en overgeheveld naar de drie nieuwe gemeenten. Hoewel de dienst formeel nog heeft bestaan tot 1 januari 1991 is voldoende komen vast te staan dat het feitelijk samenstel van eisers werkzaamheden al op 1 januari 1990 niet meer bestond, zodat eisers betrekking toen als (feitelijk) opgeheven mocht worden beschouwd en de bevoegdheid tot zodanig ontslag in principe aanwezig was.

Van die bevoegdheid mag eerst dan gebruik worden gemaakt indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar passende werkzaamheden op te dragen (art. H7, lid 2, AR).

Aan eiser was bij brief van 27 december 1989 namens het bestuur van de TD EEWAA meegedeeld dat ter voldoening aan het bepaalde in art. 8.3 van de Leidraad en op advies van de inpassingscommissie Zuidhorn aan die gemeente het voorstel was gedaan om eiser per 1 januari 1990 voorlopig te plaatsen in de functie van hoofd afdeling VROM (niveau 12, garantie 13). Eiser heeft dit niet geaccepteerd omdat die functie naar zijn mening niet passend was te achten. Het tegen het besluit van 27 december 1989 ingestelde beroep is door hem - na schorsing van dit besluit bij uitspraak als bedoeld in art. 102 Ambtenarenwet 1929 - ingetrokken.

Eiser heeft niet alleen de aangeboden functie geweigerd maar tevens aan de werkgever meegedeeld dat geen enkele functie bij de drie gemeenten in het kader van de overheveling van de taken van de TD EEWAA voor hem passend te achten was. Hij heeft dan ook geweigerd bij de belangstellingsregistratie voorkeurfuncties te duiden. Het gevolg hiervan was dat het bestuur van de TD EEWAA ervan heeft afgezien de al dan niet passendheid van de aangeboden functie ter beoordeling voor te leggen aan de geschillencommissie genoemd in art. 8.7 van de Leidraad.

De Raad acht het in die omstandigheden en met name gelet op eisers opstelling onevenwichtig om op grond van dit formele gebrek het ontslagbesluit nietig te verklaren.

Voortzetten van de pogingen om eiser te herplaatsen bij een der gemeenten had gelet op het eerderoverwogene evenmin zin, zodat het bestuur van de TD EEWAA in redelijkheid kon komen tot hantering van de in art. H7, lid 1, AR gegeven bevoegdheid tot ontslag.

Nu ook overigens daarbij niet is gebleken van strijd met enig algemeen verbindend voorschrift, enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dient het ontslagbesluit in stand te blijven.

B. Ontslaguitkering

Bij besluit van 8 juni 1990 is aan eiser een uitkering ingevolge de Wachtgeldverordening van de gemeente Winsum toegekend over de periode 1 juli 1990 tot uiterlijk 10 september 1994.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de voor hem vastgestelde wachtgeldduur van 3 jaren, 11 maanden en 9 dagen. Hij heeft gesteld dat hij op grond van de overname door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) van zijn bij de Stichting pensioenfonds voor de architectenbureaus opgebouwde aanspraken recht heeft op een extra diensttijd van 21 jaren, 3 maanden en 9 dagen.

Gedaagde heeft eisers bezwaren niet gehonoreerd en daartoe allereerst verwezen naar art. 2 van de Wachtgeldverordening (zoals dat artikel ten tijde hier van belang luidde), waarin onder diensttijd wordt verstaan de aan het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abpw) is verbonden, alsmede de tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in art. D 2 van die wet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.

Art. N 17 van de Abpw geeft de ambtenaar de mogelijkheid om de door een pensioeninstantie beschikbaar gestelde wiskundige reserve van zijn bij die pensioeninstantie opgebouwde pensioenaanspraken door het Abp te doen overnemen.

Eiser heeft zodanig verzoek aan het Abp gericht met betrekking tot zijn niet in overheidsdienst opgebouwde pensioen, welk verzoek door het Abp blijkens de brief van 16 november 1989 is ingewilligd.

Ingevolge het bepaalde in art. N 17 lid 5 en art. N 22 geldt evenwel voor de toepassing van andere dan bij of krachtens deze wet vastgestelde regelen de in art. N 17 bedoelde tijd niet als voor pensioen geldige of voor pensioen tellende tijd, tenzij zulks uitdrukkelijk is vastgesteld.

Aangezien dit laatste niet het geval is kan de Raad slechts concluderen dat gedaagde terecht heeft geweigerd de door eiser door middel van de toepassing van art. N 17 in effect verkregen diensttijd mee te nemen bij de vaststelling van de voor wachtgeld in aanmerking komende tijd.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak ook met betrekking tot dit onderdeel dient te worden bevestigd.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt