Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1993:ZB1895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-1993
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
WAO 89/53
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten om met toepassing van artikel 44 van de WAO op de aan eiser ingevolge die wet toegekende uitkering een korting toe te passen wegens door eiser uit de door hem verworven (deeltijd)functie als docent genoten inkomsten?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAO 1989/53

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,

Groothandel en Vrije Beroepen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiser is in hoger beroep gekomen van een door de voormalige Raad van Beroep

te 's-Hertogenbosch onder dagtekening 8 maart 1989 tussen partijen gewezen uitspraak.

Bij die uitspraak heeft de Raad van Beroep het vanwege eiser bij die raad

ingestelde beroep tegen de -hier in afschrift aangehechte- voor beroep

vatbare beslissing van gedaagde d.d. 19 juni 1987 ongegrond verklaard en

die beslissing vernietigd.

Partijen hebben de Raad onderscheidene stukken doen toekomen, daaronder

begrepen een bij begeleidend schrijven van eiser d.d. 29 oktober 1992 (met

bijlagen) toegezonden toelichting op het ingestelde hoger beroep en een

reactie daarop van de zijde van gedaagde, neergelegd in een brief van 23

december 1992 (met bijlagen).

Het geding is achtereenvolgens behandeld ter terechtzitting van de Raad

gehouden op 7 juli 1992 en op 6 april 1993 waar voor gedaagde telkens is

opgetreden mr. H.J.A. Bos, werkzaam bij het Gemeenschappelijk

Administratiekantoor. Eiser is ter terechtzitting van 7 juli 1992 niet en

ter terechtzitting van 6 april 1993 in persoon verschenen.

II. MOTIVERING

Bij de hiervoor onder I vermelde bestreden beslissing heeft gedaagde -

onder meer- besloten met toepassing van artikel 44 van de WAO op de aan

eiser ingevolge die wet toegekende uitkering een korting toe te passen

wegens door eiser uit de door hem verworven (deeltijd)functie als docent

genoten inkomsten.

Die beslissing is, zoals onder I aangegeven, bij de aangevallen uitspraak

vernietigd.

Eisers bezwaar in hoger beroep, zoals door de Raad mede en met name gelet

op de daarop ter terechtzitting verstrekte toelichting verstaan, is

gericht tegen de in de aangevallen uitspraak -onder meer- neergelegde

zienswijze van de eerste rechter, inhoudend dat in het onderhavige geval

bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44

van de WAO als aftrekbare verwervingskosten uitsluitend in aanmerking komen

de uit hoofde van eisers docentschap daadwerkelijk te zijnen laste gebleven

autokosten en dat derhalve de door eiser in verband met de door hem

destijds volbrachte studie sociologie opgevoerde uitgaven, in totaal

gesteld op ƒ 34.933,- (studiekosten) plus ƒ 19.669,- (verbouwingskosten studeerkamer)

buiten beschouwing moeten blijven.

De door eiser tegen de zoëven bedoelde -door de Raad als partijen bindend

beschouwde- overwegingen van de eerste rechter aangevoerde grieven treffen

naar 's Raads oordeel geen doel en wel reeds om deze reden, dat tussen de

aan de orde zijnde inkomsten in de zin van voormeld artikel 44 en de door

eiser te berde gebrachte verbouwings- en studiekosten geen in het kader van

genoemde bepaling relevant te achten verband aanwezig is. Hierop is van de

zijde van gedaagde in de door mr. P.J. van Ogtrop opgestelde nota van 3

januari 1990 met juistheid gewezen.

Ten gerieve van partijen voegt de Raad aan het vorengaande

-strikt genomen: ten overvloede- toe dat hij de in de bij de zojuist

genoemde nota behorende bijlage vervatte berekening met betrekking tot

voormelde autokosten evenmin voor onjuist kan houden.

Het vorenoverwogene in aanmerking genomen heeft de Raad in hetgeen door

eiser ter zake is aangevoerd geen grond gevonden om anders te beslissen dan

hierna onder III is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep

aangevochten.

Aldus gegeven door mr. P.A.W. Hermans als voorzitter en mr. M.I. 't Hooft

en mr. Chr. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.D.W.

Smit-van Valkenhoef als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 1993 door voornoemde voorzitter, in

tegenwoordigheid van T.W.J.M. Weijers als griffier.

(get.) P.A.W. Hermans.

(get.) T.W.J.M. Weijers. (get.) M.D.W. Smit-van Valkenhoef.