Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-1993
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
AOW 91/74 e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Discriminatie naar geslacht; cluster. Richtlijn 79/7/EEG (3e richtlijn) - personele werkingssfeer. Aan gedaagde is een AOW-pensioen toegekend met een korting van 8%. Deze korting was gebaseerd op art. 13 AOW (2% korting voor ieder niet-verzekerd jaar) en vloeide voort uit het feit dat gedaagdes echtgenoot in de periode 1959-'65 gedurende (meer dan) vier jaar onderworpen was geweest aan de Duitse sociale wetgeving (art. 2 Kb uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen). De RvB stelt onder meer in dit geding vragen aan het EG-hof. Oordeel eerste rechter: zie RSV 92/193. CRvB: ged. valt niet binnen de werkingssfeer van de 3e EEG-richtlijn, dus de korting kan op die grond niet ongedaan worden gemaakt (vergelijk de uitspraak d.d. 26-11-1993, AOW 91/75 [RSV-actueel 94/3, AB 94/274], SVB ca. Vermaat-Verholen). Toetsing aan art. 26 IVBPR kan niet tot hetzelfde resultaat leiden als die aan de 3e richtlijn. Art. 13 AOW is een regel die berust op objectieve en redelijke gronden: hoogte van de uitkering gerelateerd aan het aantal verzekerde jaren. Hieraan doet niet af, althans voor de tijd vóór 23 december 1984, dat het niet-vervullen van tijdvakken van verzekering was gebaseerd op een regel welke onderscheid maakte naar geslacht. De werking van die regel valt immers in een periode waarin nog geen rechtstreeks beroep op art. 26 IVBPR kon worden gedaan. Dit oordeel leidt tot een uiteenlopende interpretatie van het discriminatieverbod van enerzijds de 3e richtlijn en anderzijds art. 26 IVBPR. De Raad ziet de uitleg van eerstbedoeld verbod exclusief gebonden aan het specifieke, op aanpassing van de bestaande wetgeving gerichte en binnen de bijzondere rechtsgemeenschap der EEG geldende gebod van art. 4 3e richtlijn. Een zo vergaande werking als aan het beginsel van gelijke behandeling M/V toegekend door het HvJ der EG in het arrest Verholen e.a. [RSV 91/227] vloeit niet voort uit de meer algemene normstelling van art. 26. De Raad verwerpt tenslotte het oordeel van de eerste rechter dat binnen de toepassing van de AOW een onderscheid tussen beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking zich niet zou verdragen met art. 1 Grondwet. Het gewraakte onderscheid wordt teweeggebracht door een bepaling van supranationaal recht, waarvan de werking niet door een bepaling van nationaal recht terzijde kan worden gesteld. Volgt vernietiging van de aangevallen uitspraak en ongegrond verklaring van het inleidend beroep. NB. kluster van 48 zaken, afgedaan op drie zittingen, d.d. 15-10-1993, d.d. 22-10-1993 en d.d. 26-10-1993. Overige zaaknummers: AOW 90/11, AOW 90/22, AOW 90/27, AOW 90/31, AOW 90/79, AOW 90/109, AOW 91/29, AOW 91/33, AOW 91/49, AOW 91/50, AOW 90/67, AOW 90/80, AOW 90/81, AOW 90/82, AOW 90/89, AOW 90/108, AOW 90/134, AOW 90/135, AOW 91/6, AOW 91/47, AOW 90/1, AOW 90/36, AOW 90/59, AOW 86/39, AOW 91/8, AOW 91/70 - aangehouden ttz -, AOW 91/73 [AB 94/272,met noot de Leede] -, AOW 91/75 [AB 94/274 met noot de Leede], AOW 92/8, AOW 90/30, AOW 88/21, AOW 90/72, AOW 90/130, AOW 91/5, AOW 91/13, AOW 89/89, AOW 90/58, AOW 87/13, AOW 89/72, AOW 90/10, AOW 90/35, [AB 94/271 met noot de Leede], AOW 90/9, AOW 90/62, AOW 90/88, AOW 91/7 [AB 96/499 met noot Pennings]. In de zaken AOW 90/9 en AOW 91/7 heeft de Hoge Raad bij arrest van 29-5-1996, de ingestelde cassatieberoepen verworpen (nr. 267 [RSV-Actueel 1996. afl. 7, nr. 14, RSV 97/77 met noot mr Keunen] en nr. 269 [AB 96/500 met noot mr Pennings]. Zie ook noot M. Greebe onder uitspraak HR in Nemesis nr 2, 1997, katern rechtspraak, blz 29-30.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 6
Algemene Ouderdomswet 13
Grondwet 1
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1994, 273 met annotatie van L.J.M. de Leede
RSV 1994/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AOW 1991/74

O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, eiser,

en

[gedaagde], geboren op 25 november 1923, wonende te

[woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij beslissing van 14 september 1988 heeft eiser aan gedaagde met ingang

van 1 november 1988 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene

Ouderdomswet (hierna: AOW) toegekend ter grootte van 92% van het

wettelijk pensioenbedrag voor een ongehuwde.

Gedaagde heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de voormalige Raad

van Beroep te 's-Hertogenbosch. Deze heeft bij bevel van 15 februari 1990

met toepassing van artikel 177 van het EEG-verdrag aan het Hof van Justitie

van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële beslissing gevraagd. Deze

is gegeven in het arrest van het Hof d.d. 11 juli 1991 in de zaken C-87, 88

en 89/90 (arrest Verholen e.a., gepubliceerd in onder meer RSV 1991/227).

Vervolgens heeft de Raad van Beroep bij uitspraak van 15 november 1991

(gepubliceerd in RSV 1992/193) de bestreden beslissing vernietigd onder

bepaling dat eiser een nadere beslissing dient te nemen met inachtneming

van de uitspraak.

In hoger beroep heeft eiser op de bij aanvullend beroepschrift van 10 april

1992 aangevoerde gronden geconcludeerd tot vernietiging van de aangevallen

uitspraak en bevestiging van zijn aangevochten beslissing.

Van de zijde van eiser zijn in verband met het hoger beroep nadere stukken

aan de Raad toegezonden.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 26

oktober 1993, waar van partijen alleen eiser is verschenen,

vertegenwoordigd door mr. H.S. van Zanten, werkzaam bij de Sociale

Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Bij de bestreden beslissing is op het aan gedaagde toekomende

ouderdomspensioen een korting toegepast van 8% op grond van de overweging

dat gedaagde in het tijdvak 1959-1965 gedurende (afgerond) vier jaar niet

verzekerd is geweest ingevolge de AOW.

In hoger beroep staat niet meer ter discussie dat, indien wordt uitgegaan

van het bij en krachtens de AOW bepaalde, deze korting terecht is geschied,

op grond van de omstandigheid dat gedaagde gedurende de in de bestreden

beslissing genoemde tijdvakken niet verzekerd was aangezien haar

echtgenoot toen was onderworpen aan de Duitse sociale wetgeving.

Gegeven de uitspraak van de eerste rechter en gelet op het door eiser

ingenomen standpunt staat in hoger beroep ter beoordeling, of de korting

zich verdraagt met regels van supra- en internationaal recht, alsmede of

zij aantastbaar is op grond van het bepaalde in artikel 1 van de

Grondwet.

In dat verband is het van belang allereerst vast te stellen dat gedaagde,

die blijkens haar mededelingen in ieder geval sedert haar huwelijk in 1949

geen beroepswerkzaamheden meer heeft verricht, niet binnen de personele

werkingssfeer valt van de richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978, als

omschreven in artikel 2 van die richtlijn.

Mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese

Gemeenschappen d.d. 27 juni 1989 in de zaken 48, 106 en 107/88 (arrest

Achterberg-te Riele e.a., gepubliceerd in onder meer RSV 1990/232) en op

het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen welke de eerste rechter

in het onderhavige geding heeft gesteld, komt de vraag of de korting in

overeenstemming is met het verbod van discriminatie naar geslacht,

neergelegd in artikel 4, lid 1, van genoemde richtlijn, in deze procedure

derhalve niet aan de orde.

Wel rijst de vraag of de beslissing om op het pensioen een korting toe te

passen wegens niet-verzekerde jaren van gedaagde kan worden aangetast met

een beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

en politieke rechten (Trb. 1978, 177; hierna: IVBPR).

Zoals in de rechtspraak van de Raad meermalen tot uitdrukking is gebracht,

betreft het hier een een ieder verbindende bepaling van internationaal

recht, waarvan de werking zich mede uitstrekt tot het gebied van de sociale

zekerheid en welke door justitiabelen in het algemeen met ingang van 23

december 1984 rechtstreeks kan worden ingeroepen. In bredere zin is

voorts in de jurisprudentie - niet alleen van deze Raad maar ook in die van

de Hoge Raad, en tevens in de zogeheten communications van het Human Rights

Committee als bedoeld in artikel 28 IVBPR - aanvaard dat artikel 26 van het

Verdrag mede omvat een gebod aan de verdragspartijen om wettelijke regels

te vrijwaren van iedere vorm van door die bepaling verboden discriminatie;

hiervan is geen sprake, indien kan worden vastgesteld dat een door

regelgeving ten aanzien van rechtssubjecten teweeggebracht onderscheid

berust op objectieve en redelijke gronden.

Aldus opgevat vermag in de zienswijze van de Raad een bepaling als artikel

26 IVBPR niet de rechtsgeldigheid aan te tasten van een nationale regel

waarbij de hoogte van een op een wettelijke verzekering berustende

uitkering (als het AOW-pensioen, respectievelijk de toeslag) afhankelijk

wordt gesteld van de mate waarin tijdvakken van verzekering zijn vervuld.

Dit laatste wordt niet anders wanneer kan worden vastgesteld dat het

niet-vervullen van tijdvakken van verzekering, althans voor wat betreft de

tijd gelegen vóór 23 december 1984, was gebaseerd op een regel welke een

onderscheid maakte naar geslacht. Immers, de werking van die regel valt in

een periode waarin justitiabelen nog geen rechtstreeks beroep op artikel 26

IVBPR konden doen en waarin derhalve door die bepaling de

rechtsgeldigheid van de eerder bedoelde, nationale, regel nog niet kon

worden aangetast.

Met het voorgaande is, mede in aanmerking genomen 's Raads uitspraak van

heden in de zaak AOW 1991/75, op het punt van gelijke behandeling van man

en vrouw in de sociale zekerheid een uiteenlopende interpretatie gegeven

van het discriminatieverbod van de EEG-richtlijn 79/7 enerzijds en dat van

artikel 26 IVBPR anderzijds.

De Raad ziet echter de eerstbedoelde uitleg met betrekking tot het

onderwerp dat hier aan de orde is exclusief gebonden aan het specifieke, op

aanpassing van de bestaande wetgeving gerichte en binnen de bijzondere

rechtsgemeenschap der EEG geldende gebod van artikel 4, lid 1, van de

richtlijn 79/7/EEG.

Een zo vergaande werking als aan het beginsel van gelijke behandeling van

man en vrouw is toegekend in het arrest van het Hof van Justitie der EG

d.d. 11 juli 1991 (arrest Verholen, Heidenrijk en gedaagde, RSV 1991/227)

kan naar het oordeel van de Raad niet geacht worden voort te vloeien uit de

meer algemene normstelling inzake het verbod van discriminatie als

neergelegd in artikel 26 IVBPR.

De Raad kan, tenslotte, de overwegingen van de eerste rechter met

betrekking tot de toetsing aan artikel 1 Grondwet - waarop die rechter

uiteindelijk zijn uitspraak heeft gebaseerd - niet tot de zijne maken. Het

gewraakte onderscheid tussen beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking

wordt in casu teweeggebracht door een bepaling van supra-nationaal recht,

namelijk dat der EEG, waarvan de werking niet door een bepaling van

nationaal recht terzijde kan worden gesteld.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort 's Raads oordeel dat eisers bestreden

beslissing ten onrechte door de eerste rechter is vernietigd en dat die

beslissing ook op het punt van de korting wegens niet-verzekerde jaren op

goede gronden berust, zodat in hoger beroep wordt beslist als hieronder

aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en

mr. F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van L.J. van Krimpen als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 1993 door voornoemde

voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst. (get.) L.J. van Krimpen.