Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1993:AN3357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-1993
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AAW 1988/39
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering aan vroeggehandicapte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1994, 18
RSV 1993/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AAW 1988/39

Uitspraak in het geding tussen S. N., te E., eiseres,

en

het bestuur van de Nieuwe Algemene BV, gedaagde

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 24 april 1987 is vanwege gedaagde aan eiseres kennis gegeven van de beslissing tot weigering van uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW).

De voormalige Raad van Beroep te Arnhem heeft bij uitspraak van 17 november 1987 het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Eiseres is bij gemachtigde mr. S. H., advocaat te A., van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d. 26 mei 1988 zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 2 juni 1992 waar eiseres niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.F. B., werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.

Ter uitvoering van een door de Raad gegeven bevel d.d. 7 juli 1992 heeft de fungerend voorzitter van de Raad aan gedaagde verzocht de onderhavige zaak te toetsen aan het ter zake van de bevoegdheidshantering ex artikel 21, eerste lid, aanhef en sub a van de AAW ten aanzien van vroeggehandicapten ontwikkelde beleid, onder meer betrekking hebbend op de categorie vroeggehandicapten die Nederland verlaten hebben wegens redenen in de inkomensverwerving in het buitenland door ouders of verzorgers.

Aan dit verzoek heeft gedaagde voldaan bij brieven d.dis 31 augustus 1992 en 23 november 1992.

Het geding is opnieuw behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 23 februari 1993, waar eiseres wederom niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.F. B., voornoemd.

II. Motivering

Eiseres, geboren [in] 1968, heeft vanaf 1977 met haar ouders en broers in Nieuw Zeeland gewoond. In 1981 heeft het gezin zich weer in Nederland gevestigd, waar het voorheen van 1973 - komend uit Zuid-Afrika - tot 1977 ook had gewoond. In februari 1986 is namens eiseres bij gedaagde een aanvraag om uitkering ingevolge de AAW ingediend op grond van de sedert het eerste levensjaar bestaande arbeidsongeschiktheid. Deze aanvraag is bij de bestreden beslissing afgewezen, onder de motivering dat eiseres bij de aanvang van haar verzekering ingevolge de AAW, op 19 januari 1981, reeds volledig arbeidsongeschikt was.

Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de vraag of de wijze waarop gedaagde van de in artikel 21, lid 1 aanhef en onder a van de AAW bedoelde bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, gelet op artikel 23 van de AAW, in overeenstemming is met de redelijkheid.

Van belang hierbij is dat gedaagde met betrekking tot het gebruik van zijn aan artikel 21, lid 1 sub a, van de AAW ontleende bevoegdheid tot weigering van uitkering ten aanzien van zogenoemde vroeggehandicapten - daarbij gaat het, zoals in casu, om verzekerde personen die op hun zeventiende jaar arbeidsongeschikt zijn en dit nadien meer dan 52 weken onafgebroken zijn gebleven - reeds in juli 1982 een beleid heeft ontwikkeld waarin van deze weigeringsbevoegdheid wordt afgezien, indien aan een aantal cumulatief bedoelde voorwaarden wordt voldaan. Dit beleid heeft gedaagde recentelijk, namelijk op 12 december 1991, uitgebreid, in die zin dat thans drie categorieën vroeggehandicapten worden genoemd, waarvoor onder nadere voorwaarden van de weigeringsbevoegdheid wordt afgezien. Dit nieuwe beleid is in een notitie als volgt geformuleerd:

'Ten aanzien van de volgende categorieën en onder de volgende voorwaarden wordt geen gebruik gemaakt van de weigeringsbevoegdheid.

I. de vroeggehandicapte is een vluchteling met de z.g.n. A-Status (de uitgenodigde vluchteling);

II. a) De vroeggehandicapte heeft Nederland verlaten hetzij wegens gezondheidsredenen, hetzij wegens redenen gelegen in de inkomensverwerving in het buitenland (door ouders/verzorgers) en heeft gedurende het verblijf in het buitenland een band met Nederland gehouden;

b) De vroeggehandicapte heeft Nederland verlaten om andere reden dan onder 2a genoemde, verbleef slechts zeer kort in het buitenland (korter dan 2 jaar) en heeft gedurende het verblijf in het buitenland een sterke band met Nederland gehouden;

T.a.v. boven genoemde categorieën gevallen dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:

- de vroeggehandicapte moet op zijn 17e verjaardag en daarna in Nederland wonen;

- de vroeggehandicapte komt pas in aanmerking voor een AAW-uitkering na 6 jaar onafgebroken in Nederland te hebben gewoond;

- de vroeggehandicapte moet de bedoeling hebben blijvend deel uit te maken van de Nederlandse samenleving.

III. De vroeggehandicapte die in verband met gezinshereniging naar Nederland komt. T.a.v. deze categorie dient te worden voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

- de vroeggehandicapte moet op zijn 17e verjaardag en daarna in Nederland wonen;

- de vroeggehandicapte komt eerst in aanmerking voor uitkering op het moment dat hij gedurende zes jaren onafgebroken in Nederland heeft gewoond;

- een der ouders van de vroeggehandicapte moet kinderbijslag voor hem hebben genoten;

- de reden van vestiging in Nederland van de vroeggehandicapte moet gezinshereniging zijn;

- de kostwinner van het gezin waartoe de vroeggehandicapte behoort moet minstens drie jaren aaneengesloten in Nederland gewerkt hebben;

- de vroeggehandicapte en het gezin waartoe hij behoort moeten de intentie hebben blijvend deel uit te maken van de Nederlandse samenleving.'

De Raad merkt nog op dat blijkens uitlatingen namens gedaagde dit beleid ook van toepassing is op 'oude' gevallen, waarover nog een procedure loopt.

De Raad heeft eerder overwogen, onder meer in de uitspraak van 11 februari 1988, gepubliceerd in RSV 1988, 232, dat hij de in juli 1982 vastgestelde beleidsregels gelegen acht binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Met betrekking tot de, zojuist vermelde, recentelijk vastgestelde beleidsregels, welke uitbreiding geven aan de situaties waarin van de hantering van de weigeringsbevoegdheid wordt afgezien, is de Raad van oordeel dat ook deze in beginsel gelegen zijn binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

Gedaagde heeft bij de bestreden beslissing de weigeringsbevoegdheid van artikel 21, lid 1, sub a, van de AAW gehanteerd nu gedaagde in het onderhavige geval van mening was dat niet werd voldaan aan de voorwaarde, deel uitmakend van het beleid uit juli 1982, dat de reden van vestiging in Nederland moet zijn gezinshereniging.

De Raad is met gedaagde van oordeel dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, de vestiging van eiseres, tezamen met het gehele gezin, in Nederland niet kan worden aangemerkt als een gezinshereniging in de zin van gedaagdes beleid. Van gezinshereniging kan immers in het beleid van gedaagde slechts sprake zijn indien er na een - als tijdelijk bedoelde - onderbreking van het samenwonen in gezinsverband tussen de vroeggehandicapte en de, reeds voor de komst naar Nederland van de vroeggehandicapte in Nederland wonende en werkende, kostwinner van het gezin (en eventuele andere gezinsleden) herstel plaatsvindt van het samenwonen in gezinsverband. In de onderhavige situatie heeft zich echter geen zodanige onderbreking van het samenwonen in gezinsverband voorgedaan.

Blijkens de, onder I vermelde, brief d.d. 23 november 1992 heeft gedaagde het onderhavige geval eveneens getoetst aan de nieuwe beleidsregels van 12 december 1991 en in dat kader het volgende aangegeven:

'Het bestuur van de bedrijfsvereniging heeft besloten het in de voor beroep vatbare beslissing d.d. 24 februari 1987 neergelegde standpunt te handhaven. Door het bestuur werd daarbij overwogen dat ook toepassing van het nieuwe beleid d.d. 12 december 1991 niet kan leiden dat het toekennen van een AAW-uitkering aan mevrouw B. N. omdat niet voldaan wordt aan een van de voorwaarden.

Het betreft de voorwaarde dat de vroeggehandicapte Nederland moet hebben verlaten wegens gezondheidsredenen, hetzij wegens redenen gelegen in de inkomensverwerving in het buitenland (door ouders/verzorgers) en gedurende het verblijf in het buitenland een band met Nederland gehouden heeft. Volgens het bestuur van de bedrijfsvereniging is het gezin waartoe mevrouw N. behoort destijds niet naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd om reden van inkomensverwerving zoals bedoeld in bovenomschreven voorwaarde.

Onder reden inkomensverwerving verstaat het bestuur dat een vader/verzorger door een werkgever uitgezonden wordt en dergelijke. Bovendien acht het bestuur het heel twijfelachtig of in casu nog een band met Nederland behouden bleef nu het gezin slechts vijf jaar in Nederland woonde toen besloten werd te emigreren.'

Naar het oordeel van de Raad berust het hierboven weergegeven standpunt van gedaagde op onvoldoende gronden. In de gedingstukken is namelijk geen toereikende feitelijke grondslag te vinden voor het standpunt dat eiseres destijds Nederland niet heeft verlaten vanwege de inkomensverwerving van de ouders van eiseres in het buitenland. Dit ontbreken van een voldoende feitelijke grondslag wordt niet anders wanneer wordt getoetst aan de nadere invulling door gedaagde van de reden van de inkomensverwerving in het buitenland, te weten het zijn uitgezonden door een werkgever 'en dergelijke'. De Raad merkt daarbij overigens op dat deze nadere invulling niet blijkt uit de op schrift gestelde beleidsregels van 12 december 1991.

Evenmin heeft de Raad in de gedingstukken voldoende grondslag kunnen vinden voor gedaagdes twijfel of er in casu nog een band met Nederland behouden bleef.

De onderhavige weigeringsbeslissing kan dan ook in het licht van gedaagdes nadere beleid niet in stand blijven, hetgeen meebrengt dat ook de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden.

Dit leidt er, gelet op het bepaalde in artikel 80a, vijfde lid, van de Beroepswet, toe dat het door eiseres in hoger beroep gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Uit het voorgaande vloeit voort dat moet worden beslist als volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak en de bestreden beslissing;

bepaalt dat gedaagde een nadere beslissing dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

bepaalt voorts dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 80a, vijfde lid van de Beroepswet aan eiseres het gestorte recht van f 50 vergoedt.